woensdag 30 maart 2011

Tristan Keuris

Een paar dagen geleden ontving ik, op verzoek, een toelichting van Leo Samama, die hij geschreven had voor het Strijksextet uit 1994 van Tristan Keuris. We zijn deze week met de repetities bezig voor twee concerten, op zaterdag in Delfshaven en op zondag in Boijmans, dus wat extra informatie voor het publiek en voor ons is dan welkom.
Op basis van de partituur had ik al wel een indruk van het stuk, dat een hele heldere opbouw heeft. "Een bijna 'klassieke' structuur" noemt Samama het, met herkenbare thema's en onderscheidbare muzikale zinnen. Dat had ik ook gezien, maar dat valt voor de oren nog niet duidelijk te herkennen op de eerste repetitie. Het is vooral zaak zo snel mogelijk te weten wat de anderen spelen, want een dirigent is er natuurlijk niet, en met een veelheid aan maat- en tempowisselingen is de kans dat je elkaar onderweg kwijt raakt volop aanwezig. Bovendien is het handschrift van de partijen niet overal even duidelijk te ontcijferen.

Dat handschrift zal zeker van de componist zelf zijn. Ik herken het van een partituur die ik, jaren geleden, ooit kon inzien nog voor het stuk geklonken had. De inkt nog nat, zoals dat heet. Cellist Ralph Kirshbaum had een dubbelconcert bij Keuris besteld voor zijn Cellofestival in Manchester en de partituur ter voorbereiding meegenomen tijdens een tournee in 1992 door Zweden, waar ik ook aan deelnam. Als cellist en Nederlander kreeg ik de unieke kans om over zijn schouder mee te lezen in die eveneens heldere partituur. Een beetje trots was ik wel op mijn landgenoot die internationaal zo gewaardeerd werd. Helaas is hij niet oud geworden. Hij overleed al in 1996 op 50-jarige leeftijd, maar liet wel een gevarieerd en aansprekend oeuvre na. Dat Dubbelconcert voor twee cello's en orkest is al regelmatig met succes uitgevoerd. Dit strijksextet had ik nooit eerder gehoord. Dat zou toch een 'klassieker' moeten kunnen worden, ondanks, of misschien wel dankzij, de ongebruikelijke bezetting. Een prachtig en aansprekend werk.

Maar ook het verhaal dat erachter zit is bijzonder. Het is verwerkt in de mooie documentaire die Hans Hylkema voor de NPS maakte met als ondertitel 'de componist met de gouden handjes', nog te zien op internet (http://npspodium.nps.nl/page/klassiek/aflevering/10742111/nps-podium-tristan-keuris).
Vioolbouwer Mathijs Heyligers, een Nederlander in Cremona, zou een contrabas bouwen maar vond het stuk hout wat hij daarvoor ter beschikking had eigenlijk te mooi voor een bas. Of althans meer geschikt voor een viool. Het werd niet één viool, maar wel drie en bovendien nog twee alten en een cello. Toen had hij ook nog het drieste plan om voor die instrumenten een stuk te laten schrijven. Keuris had er wel zin in en dit stuk is er uit gerold.

Samama legt in zijn verhaal een mooi verband tussen de traditie van het vioolbouwen en de traditie-bewuste componeerstijl die Keuris hier hanteert. Technieken die teruggrijpen op Beethoven, Schubert en Brahms. Niet de minsten, en op een sterke en persoonlijke manier verwerkt. Veel aandacht voor het karakter van de instrumenten en de losse snaren en vol energie.
En zo zullen wij het ook gaan spelen.
Een voorrecht om te mogen doen.

De concerten zullen vast nog niet uitverkocht zijn, dus er is nog de keus tussen de ruime akoestiek van de Pelgrimsvaderkerk op zaterdagavond en de wat drogere aula van museum Boijmans op zondagmiddag.  

zaterdag 12 maart 2011

Cadens te lang?

