dinsdag 29 november 2022

Bruckner in Brugge

 Elk seizoen reizen we als orkest wel een keer naar Brugge om ons daar te laten horen. Dit weekend was het weer zover. Een prachtige stad, een soort museum. Lekkere zaal. En een mekka voor chocoladeliefhebbers. Maar daar merken we meestal weinig van als we na een lange busrit op tijd voor een voorrepetitie en concert in de stad aankomen. Dit keer had ik mezelf op een treinreis getrakteerd waardoor ik de middag kon besteden aan museumbezoek. Een van mijn favorieten van Jan van Eijck hangt in het Groeningemuseum: De Madonna met kanunnik Joris van der Paele. Fijn om er weer een tijdje in alle rust van te kunnen genieten. Die prachtige kleuren, al die verbluffende details, de spiegeling in het harnas van Sint Joris, de mantel van de heilige Donatius met al dat blauw en goud. Ongelooflijk. En elke keer ontdek je weer nieuwe dingen. Het ruimtelijk effect van het doorkijkje naar links, waar het licht vandaan komt, was me niet eerder zo opgevallen.

Het is een recente liefde van mij, die Vlaamse Primitieven. Maar het heeft me al vele momenten van genot, verbazing, bewondering en inspiratie opgeleverd. Hoofddoel in Brugge was dit keer de tentoonstelling rond een gerestaureerd werk van Hugo van der Goes: De dood van Maria. Ook weer Maria. Heeft ze ooit zo centraal gestaan in de geloofsbeleving als juist in die overgang van Middeleeuwen naar Renaissance? Bij Van der Goes is ze niet het stralend middelpunt zoals bij van Eijck. Wel het middelpunt, maar helemaal bleek, een witte huid, en geen rode mantel maar een blauw kleed. En ergens gaat het meer om de apostelen, die zich om haar sterfbed geschaard hebben, en hun individuele reacties. De emancipatie van het individu in de schilderkunst vind ik een van de meest fascinerende aspecten van die tijd.
Oog in Oog met de Dood heet de tentoonstelling in het Sint-Janshospitaal. Niet alleen dit schilderij is van dichtbij, midden in de ruimte te bewonderen. De combinatie met andere werken van tijdgenoten die het thema van afscheid en leiden, leven en dood, belichten werkt ook heel sterk. Er zijn ingesproken reacties van kunstenaars op het zien van het schilderij te bekijken en beluisteren. Een mooi voorbeeld welke wegen je kunt bewandelen om kunst aan het publiek te presenteren. Je zou er als muziekprogrammeur door geïnspireerd kunnen worden. Ook daar is het vaak een uitdaging de oude meesterwerken in nieuw licht en perspectief te tonen. En in dit geval voelde de combinatie van het zien van deze tentoonstelling en het spelen van Bruckners Negende onverwacht passend. Muziek, specifiek de helende werking, vormt ook een onderdeel van de tentoonstelling. Van der Goes maakte dit schilderij tijdens de laatste jaren van zijn leven, toen hij depressief was en zelfs last kreeg van zelfmoordneigingen. In het Rood Klooster bij Brussel, waar hij zich had teruggetrokken, werd hij behandeld met muziektherapie. We spreken dan over de jaren 80 van de 15e eeuw! Ik weet niet wat het inhield en nog minder in hoeverre het geholpen heeft.
Lahav had ervoor gekozen om de uitvoeringen van Bruckner deze week op te dragen aan onze overleden collega Jan Jansen. Dat was vooral de eerste avond in de Doelen, in aanwezigheid van zijn familie, met een lege stoel op het podium, best een emotionele aangelegenheid. Bruckner is niet de eerste muziek die bij me opkomt als ik aan Jan denk. Dat is eerder Mozart, Richard Strauss, Sjostakovitsj misschien. Maar dit zijn wel de eerste concerten waarbij onze chef-dirigent het gemis van een zeer gewaardeerde collega ervaart. Jan had altijd goed contact met de dirigenten, en zeker met Yannick en Lahav.
Bovendien gaat deze Negende over afscheid nemen van het leven. Zeker dat Adagio zit vol momenten van pijn, van angst, van leegte waarin je als speler en luisteraar verweesd achterblijft. Dat past verrassend goed bij dat schilderij van meer dan 500 jaar geleden. Specifiek het gevoel van aanvaarding, wat Bruckner tenslotte na veel worsteling bereikt, lijkt zichtbaar op al die gezichten van de apostelen, die Maria moeten laten gaan


dinsdag 22 november 2022

Nogmaals Bruckner met Celi

Ik had nog een vervolg zullen schrijven op het verhaal over Celibidache en de Zevende Bruckner bij de Berliner Philharmoniker. Dat moet nog even wachten. Komende week dirigeert Lahav de Negende bij ons en daarvan zijn van Celi ook repetities gefilmd. Niet in Berlijn maar bij zijn eigen orkest in München. Hij kent het orkest door en door, heeft het in de loop der jaren gevormd, en dat merk je. Van het eerste deel vond ik een kort fragment:

