donderdag 31 december 2020

December Beethovenmaand 5

Ik moet eerlijk zeggen dat toen we aan 2020 begonnen ik het gevoel had dat we als Rotterdams Philharmonisch best wat meer Beethoven hadden kunnen programmeren. Veel vergelijkbare orkesten deden meer aan het Beethovenjaar, hoewel niet altijd erg fantasievol. Die 'achterstand' hebben we de afgelopen weken wel ingehaald, lijkt me. Met een absolute klapper op de laatste dag van het jaar. Het jaar was overigens ook al met een paar klappen begonnen in Wellingtons Sieg inclusief soldaten en kanonnen. Hoe weinig wisten toen nog over het bizarre verloop van het jaar. Dat we zouden afsluiten met de Negende stond toen al wel gepland, maar dat we het zonder publiek en met microfoons en camera's zouden doen kwam pas veel later in beeld. Natuurlijk hadden we het graag voor een volle Doelenzaal gespeeld. In Japan, waar het een belangrijke traditie is, zijn er nog steeds uitvoeringen van de Negende met veel publiek. In Leipzig, waar Nikisch ooit de traditie op Oudjaar begon, hebben ze dit jaar voor een alternatief gekozen: een arrangement van Liszt voor twee klavieren en pauken. Geen koor en geen orkest. Zelfs geen ensembles uit het orkest, zoals onze aanloop naar de Negende.

Nu het jaar bijna eindigt heb ik het gevoel dat er, ondanks, of dankzij, alles, in Rotterdam een paar belangrijke stappen zijn gezet. De manier waarop de musici een eigen initiatief hebben kunnen realiseren, ondersteund door de hele organisatie en gedeeld met het publiek zal nog lang kunnen doorwerken. Zeker als het de marketing ook nog gaat lukken daar een duurzame klantenbinding aan over te houden. Van een andere orde is de registratie van de Negende met volledig orkest, koor en solisten. De toestemming die wij als sector hebben om, onder strikte voorwaarden, door te mogen spelen kunnen we onderstrepen met de productie van opnames die dat opgaat leveren. Natuurlijk is het beter voor een orkest om te spelen dan thuis te zitten en is spelen in die zin een investering in de toekomst. Maar het is nog beter als dat ook een productie oplevert waar het publiek wat aan heeft. En ik twijfel in dat opzicht niet aan onze Negende Beethoven. 

Ongeacht of je enthousiast zult zijn over de uitvoering, die in Ahoy met alle afstanden uiteraard niet onder de meest gunstige omstandigheden heeft plaatsgevonden, heeft de hele opzet al zoveel winstpunten opgeleverd dat iedereen hem zou moeten zien. Nadelen van de corona-regels zijn hier gebruikt als voordelen, die vooral effect hadden op de finale, als het koor erbij staat. Op bijna elke registratie van de symfonie zul je het koor, allen dicht naast elkaar met de partituur in de hand, achter het orkest zien staan. Of meestal zitten, totdat ze mogen gaan zingen. Bij ons stonden ze tegenover het orkest, aanvankelijk als toeschouwers en toehoorders. Niemand had muziek in zijn hand en ze stonden door elkaar en natuurlijk op afstand. Veertig individuen, in zekere zin gelijkwaardig aan de solisten, die ook zonder partituur en niet op een rijtje stonden. Het zijn hele eenvoudige elementen, die je niet kunt doen in een gewone zaal met publiek, en die tegelijkertijd, in mijn ervaring, de uitvoering veel dichter bij de geest van het stuk brengen. Solisten horen die niet over een orkest en tegen elkaar op hoeven brullen, zoals toch heel vaak, was een bevredigende ervaring. En natuurlijk was er nog veel meer aan details maar daarvoor moet iedereen toch zelf gaan kijken. Dan voorspel ik een ontroerende ervaring. Ik ben ervan overtuigd dat wij in Rotterdam daarmee uiteindelijk een belangrijke bijdrage aan het Beethovenjaar zullen hebben geleverd die hopelijk verschillende vormen van navolging krijgt.