Ik moet hem al eens eerder gehoord hebben, want het Eerste pianoconcert van Beethoven is geen onbekend stuk. Maar toen Angela Hewitt tijdens de generale repetitie de cadens aan het eind van het eerste deel speelde, was ik toch verbaasd. Er waren zoveel momenten in de muziek die waarschuwden dat we klaar moesten gaan zitten voor een orkestinzet, dat het eindeloos leek te duren. Steeds nam ze weer een andere afslag, werd er weer gevarieerd op een ander motief uit het stuk. En dan word je tenslotte toch nog verrast door de echte afsluiting, die niet, zoals gebruikelijk, met een triller eindigt, maar met een krachtig accoord, als een soort plagerige echo herhaald (maakt Ludwig hier een lange neus?), voordat wij aan de beurt zijn.

Er waren collega's die hem veel te lang vonden. Dat lag overigens niet aan de uitvoering. Van alle kanten veel lof voor mevrouw Hewitt die veel karakter in haar spel legt, met een mooi stijlgevoel voor de muziek en voortdurend in dialoog met het orkest. Maar had ze dan misschien beter een kortere cadens kunnen spelen?
Blijkbaar is dit de cadens van Beethoven zelf, die meestal gespeeld wordt. Hij componeerde deze pas jaren later, in de tijd van zijn Vijfde pianoconcert, en dat hoor je wel aan de stijl en de pianistische effecten. Hij kon zijn concerten zelf niet meer uitvoeren, vanwege zijn doofheid, en hij moest er rekening mee houden dat minder getalenteerden ermee het podium op gingen. Van een solist werd, zeker in die tijd, verwacht dat hij zelf een cadens improviseert en daarmee zijn kunsten etaleert terwijl het orkest zwijgt, maar misschien had Beethoven niet zoveel vertrouwen in zijn tijdgenoten. En wie durft tegenwoordig de concurrentie met hem aan te gaan?

Ik vind het wel leuk als solisten met een eigen versie komen, maar eigenlijk gebeurt dat zelden. Zeker als een componist zelf er een geschreven heeft. Maar er zijn ook andere cadensen die inmiddels standaard zijn geworden, zoals die van Joachim voor het Vioolconcert van Brahms en Kreisler voor dat van Beethoven. Ook die hebben hun kwaliteit bewezen, maar zouden toch vaker moeten worden ingewisseld voor alternatieven. Gidon Kremer deed dat en speelde een cadens van Schnittke voor Beethoven, inclusief een paukenpartij. Meer Schnittke dan Beethoven natuurlijk, maar die pauken was zeker in de geest van de componist. En waarom ook niet?
Latere componisten zullen steeds vaker de mogelijkheid voor een cadens weglaten of er een uitcomponeren, zoals Sjostakovitsj die zowel voor zijn Eerste vioolconcert als voor zijn Eerste celloconcert een cadens als apart deel voorafgaand aan de finale invoegt.

Bij de concerten deze week wordt dus de vraag opgeworpen of een cadens ook te lang kan zijn. Is er een ideale verhouding tussen de lengte van het deel, of van het hele concert, en de tijd die de solist bezig is met zijn cadens?
Ik kan me voorstellen dat daar wel grenzen aan zijn, naar beide kanten toe, maar de componist zelf zal die toch niet overschreden hebben. Zelf zal hij als solist zeker zoveel tijd opgeëist hebben. Meer dan vijf minuten is een hele tijd, de lengte van een sonatedeel. Maar er gebeurt zoveel in en het gebeurt zo mooi dat het elke avond weer genieten is. Met als kers op de taart nog een toegift. Geen Beethoven, maar tot nu toe beide keren Bach. Ook mooi.

maandag 7 maart 2011

B B

Ik heb weer een boeiende avond gehad in de Stopera gisteren.
Premiere van Billy Budd, Benjamin Britten.
En wat een ongelooflijke partituur is dat! Zo vol originele vondsten, vol kracht en expressie.