Celibidache zet Bruckner neer als een componist, anders dan alle anderen, uniek, en zo voert hij hem ook uit. Beroemd vanwege de langzame tempi. Het gaat om het begrip tijd. Celi formuleert het zo: bij Bruckner is tijd niet dat wat na het begin komt, maar dat wat na het einde komt. Een filosofische formulering die lastig te vatten is. Maar ik herinner me wel de bijzondere ervaring van tijd en het meevoelen met eindeloze tempi en enorme climaxen van de twee Bruckner-concerten die ik hem ooit in Amsterdam heb horen doen. Een bijna religieuze ervaring. Zo zijn de eerste maten muziek die je in dit fragment hoort, het lyrische thema van het eerste deel, ongekend langzaam en mild. Prachtig, maar niemand anders die dat zo kan doen. En hij is nog niet tevreden. Aandacht voor elke noot, betere indeling van de strijkstok. En eigenlijk hadden de musici dat inmiddels al wel moeten weten, al van nature moeten doen. 'Het kapitaal van het orkest' noemt hij dat. Een mooi begrip. Het resultaat van jaren intensief samenwerken waar je op verder kunt bouwen. En het is niet overdreven om te stellen dat een deel van dat kapitaal nog steeds in het orkest zit, zelfs 26 jaar na zijn dood. Het thema in de celli wordt ondergesneeuwd door de rest van het orkest, zelfs daar. Dat zal bij ons misschien ook gebeuren. 'Reich musizieren', maar altijd rekening houden met de balans. Die combinatie is een sleutel tot het succes van Celi. 

Een langer fragment concentreert zich op het Adagio. Voor wie er nog niet genoeg van heeft:

Ook hier weer pogingen om de ervaring in woorden uit te drukken: das Ende im Anfang erleben. Toen hij dat principe eenmaal doorhad kon hij niet meer terug. Er zijn gelukkig ook begrijpelijker formuleringen. Als de klank te Italiaans is, te Undeutsch, vraagt hij om een langzamer streek, een donkerder geluid. Die Duitse klank zit veel meer in dit orkest dan bijvoorbeeld bij de Berliner. Op zoek naar de Grösse in de muziek, zijn Sinn für die Ewigkeit. Bruckner erleben, nicht verstehen, Je ziet Celi ook nog even in de werkkamer van Bruckner, waar zelfs de meubels nog hetzelfde zijn. Zou het het klooster van Sankt Florian zijn? De dirigent lijkt niet heel erg onder de indruk van het contact met deze heilige grond. Zijn contact met Bruckner vind toch vooral plaats in de noten. Die ontmoetingen zijn verleden tijd. Dit soort opnames zijn niet meer dan een zwakke afspiegeling. Maar toch inspireert het mij en laat het iets zien van de werkwijze van een van de belangrijke dirigenten van de vorige eeuw. En het zou mooi zijn als we de komende weken, al spelend, iets van deze Bruckner kunnen ervaren. 

maandag 14 november 2022

Stil

Het is goed dat het weer eens wordt gezegd, in deze tijd waarin de helft van de mensen op straat met oortjes in lopen. Met 'oortjes' die niet zijn om mee te horen maar om geluid naar je oren te brengen. En misschien nog meer om je van andere geluiden af te kunnen sluiten. Ik hoorde het Fokke Obbema, auteur van De zin van het leven gisteren op televisie zeggen: vaak is stilte het mooiste in de muziek.

Hij nuanceerde nog wel, leek het bijna terug te willen nemen: het hangt natuurlijk wel van de muziek af. Maar ik zou willen zeggen: stilte is een belangrijk onderdeel van alle goede muziek. Vanuit stilte ontstaan de eerste geluiden en die stilte blijft een continue ondergrond waarop het kunstwerk zich ontvouwt. Zonder die stilte geen muziek. En zeker geen Bruckner.