Telkens als ik Britten hoor, raak ik er meer en meer van overtuigd dat hij nog steeds veel te weinig gespeeld wordt. Zeker voor het muziektheater heeft hij zo'n belangrijk oeuvre nagelaten, dat het eigenlijk een schande is dat dit stuk nooit door een Nederlands gezelschap is uitgevoerd.
Hulde aan De Nederlandse opera!

Maar waarom hebben ze dan deze productie gekozen, die in 2007 in Frankfurt al eens ging?
Er zal vast een prachtig concept achter zitten en ik ken zeker overtuigende voorbeelden van actualisering van het verhaal van een opera, maar deze kon ik persoonlijk niet volgen. Ze zaten nu niet op een Engels oorlogsschip in 1797 maar op een Engelse zeevaartsschool, vermoedelijk in de jaren '30 van de vorige eeuw, want koning George VI hangt bij de rector aan de muur. Zou die daar in 2007 in Frankfurt ook al gehangen hebben? De verwijzing naar de stotterende koning die vorige week met The King's speach een Oscar won is frappant.
Minder overtuigend is de gymzaal waar een wedstrijdje kanonbouwen gespeeld wordt in plaats van een gevecht geleverd met een Frans oorlogsschip, dat onzichtbaar in de mist nadert. Geen zee, geen mist, maar knipperende lampen. De geloofwaardigheid van de onrust onder de officieren en het onvermijdelijke van de doodstraf die Billy, die gehinderd door zijn stotteren een officier dodelijk verwond heeft, krijgt, verdwijnt zo volledig. Voor een mannengemeenschap in de beperkte ruimte van een schip onder oorlogsdreiging en met het risico van muiterij, zeker in de jaren na de Franse Revolutie, gelden nu eenmaal andere regels dan op een school, hoe streng en hiërarchisch die ook kan zijn. En dan heb ik het maar niet over grote delen van de tekst die complete nonsens worden. Misschien is dat ook bijzaak.
Zoals aan het eind de naam van het schip, Indomitable, in de lucht blijft hangen, onbegeleid, bijna gesproken (geniaal van de componist!), zo heb ik dat schip tijdens de voorstelling gemist. Misschien had ik het tekstboek met uitleg moeten lezen.

De zee miste ik ook op het toneel, maar niet in de partituur. Geen componist die de zee met al haar karakters en gevaren zo mooi in muziek vertaalt.
Veel Britten dus hopelijk de komende jaren, zeker in 2013 bij zijn honderdste geboortejaar.
Misschien in de Gergiev Festivals, waarin nog veel water door de Nieuwe Maas zal stromen.

Overigens was voor mij Jaques Imbrailo in de titelrol de ster van de avond. Vooral zijn aria na de veroordeling wa van een ontroerende schoonheid. Een grote belofte voor de toekomst.
Hij zegt dat hij voor zijn stottermomenten advies heeft gekregen van Derek Jacobi, de acteur van I Claudius.
Daaraan valt, wat mij betreft, nog wel wat te verbeteren. Maar dat zal wel lastig zijn.

vrijdag 25 februari 2011

Mahler zonder grenzen: Wenen, Tsjechië en Zeeland

De aanleiding was de komst van een oud televisietoestel met ingebouwde videospeler, die mijn schoonouders over hadden. Er liggen bij mij nog stapels banden in huis die ik ooit opgenomen heb en voor het merendeel nooit afgekeken. Vooral opera's, maar ook films, documentaires, series.
Zo heb ik het merendeel van een documentaire-serie over de ontwikkeling van de muziek in de 20e eeuw, Leaving Home, nog beschikbaar. Een boeiende serie, met bijbehorend boek, waarin een nog jonge Simon Rattle de kijker aan de hand mee voert langs bekende en  minder bekende haltes langs de route.
Het eerste deel wat ik zie is getiteld Dancing on a Volcano, en gaat over het Wenen van begin vorige eeuw. Schoenberg ontwikkelt zijn atonale taal en vestigt er de Tweede Weense School, samen met Alban Berg en Anton Webern. Een bekend verhaal.

Het is vooral de rol van Mahler hierin die minder vaak verteld wordt. Na Schoenbergs Verklärte Nacht klinkt het scherzo, het middelste deel uit Mahlers Zevende symfonie (Overigens, de serie is inmiddels natuurlijk ook op youtube te zien : http://www.youtube.com/watch?v=RZtrDbcmJK0). 'Schattenhaft' staat erboven in de partituur. Rattle noemt het een verzameling echo's van 200 jaar muziek, maar ook een nachtmerrie. De vele schaduwen zijn beangstigende gedachten die over elkaar heen buitelen. Want behalve Mahler, inspirator van vele kunsten, was ook Freud een centrale figuur in het Wenen van 1900. In het boek wordt nog een vergelijking gemaakt met een novelle van Arthur Schnitzler, Leutnant Gustl  (1900). Misschien aardig om dat als voorbereiding op de concerten van komende week te lezen.


Jiri Bélohlávek is uitgenodigd om het RPhO te dirigeren.
De Zevende gaat niet zo vaak. Valery heeft hem een aantal malen gedaan en Haitink, Conlon natuurlijk. Bélohlávek is een Tsjech, die ooit wel eens een Martinu-symfonie bij ons gedirigeerd heeft.
Een Tsjechische dirigent met Tsjechische muziek lijkt een goede keus. En als je die lijn zou volgen past deze symfonie ook goed. Mahlers geboortegrond ligt in Tsjechië en de Zevende heeft hij ooit in Praag ten doop gehouden. Uit Tsjechoslowakije kwam bovendien één van de grote Mahler-dirigenten uit de na-oorlogse periode, waar oudere collega's van mij nog vol bewondering over spreken: Rafael Kubelik. Het zouden dus weleens een boeiende uitvoeringen kunnen worden.


Hoe Mahler in de jaren vlak na de oorlog in Rotterdam gespeeld werd, is te horen op de cd-box met de Zesde en Achtste, gedirigeerd door Eduard Flipse. En hoe uniek dat document is realiseerde ik me pas toen ik er naar ging luisteren en het uitstekende en uitgebreide boekje erbij las.
Over de moeite die gedaan is om de uitvoering van de Achtste te realiseren, in een evenementenhal, want dat was Ahoy' ( de ' achter de naam werd toen nog gebruikt en komt blijkbaar van de titel van de eerste tentoonstelling. De Doelen bestond toen nog niet en voor deze symfonie werden talloze koren en twee orkesten ingeschakeld. Een Leidse orgelbouwer die er gratis een orgel bouwde. Platenmaatschappij Philips die de zaal geschikt moest maken voor een opname en een plaat zou maken van slechts één concert, op 3juli 1954. De twee laatste repetities werden vanwege de overweldigende belangstelling ook openbaar gemaakt, zodat met 8500 mensen per uitvoering er in totaal zo'n 25000 mensen de interpretatie van Flipse konden meemaken. En dat niet alleen, want de langspeelplaat ging de hele wereld over en was voor velen de eerste kennismaking met Mahlers Achtste. Er waren in die tijd nauwelijks alternatieven.


Een heroïsch verhaal over een bijzondere dirigent, die niet alleen voor het Rotterdams Philharmonisch van grote waarde is geweest. En de uitvoering is zeer overtuigend, met prachtige afgewogen tempo en musici die doordrongen zijn van het unieke karakter van de partituur en de gelegenheid.
Geen Tsjechische Mahler maar een Zeeuwse, en dat spreekt mij persoonlijk ook erg aan.  

dinsdag 22 februari 2011

Muziek en beeld (2)

In Rotterdam hebben we bij het Philharmonisch in de loop der jaren al heel wat producties met film gedaan.
Vroeger kwam Carl Davis bijna elk jaar wel weer met een film uit de jaren '20 en '30. 'City lights' met Charlie Chaplin was een mooie. Vooral die bokswedstrijd werkte hilarisch met de muziek. Maar ook 'The goldrush' en 'The circus' hadden groot succes.