Weinig componisten die de stilte zo mee componeren als Anton Bruckner. We gaan binnenkort de Negende weer spelen. Een van die symfonieën die met een bijna onhoorbaar akkoord begint, tremolo in de strijkers. Een moment waarin de stilte ongemerkt overgaat in klank. En van een akkoord is dan in dit geval nog nauwelijks sprake, als iedereen met de toon d begint. En het is niet alleen de stilte van het begin. Ook onderweg creëert de componist vele momenten waarin ademgehaald wordt, momenten van rust, van het uitklinken van een akkoord. En in de driedelige onvoltooide versie die wij spelen is de ontbrekende finale als het ware één groot moment van stilte. Er zijn op basis van de schetsen verschillende voltooiingen gepubliceerd en uitgevoerd maar zonder finale is de symfonie waarschijnlijk nog steeds het meest overtuigend. En ik verheug me zeer op deze volgende Bruckner van Lahav, die we ook nog mee op tournee nemen.

De stilte werd ook gevierd afgelopen weekend in museum Voorlinden, waar we op de vroege zaterdagochtend gereserveerd hadden voor het stilte op sokken uur Schoenen uit, telefoon op stil, mond dicht en de tentoonstelling van Giuseppe Penone ervaren. Het zonnige weer hielp mee, fietsend door de bossen naar het prachtige landgoed, maar Penone heeft iets bijzonders te bieden. De sokken waren vooral bedoeld om een reliëf in de vloer te voelen maar het schept ook een band tussen de bezoekers, die niet tegen elkaar mogen praten. Hoe weldadig dat geweest is ervaar je als na een uur het 'gewone' publiek het museum vult met het gebruikelijke lawaai van alledag. We hebben, zonder schoenen, nog wel genoten van andere hoogtepunten in het museum en de heerlijke museumshop maar dat eerste uur was echt een traktatie. 

Een traktatie is ook de tentoonstelling Manhattan Masters in het Mauritshuis. Altijd al een heerlijk museum door zijn overzichtelijke afmeting en daarbinnen toch een aantal absolute topstukken. Vanuit New York zijn daar nu tijdelijk een tiental aan toegevoegd. Een prachtig groot zelfportret van Rembrandt - die ogen! - is een blikvanger. Maar ik merk dat ik nog meer geraakt word de Vermeer die er hangt. En misschien heeft ook dat wel met stilte te maken. Bij mij zit Vermeer een beetje in dezelfde hoek als Piero della Francesca, een van mijn absolute favorieten uit de Italiaanse Renaissance. Zo'n schilder waar je altijd even langs moet als je toevallig in de buurt bent. En hoe verschillend deze meesters ook zijn, ze raken elkaar in de rust, het evenwicht, de stilte die hun werk uitstraalt. Heel anders dan Rembrandt. En misschien dat ik daarom wat geïrriteerd raakte door het geluid van de documentaire die non stop aan de andere kant van het schilderij werd afgespeeld. Andere keren zijn het pratende bezoekers die het je moeilijk maken om een schilderij tot je te nemen, maar die blijven zelden lang op dezelfde plek. Deze continue stroom van gesproken tekst vond ik, zeker in de omgeving van Vermeer, een kleine smet op een prachtige tentoonstelling. Het belang van de stilte.


    

woensdag 2 november 2022

Reisgezel

Er zijn van die stukken die een leven lang met je meegaan. Het zijn er niet veel, en 'een leven' is natuurlijk wat overdreven maar met het grote Divertimento voor strijktrio van Mozart is in de loop der jaren een warme vriendschap ontstaan. Die begon tijdens mijn conservatoriumtijd, en dat is toch alweer bijna veertig jaar geleden. Een tijd lang had ik daar een vast strijktrio, gecoacht door Ferdinand Erblich, destijds altviolist van het Orlando Kwartet. We begonnen ooit met het Trio van Beethoven in c mineur, opus 9 nr. 3. Ik weet nog goed hoe intensief we gewerkt hebben aan het idioom en de klank. Met zijn drieën is dat toch harder werken dan als strijkkwartet. Uiteindelijk kom je dan onvermijdelijk bij Mozart uit. En niets ten nadele van het andere repertoire, maar dat staat op eenzame hoogte. Het eerste en het grootste werk in het genre.