Voor die tijd had ik zelf al wat mooie ervaringen opgedaan bij de Beau Hunks van Gert-Jan Blom. Vooral de opnames van de muziek voor de films van Laurel en Hardy waren heerlijk om te doen. Prachtige nummers van T. Marvin Hatley en vooral Leroy Shields waren vanuit de films aan elkaar geplakt en gereconstrueerd met archeologische precisie. Het was Piet Schreuders die die monnikenklus geklaard had en steeds weer nieuwe details hoorde. Een bijzondere man vol originele ideeën, onderwerpen die hij tot de bodem toe uitzoekt en uitgever van onder meer Furore en de Poezenkrant. Zijn website (www.pietschreuders.com) laat daar iets van zien. Vaak tot diep in de nacht luisterden we tussen de opnames door naar de virtuoze musici in Hollywood, om te beoordelen of onze partituren recht deden aan het origineel en onze stijl van spelen authentiek genoeg klonk. Dat was een leuke en leerzame tijd waarin mijn bewondering voor die studio-muzikanten is gegroeid en ik met andere oren naar de films ben gaan kijken.

De laatste jaren was het niet meer Carl Davis maar Richard Kaufman, gepokt en gemazeld in Hollywood, die met het orkest oude films begeleidde. Onlangs nog The Bride of Frankenstein. Later dit seizoen doen we, met weer een andere specialist, nog een mega-spektakel met The Lord of the Rings. Ik moet toegeven dat mijn voorkeur meer naar die oude films uitgaat, maar dit wordt vast ook een unieke ervaring.

Zo hier en daar duikt film-muziek ook nog wel in de reguliere programmering op. Stravinsky hergebruikte voor zijn 'Symphony in three movements' muziek die hij eerder voor de film bedoeld had. Een aantal jaren geleden is er weer video-materiaal voor bij de muziek gemaakt. En sinds Stanley Kubrick Also sprach Zarathustra voor de openingbeelden van zijn '2001 A Space Odyssey' gebruikte kunnen we Richard Strauss ook tot de succesvolle filmcomponisten rekenen. Voor mij persoonlijk is de associatie met een wasmiddelreclame overigens nog sterker in mijn geheugen gegrift.
Ik moest eraan denken toen ik de resultaten van een Amerikaanse wedstrijd voor de meest fantasie-volle orkestprogrammering zag. Bovenaan staat een programma onder de titel 'Eternal stories' met voor de pauze het werk van Strauss en in de tweede helft de muziek voor Superman van John Williams! http://springformusic.com/s4m-fantasy-program-contest/

Blijkbaar zit er toekomst in gebruik van film en filmmuziek in de concertzaal.
Een bijzonder voorbeeld daarvan, in weer een hele andere richting, was de samenwerking met Bill Viola, de grote video-kunstenaar. De beelden die hij bij de complete muziek van Tristan und Isolde had gemaakt werden tijdens het Gergiev festival 2007 in de Doelen getoond, terwijl wij met Valery en solisten de partituur speelden. Een bij vlagen hallucinerende ervaring voor de toeschouwers, die niet alleen een commentaar op Wagner kregen te zien, maar ook een heel nieuw kunstwerk. Overigens moest de grote zaal, die toen nog niet verbouwd was, aangepast worden aan de eisen van de meester, om de beelden in voldoende kwaliteit aan te kunnen bieden. Geen moeite te veel.

Nieuwe kunstwerken worden de komende weken ook elders in Nederland gepresenteerd. Lucas van Woerkom heeft voor het Residentieorkest filmbeelden gemaakt bij Dodeneiland van Rachmaninov, die zijn muziek baseerde op het bekende werk van Böcklin. Zou de film dan weer teruggaan naar het schilderij?
Komend weekend te zien en te horen in Den Haag.
Zeker zo spannend is het nieuwe stuk dat Michel van der Aa heeft geschreven voor Amsterdam Sinfonietta en celliste Sol Gabetta. 'Up-close' is een stuk waarbij filmbeelden worden getoond op de ene helft van het podium, terwijl aan de andere kant de musici spelen. (voor meer info zie http://www.vanderaa.net/up-close).
De premiere is overigens in Stockholm.

Het zijn veelbelovende ontwikkelingen die hopelijk aansluiting vinden bij een groot publiek.

zaterdag 19 februari 2011

Muziek en beeld

De afgelopen weken heb ik geprobeerd om de televisie-serie over Rembrandt te volgen.
Rembrandt is een van die paar schilders die ik in de buitenlandse musea altijd weer als eerste opzoek. Een vrije middag tijdens een orkest-tournee is daarvoor zeer geschikt. Bij een volgend bezoek aan New York moet ik dus weer even langs bij de Frick-collectie langs voor een onlangs gerestaureerd zelfportret.
Zijn schilderijen interesseren me meer dan zijn leven, maar toch wil ik graag zien of de makers van zo'n serie me nieuwe inzichten verschaffen over de mens, zijn werk of zijn tijd.
Zo heel graag was dat blijkbaar na drie afleveringen niet meer, want ik heb afgelopen maandag het nieuws en politieke discussies laten prevaleren. Waarom was het me tegengevallen?

Misschien door de geringe aandacht voor het artistieke element. Ik heb al eens een theaterproductie over de molenaarszoon uit Leiden gespeeld. Sommige teksten deden me denken aan die voorstelling van Peter Greenaway, 'Rembrandts Spiegel'. Maar Greenaway keek op een andere manier dan de regisseur van deze serie. Meer als schilder. Net als Derek Jarman in zijn 'Caravaggio'.
Zoiets kun je van een tv-serie waarschijnlijk niet verwachten. Maar wat me nog meer stoorde was de muziek.
Het was vast goede muziek, Fons Merkies heeft een indrukwekkende staat van dienst, maar ik moest er steeds naar luisteren, ook als ik dat niet wilde. Een dominante aanwezigheid die op mij vermoeiend werkte.

Ik weet niet of voor zoiets regels te formuleren zijn. Hennie Vrienten sprak er laatst op een verhelderende manier over, ook op tv. Zijn boodschap was dat het elke keer weer anders is. Soms lukken dingen, soms wat minder goed. Het is een ambacht maar ook een kunst. Een vak apart, en veel belangrijker voor de kwaliteit van een film dan men zich meestal realiseert.

Die subtiele relatie tussen muziek en beeld is natuurlijk ook bepalend bij de registratie van klassieke concerten. Sinds ik een aantal keren over de schouders van Christiaan van Schermbeek heb mogen mee kijken zie ik steeds vaker dingen die me niet bevallen bij concerten op televisie. Instrumenten die bespeeld worden, zonder dat je de musicus ziet, vind ik zelden aangenaam. Vlak na het begin van een melodie bij een speler arriveren geeft geen aangenaam gevoel. Maar ook het tempo van een wisseling van camera kan tegen de muziek ingaan. Ik weet niet of daar regels voor zijn, maar je ontwikkelt bepaalde voorkeuren. En daar druisen de meeste registraties tegenin. Christiaan gelukkig zelden.

Muziek is toch in de eerste plaats om naar te luisteren. Maar een wisselwerking met beelden kan een verrijking betekenen, een aanleiding om anders te gaan luisteren. Of anders te kijken.
Ik ben nu bezig met de voorbereiding van een serie concerten die we in het najaar met Domestica in de Laurenskerk gaan doen. Een van de onderwerpen wordt de schilder Titiaan en zijn Venetië. En wat is er inspirerender dan door boeken met afbeeldingen te bladeren en je voor te stellen hoe die prachtige kleuren en mensenfiguren kunnen combineren met de klanken van muziek?
En als Greenaway met een film over de Sixtijnse kapel komt of er een nieuwe televisieserie over Titiaan komt, en waarom niet, dan wil ik die zeker zien. Ongeacht welke muziek er bij zit.