Het is groot. Het is groots. Maar het is ook lastig. En dat blijft, hoewel je ook wel leert. Een paar van die loopjes. Ik verander nog steeds weleens, maar een aantal opties voor vingerzettingen zijn inmiddels afgevallen. Toch zit de uitdaging vooral in het hele verhaal dat verteld wordt. Vanaf de dalende drieklank, unisono naar de laagste regionen. Een stijgende drieklank als motief voor een diepzinnig langzaam deel. Geen echte tragiek maar wel een soort uitgebalanceerd spectrum aan emoties. En dat verdeeld over drie strijkers. Geniaal. En het voelt ook altijd als een loutering als je alle zes delen gespeeld hebt. Waar dat vandaan komt is nog een raadsel, maar de symbolen uit de Vrijmetselarij zouden er iets mee te maken kunnen hebben.

Het was een idee waar ik al langer mee rond liep, maar komende week gaan we het Divertimento spelen als onderdeel van een programma over Mozart als Vrijmetselaar. Een programma met gesproken tekst waarin de vraag gesteld wordt of dit werk, gecomponeerd voor een logebroeder die hem regelmatig geld leende, ook als muziek van een Vrijmetselaar voor een logebroeder beschouwd kan worden. Welke symbolen in de muziek zouden kunnen duiden op het maçonnieke gedachtegoed? En geeft dat de muziek daarmee een extra betekenis? Antwoorden heb ik nog niet, maar het publiek zal vast een aantal dingen gaan horen.

Ik heb een tekst gemaakt die als verbinding tussen de muziek zal worden gesproken. Het is niet de eerste keer dat ik het doe, maar het is voor mij altijd een lastige klus. We werken bij Domestica al jaren met de combinatie tekst en muziek, misschien wel een beetje onze specialiteit. En zo ontdek je steeds beter wat wel en wat niet werkt. Maar we zullen dat deze week weer aan de praktijk moeten toetsen. En verbeteren waar nodig. De bedoeling is vooral om de muziek te laten spreken. Ik heb veel gelezen en veel geluisterd en ik ga steeds meer herkennen. Vooral de momenten dat Mozart een onverwachte afslag neemt zouden iets kunnen zeggen. De toonsoorten, de drieklankfiguren, de ritmes. Er is veel over geschreven maar de auteurs geven zelden uitsluitsel. Intuïtie is een belangrijke factor. Zo hoorde ik vandaag weer een deel van de Gran Partita voor blazers en dan krijg ik sterk het gevoel dat een vergelijking tussen beide stukken nieuwe inzichten zou kunnen opleveren. En dan wordt die louterende werking, die ik al ervoer vanaf de eerste keren dat we het Divertimento speelden, misschien nog beter te duiden. 

Ik heb wel het gevoel dat er nog een lange weg te gaan is. Een mooie en bevredigende weg, waarin veel andere kamermuziek van Mozart meegenomen kan worden. Als inwijding in de gedachtewereld van Mozart. En daarvan zijn de concerten deze week in Epe en Rotterdam het begin.



woensdag 31 augustus 2022

Mahlers Werther

 Als het gaat over verborgen boodschappen in de muziek dan denk je al snel aan Sjostakovitsj, met al zijn citaten uit eigen en andermans werk, maar Mahler had er zeker ook een handje van. En op zo'n manier dat iedereen er zijn eigen theorie op kan loslaten. Hij heeft geëxperimenteerd met het toevoegen van een programma maar merkte dat dat averechts werkte. Muziek vertelt een ander verhaal dan woorden. Meer dan één verhaal. Een diepere boodschap.

Komende week staat de Eerste weer op de lessenaars. Een stuk wat je denkt te kennen maar toch altijd weer voor verrassingen en nieuwe inzichten zorgt. Overduidelijk is hoe hij uit zijn eigen Lieder eines fahrenden Gesellen citeert en het Vader Jacob in mineur kan ook niemand over het hoofd zien. Ik heb het altijd beschouwd als een verwijzing is naar zijn jongere broer Ernst, waar hij een sterke band mee had. Deze sterft na een lang ziekbed als Gustav vijftien is. Gezien het autobiografische karakter van de muziek, als we de componist mogen geloven, en het gebruik van een kinderliedje in mineur (in het Duits 'Bruder Martin') over slapen en het luiden van klokken kan ik me moeilijk voorstellen dat dat niet een aanleiding geweest is of op zijn minst in zijn achterhoofd heeft gezeten, maar ik zie het zelden benoemd. Misschien doet het er ook niet zoveel toe. Het gebruik van motieven uit Liszts Dante Symfonie en Wagners Parsifal om in de finale de weg van hel naar hemel te beschrijven is wat dat betreft essentiëler.

Dit stuk is in vele opzichten vernieuwend, revolutionair, brekend met tradities maar de manier waarop Mahler zijn eigen liederen tot de basis van zijn Eerste symfonie maakte was ongekend. Daar staan we nauwelijks meer bij stil, juist omdat dat thema's zijn die aanspreken en in je hoofd blijven zitten, als volkswijsjes. Maar oorspronkelijk waren ze gemaakt als dragers van een tekst. Het tweede lied van de cyclus levert het thematische materiaal van het eerste deel van de symfonie. Ging heut' Morgen übers Feld, is opgewekt en vrolijk. De dag breekt aan, de lente ontspringt, genieten van de natuur, dat soort zaken. In het lied is het bedoeld als terugblik naar een gelukkiger tijd voordat de geliefde de protagonist verlaten had, maar in de symfonie zit die voorgeschiedenis niet. Toch moet Mahler een reden gehad hebben om op dit materiaal terug te grijpen terwijl hij ook iets nieuws in eenzelfde sfeer had kunnen creëren. Blijkbaar was het verwijzen naar eigen werk belangrijk. Een nadruk op het autobiografische aspect. Of specifiek op de aanleiding van de compositie van de cyclus en de symfonie. Het andere lied dat geciteerd wordt in het derde deel is het laatste van de vier en dan met name het laatste couplet. Het gaat over slapen, eigenlijk over sterven, en daarmee verlost zijn van de ellende. Een droevig afscheid van het leven, dat perfect past bij de dodenmars en de slapende broeder Martin. De ironie - is het humor?-  en de klezmer-elementen geven het een andere kleur, en andere omgeving. Misschien moeten we de finale van de symfonie wel beschouwen als een vervolg op het verhaal van de liederen.

Aanleiding voor het schrijven van de liederen was een ongelukkig liefdesgeschiedenis met een zekere Johanna Richter, sopraan aan de opera van Kassel, waar hij toen werkte. Later schijnt ze nog enige tijd in Rotterdam gezongen te hebben. Zijn liefde werd niet beantwoord maar leverde wel deze prachtige muziek op. Dat hij bij het componeren van zijn Eerste in een soortgelijke situatie terecht was gekomen kan een reden geweest zijn om deze muziek opnieuw te gebruiken. Inmiddels is Mahler dan aangesteld als dirigent bij de opera van Leipzig, waar hij gevraagd wordt een opera van Carl Maria von Weber te voltooien. De opdracht komt van de kleinzoon van de componist en diens vrouw. Vele uren brengen ze samen door en er ontstaat iets tussen Marion von Weber en Gustav. Dat gaat zover dat de geliefden afspreken samen te vertrekken uit Leipzig, maar als Mahler met tickets en bagage in de trein zit komt zij niet opdagen. Met de opera, Die drei Pintos, die her en der met succes wordt opgevoerd breekt Mahler door als componist. Dat zal zeker een stimulans voor het componeren van zijn Eerste symfonie zijn geweest. Evenals zijn affaire met Marion, hoewel die zelden genoemd wordt in de programmatoelichtingen. Onlangs ontdekte ik dat het thema van de 1e violen bij het eerste lyrische moment in de finale, Sehr gesangvoll, een citaat van een entr'act uit Die drei Pintos is. Dat hij op zo'n belangrijk moment (35:40 in onderstaande opname) , een breuk in het muzikale verloop, teruggrijpt op zijn werk met de Webers lijkt me veelzeggend. 

De titel Titan, die Mahler voor de symfonie bedacht, zou moeten helpen bij een speurtocht naar de inhoud van het werk. Het lijkt een verwijzing naar de roman van Jean Paul, een van Mahlers favoriete auteurs, maar met het verhaal is het lastig te verbinden. Totdat blijkt dat de roman zich grotendeels afspeelt in de Duitse stad Pestiz, de 'lindenstad', die symbool blijkt te staan voor Leipzig. Mahler verliet de stad en het operatheater daar spoedig na deze ongelukkige geschiedenis maar kon zo wellicht nog de herinnering benoemen.

Interessant is wat dirigent Bruno Walter over de symfonie schrijft. Walter heeft jarenlang intensief met Mahler samengewerkt en ze zullen zeker uitgebreid over deze partituur hebben gesproken. "De Eerste symfonie zou ik Mahlers Werther willen noemen: een hartverscheurende ervaring wordt er artistiek in afgereageerd." En: "De symfonie heeft de typische unieke macht van het geniale jeugdwerk, in de overdaad aan gevoel, in de onvoorwaardelijke en onbewuste moed tot nieuwheid van expressie, in de rijke inventie." Ik denk dat de opname die de oude Walter in 1958 van het stuk maakte met zijn Columbia Symphony Orchestra, nog steeds een van de meest overtuigende uitvoeringen is. Het schijnt dat Leonard Bernstein na het beluisteren besloot zijn eigen opname van het stuk nog maar een paar jaar uit te stellen.