dinsdag 8 februari 2011

Vierstemmig cellogezang

Debussy en Prokofjev deze week.
Twee stukken die we relatief vaak gespeeld hebben, vooral met Gergiev.
Hoogtepunten uit het orkestrepertoire, maar niet echt vaak gecombineerd in één programma.
Toch voelt het goed.
Het roept mooie herinneringen op. Aan het eerste Gergiev Festival bijvoorbeeld.
Daar hadden Valery en Kees Hillen een prachtig programma ontwikkeld rond beide componisten, aangevuld met Stravinsky. Een spannende combinatie en een hele spannende onderneming!
Mooie herinneringen aan hoe dat festival toen begon, vanuit het niets. Maar iedereen werkte mee, musici en kantoor, dag en nacht, met alle mogelijke programma's en combinaties. Toen is de basis gelegd waar we nog steeds op voortborduren. Dit jaar wordt dat "The sea and the city". Eigenlijk een ideaal moment dus om La Mer, een van de stukken van dat eerste festival, weer te doen.
Die programmering wordt pas ergens in het voorjaar bekend gemaakt.

Met Yannick spelen we voor ons abonnementspubliek en voor de microfoon.
Vier concerten in Rotterdam waaruit een cd-opname kan worden samengesteld.
Dat wordt zeker iets bijzonders, een mooi vervolg op het succes van de Ravel-cd.
En op de Berlioz-cd van afgelopen maand.
Met het gevaar teveel met Franse muziek te worden geassocieerd, maar daar zal de Strauss-cd, die binnenkort uitkomt, hopelijk voldoende tegenwicht aan bieden.
Al met al een luxe positie, twee cd-maatschappijen, BIS en EMI, die graag de combinatie Yannick-RPhO uitbrengen. Bij Gergiev paste de combinatie met zijn Mariinsky-orkest altijd veel beter in de marketing-strategie van Philips dan die met ons. Anders hadden we daar menige mooie opname mee kunnen uitbrengen.

Bovendien: hoe Frans is La Mer eigenlijk?
Het beeld wat bij het stuk hoort is die bekende golf van Hokusai, met de berg Fuji op de achtergrond. Die koos Debussy voor de omslag van de partituur en sommige pentatonische motieven doen zeker oosters aan.
En wat schilders betreft schijnt hij zich meer verbonden te hebben gevoeld met Turner dan bijvoorbeeld met Monet. En er zijn vast ook nog wel Russische sporen te vinden als je goed zoekt. Daar heeft de jonge Claude tenslotte ook nog wat jaartjes doorgebracht.

Overigens als het nodig is een overeenkomst tussen deze Debussy en de Vijfde Prokofjev te vinden, dan staat er een opvallende in de cellopartij. Het gebeurt slechts zelden dat we als cellogroep een vierstemmige passage  spelen, maar hier zijn twee voorbeelden op één avond. Prokofjev citeert aan het begin van de finale het hoofdmotief van het eerste deel in een frase van acht maten, vierstemmig voor de cello's. We zijn met zijn tienen, dus dat is nooit een eerlijke verdeling.
Debussy componeert een soortgelijke passage in zijn eerste deel. Heel bijzonder van klank en berucht, want het wordt vaak op audities gevraagd. Met ons tiental doen we de componist overigens schromelijk te kort, want hij rekent op zestien cellisten, verdeeld in vier viertallen. Ik heb nooit begrepen hoe hij daarop gekomen is, en op hoeveel violen hij dan gerekend had. Of waren die extra cellisten alleen nodig voor dit moment?
Dat de standaard waar we tegenwoordig mee spelen, met de meeste strijkers in de hoogste groepen, niet van alle tijden is, zal duidelijk zijn, maar dit voorbeeld blijft voor mij een raadsel. Suggesties zijn welkom!