 

zaterdag 20 augustus 2022

Vainberg alias Weinberg

Het is alweer een tijd geleden dat ik me met veel interesse gebogen heb over de briefwisseling tussen Sjostakovitsj en zijn vriend Isaak Glikman: Story of a Friendship. Wat mij betreft verplichte literatuur voor iedereen die een goed beeld wil krijgen van deze componist. Over zijn standpunten en ideeën lopen nog altijd veel meningsverschillen. Net als over de vraag hoe belangrijk die zijn bij het beluisteren van zijn werk. Daar zouden nogal wat aanwijzingen in verstopt zijn. Ook over de authenticiteit van Testimony, zoals opgetekend voor Solomon Volkov wordt nog steeds heftig gediscussieerd. Daarin staan nogal wat negatieve opmerkingen over collega-componisten en musici die je in de brieven niet tegenkomt. Een enkele positieve vermelding daarin herinner ik me in het bijzonder: Moisei Vainberg. Ik kende hem van naam als pianist van de eerste uitvoering van de prachtige Suite op gedichten van Alexander Blok samen met Vishnevskaja, Oistrach en Rostropovitsj. Had geen idee wie hij was maar zeker geen kleine jongen dus: 


 Uit die brieven bleek dat Vainberg ook en vooral componist was. Een vriend van Sjostakovitsj, waarvoor hij meerdere malen in de bres sprong, en gewaardeerd collega: 'Kondrashin and his orchestra are on tour to Leningrad and are including Vainberg's Fourth Symphonyin their programme. I strongly urge you to hear this marvellous work.' Sjostakovitsj op 27 januari 1962. Zeven jaar later: 'If Barshai's orchestra comes on tour to Leningrad, and if this programmes include Vainberg's Symphony 10 or Boris Tchaikovsky's Sinfonietta, do make sure you go and hear them.'  In de rest van de briefwisseling is hij niet zo scheutig met complimenten dus dit betekent wel iets. Wat hierbij overigens ook opvalt is de gewoonte in de Soviet Unie om de orkesten niet met hun officiële naam aan te duiden maar met de naam van de chef. Meer dan hier bepaalden zij in vaak jarenlange samenwerkingen de klank het karakter van zo'n orkest. Overigens vormde deze Boris Tchaikovsky met Vainberg vaak het pianoduo dat een nieuwe symfonie van Sjostakovitsj aan de autoriteiten of de componistenbond ter beoordeling voorspeelde, voordat het op de lessenaars van een orkest geplaatst mocht worden.  

Voor de rest bleef Vainberg voor mij nog een grote onbekende. Zelfs in de biografieën van Sjostakovitsj ben ik zijn naam nauwelijks tegengekomen, of ik heb het over het hoofd gezien. Dat gaat vast veranderen. Enkele jaren geleden trok hij, toen gespeld als Weinberg, weer mijn aandacht toen dirigent Mirga Grazinyte-Tyla werk van hem uitvoerde en opnam voor Deutsche Gramophon, samen met violist Gidon Kremer. Niet die symfonieën die Sjostakovitsj noemde maar nummers 2 en 21. Komend seizoen staat ze met de Derde voor het KCO in Amsterdam, dus er zal nog wel veel meer aankomen. Zo beperkt was mijn kennis toen ik dit jaar een boek in handen kreeg met als titel : Weinberg, Sjostakovitsj en Stalin. Een muzikaal trio. Van een Nederlandse auteur die ik nog niet kende: Jan Auke Walburg. Deze vakantie ben ik gaan lezen en inmiddels weet ik gelukkig veel meer. En ik heb het vooral opgevat als een uitnodiging om te gaan luisteren. En de aanleiding om hier een stukje over te schrijven. 

Op het boek valt wel het een en ander aan te merken, als je kritisch leest, maar waarom zou ik dat doen? Ik heb alle bewondering voor de auteur, die zo te zien uit een heel ander vakgebied komt dan de muziekwetenschap en de literatuur. Hij heeft een ongelooflijke hoeveelheid informatie naar boven gehaald, ook over Sjostakovitsj, en ik hoop dat het een bijdrage kan leveren aan een opwaardering van het werk van Weinberg en daarmee ook meer inzicht in de muziek van Sjostakovitsj. Stalin had daar voor mij niet bij gehoeven, hoe belangrijk ook in beider leven. Tot zijn dood in 1953, en als ik het goed begrijp was dat overlijden de redding van Weinberg, die toen gevangen zat. Van mij had het boek zich mogen concentreren op beide componisten, op de interactie en wederzijdse beïnvloeding. Ik noemde al de symfonieën maar het is de kamermuziek van Weinberg die mij vooralsnog meer aanspreekt dan het orkestrale repertoire, hoewel ik bijvoorbeeld zijn Celloconcert ook best eens bij ons in Rotterdam zou willen horen. Iets voor Nicholas Altstaedt wellicht?
17 strijkkwartetten componeerde Weinberg, twee meer nog dan Sjostakovitsj. Walburg beschrijft een soort wedloop als Sjostakovitsj zijn Tiende kwartet aan zijn vriend opdraagt: 'Hij schreef negen kwartetten en met die laatste nam hij de leiding omdat ik er toen nog maar acht had. Ik heb mezelf daarom uitgedaagd om hem in te halen, wat ik nu heb gedaan.'
Weinberg zal in zijn eigen Tiende kwartet de opbouw van dit werk volgen.

Dit boek geeft vormt een mooie basis voor verder onderzoek, van vakmensen wellicht. Maar misschien zijn het vooral de musici die het werk moeten gaan doen. Ik zou me zo kunnen voorstellen dat je in de combinatie van beide componisten een aantal prachtige kwartetprogramma's kunt samenstellen die dieper inzicht bieden in het idioom van de degene die we al denken te kennen en zijn minder bekende collega de grotere aandacht geven die hij ongetwijfeld verdient. Het onvolprezen Quatuor Danel heeft alle 17 kwartetten opgenomen en als cyclus ooit in Amsterdam gespeeld, maar het lijkt me ook wel iets voor het Matangi Quartet, dat deze zomer internationaal hoge ogen gooide met de combinatie Schnittke-Silvestrov-Sjostakovitsj op hun laatste cd. Of het jonge Animato Kwartet dat het deze maand in Banff gaat opnemen tegen de buitenlandse concurrentie. Ik zou graag komen luisteren.







zondag 14 augustus 2022

Celibidache

Ik had het onderwerp al even aangeraakt toen we met de opnames van de Zevende Bruckner bezig waren in juni. Bruckner is voor mij onlosmakelijk verbonden met één bepaalde dirigent. Een legendarische naam die ik gelukkig nog in de concertzaal heb mogen mee maken. Twee keer was hij met zijn Münchner Philharmoniker in Amsterdam en beide keren zat ik in de zaal. Bevoorrecht. Maar in zekere zin ook verpest. Niets komt meer in de buurt van die ervaringen, van die herinneringen. En eigenlijk sluit dat naadloos aan bij zijn overtuiging van de onmogelijkheid die ervaring op een geluidsdrager vast te leggen. Toch wil ik onderzoeken wat nog wel overblijft van het werk van Celibidache. Wat de waarde is van de films en de cd's. Te beginnen met een film die gemaakt is tijdens de voorbereidingen van concerten in 1992 met de Berliner Philharmoniker. Voor het eerst sinds Karajan in de jaren 50 tot chef gekozen was stond Celibidache weer voor zijn oude orkest en repeteerde de Zevende van Bruckner. Een documentaire onder de titel The triumphant return laat de repetities zien, beperkt tot het eerste deel, en blikt met orkestleden uit die tijd terug op de na-oorlogse jaren. Ik heb geen abonnement op de digital concerthall maar vond op youtube een versie die ook nog prima te volgen is: 

De film geeft niet alleen een inkijk in het repetitieproces en in de persoon Celibidache maar ook een terugblik op de samenwerking in de jaren vlak na de Tweede Wereldoorlog. Een tijd en omstandigheden die nu moeilijk meer voorstelbaar zijn. Een stad waar geen huis meer overeind stond, waar gebrek aan alles was, waar de bezettingslegers bepaalden wat er gebeurde. Een tijd ook waarin de behoefte aan muziek veel groter geweest zal zijn dan nu. Moeilijke omstandigheden waarin een orkest als de Berliner Philharmoniker probeert te overleven. Een van de problemen is dan het vinden van goede dirigenten. Wilhelm Furtwängler zat in Zwitserland in afwachting van zijn Entnazifizierung. Dat gold voor de meeste dirigenten van zijn niveau voor zover ze in Duitsland waren blijven dirigeren. De gevluchte en geëmigreerde collega's stonden niet meteen klaar om naar Berlijn af te reizen. Duitsland zou door veel musici lange tijd om begrijpelijke redenen gemeden worden. Iemand als Yehudi Menuhin, die ook in deze film te zien is, was een uitzondering. Hij vond het belangrijk om juist wel terug te keren en heeft een belangrijke rol gespeeld in het proces van verzoening. Onder deze omstandigheden werd Leo Borchard tot chefdirigent werd gekozen. Borchard was in Moskou geboren en als assistent van Klemperer bij de Kroll-opera in Berlijn gekomen. Vanaf 1933 dirigeerde hij bij de Berliner Philharmoniker maar het nazi-regime vertrouwde hem niet en spoedig werd hij in de ban gedaan. Hij was tijdens de oorlogsjaren zelfs lid van de verzetsgroep Onkel Emil. Een ideale kandidaat dus. Maar het mocht niet lang duren. Dat zijn naam zo onbekend is komt zeker door het noodlottige ongeval eind augustus 1945 waarbij hij per ongeluk werd doodgeschoten bij een controlepost.

Na nauwelijks drie maanden moet het orkest opnieuw op zoek naar een dirigent. Vooral om de periode te overbruggen tot het moment dat Furtwängler zijn positie weer kan en mag innemen. En dan duikt, schijnbaar uit het niets, Sergiu Celibidache op. Hoe dat gelopen is is moeilijk te achterhalen. Hij zou kort daarvoor de aandacht op zich gevestigd hebben bij een dirigentenconcours en zeer overtuigend een proefdirectie bij het orkest hebben gedaan. Een briljante Roemeense jongeman van 33  die in 1936 naar Berlijn verhuisd was om alle mogelijke studies te doen. Niet alleen compositie en directie maar ook filosofie en musicologie. Hij studeert in 1944 af op Josquin dez Prez en verdient zijn brood onder meer als pianist in de lichte muziek en begeleider van dans. Ervaring met het dirigeren van grote orkesten heeft hij praktisch niet. Dat gaat hij leren voor de Berliner Philharmoniker! Het orkest is blij met hem, zeker de jonge musici en ook bij het publiek valt hij bijzonder in de smaak. Zijn uiterlijk zal daarbij ook een rol gespeeld hebben. De voornaamste kritiek in de kranten was zijn overmatige beweeglijkheid. In dat opzicht is er in de bijna halve eeuw veel veranderd.

Wat volgt op de aanstelling is natuurlijk in alle opzichten een spannende tijd. Voor hem en voor het orkest. Vanaf 1947, na een uitgebreide procesgang waarbij Celibidache nog een belangrijke rol heeft gespeeld, is het Furtwängler weer toegestaan te dirigeren. maar pas in 1952 pakt hij zijn verantwoordelijkheden als chef weer op. Zijn gezinsleven en het componeren geeft hij aanvankelijk prioriteit. Celibidache bewondert hem enorm maar de situatie was toch ingewikkeld. Het is interessant om de orkestleden, uiteraard de jongeren van toen, daarover te horen vertellen en waarom de scheiding uiteindelijk onvermijdelijk was. Met name tijdens een productie van Brahms' Deutsches Requiem in 1954 moet de bom gebarsten zijn. De spanning was groot. Iedereen wist dat Furtwängler niet lang meer te leven had, dat er binnenkort een opvolger gekozen moest worden en Celibidache uitte volop zijn ontevredenheid over vooral oudere orkestleden die niet aan zijn eisen meer voldeden. Niet lang daarna was het Karajan die unaniem tot chef voor het leven gekozen werd en was er geen plaats meer voor Celibidache. Die keuze zou het orkest veel goeds brengen, zeker ook in financieel opzicht en voor de ontwikkeling van Celi was het misschien ook niet slecht. Wat zou er van hem in Berlijn geworden zijn? Is het wel zo gunstig om bij zo'n toporkest het vak te leren? Dat hij helemaal niet meer is teruggekeerd tot deze concerten in 1992 was jammer en zeker niet nodig geweest, maar past helemaal bij de karakters van beide dirigenten. Twee giganten. Twee uitersten. Daar werpt deze documentaire haar eigen licht op. Wat er van Celi's kwaliteiten als dirigent getoond komt een volgende keer wel ter sprake.