Het is de finale die het zwaartepunt van deze symfonie vormt, in tegenstelling tot bij de eerdere acht, en het is met die finale dat Beethoven de muziekgeschiedenis een flinke duw gaf. Met deze symfonie had hij grenzen overschreden die rechtstreeks zouden leiden tot de symfonieën van Bruckner en Mahler en het Gesamtkunstwerk van Wagner. Eigenlijk tot bijna alles wat de 19e eeuw aan symfonische muziek zou voortbrengen. En om met dat idee de pagina's te bekijken waarop de eerste noten en woorden van de bariton verschijnen: O Freunde, nicht dies Töne! geeft een speciaal gevoel. 

Ik had deze bijdrage af willen hebben voordat de registratie online gaat en zie nu dat dat al om 12.00 uur is. Laat ik dan maar afsluiten met de wens dat onze uitvoering vele harten mag raken, in de geest van de componist: Seid umschlungen, Millionen!

dinsdag 29 december 2020

December Beethovenmaand 4

Hoe zuinig zou Beethoven op zijn manuscripten geweest zijn? Ik stel me zo voor dat zijn kamer vol lag met papieren. Papieren om te lezen, papieren om op te schrijven, boeken, partituren van andere componisten, rekeningen, brieven. Zo'n belangrijke partituur van een symfonie zal hij wel apart hebben gehouden, maar het is grappig om te zien dat hij, of iemand anders, dit ook als kladpapier gebruikte. Ik zag wat getallen onder aan een bladzijde van het langzame deel, bij maat 39. Toevallig heb ik de laatste tijd het een en ander gelezen over tempi bij Beethoven, over de metronoomgetallen die hij bepaald had voor zijn eigen werken. En als je dan hier 88 en 92 ziet staan is dat meteen waar je aan denkt. Maar daarboven staat ook nog 11 en 8. Een rekensom? Als je 11 vermenigvuldigt met 8 krijg je 88. Maar geen 92. Grappig. En je realiseert je weer even dat er een 'gewoon' mens met dit meesterwerk aan het stoeien was.

Dat Adagio molto e cantabile is één groot lyrisch deel met een heerlijke melodie vooral in de 1e violen, dat tijdens variaties steeds kleinere notenwaarden opzoekt. Dat bepaalt uiteraard vaak de indeling van de pagina. Waar je in de eerdere delen regelmatig ziet dat hij zijn notenbalken iets langer maakt om nog een maat extra op de pagina te proppen, vooral als daarmee een frase eindigt, laat hij dat nu veel meer los. Zijn tweede pagina, bijvoorbeeld, eindigt hij met maat 10, volledig uitgeschreven in de vier strijkerspartijen. Maar hij zet er vervolgens een kruis doorheen en herhaalt de maat op de volgende bladzijde. Daar kan ik dan geen reden bij bedenken.

Twee maten later schrijft hij bij de tweede balk voor de hoorns: sempre corno 2do. En dat duidt op een bijzondere situatie. In dit deel krijgt de tweede hoorn van het tweede tweetal, in de praktijk de 4e hoorn, namelijk een prominente partij terwijl de buurman, of in ons geval buurvrouw, op de derde plaats veel rust heeft. Eigenlijk wordt de laatste speler de belangrijkste van het viertal. Het speelt zich uitsluitend in dit deel af en gaat niet alleen om virtuoze passages die open liggen maar ook soms om een begeleidingspartij als enige blazer met de strijkers, zoals in maat 16. Hoornpartijen zijn traditioneel verdeeld in hoge en lage partijen, waarbij de 1e en 3e doorgaans hoger spelen en de solistische passages voor hun rekening nemen. Vooral de 1e hoorn, die ook als aanvoerder fungeert. Dat Beethoven dat nu bij de 4e neerlegt moet een reden hebben. Ik heb er wel theorieën over gelezen, zoals over een speler die als enige al op een ventielhoorn speelde, maar dat klinkt toch niet erg plausibel. Ik verbind het liever met de boodschap van de symfonie, waarin mensen gelijkwaardig behandeld moeten worden en iedereen het recht heeft om zijn stem te laten horen. Bij ons speelde Pierre Buizer, onze nieuwste aanwinst in de hoorngroep, deze lastige partij die daarmee veel waardering van de collega's oogstte.

Sommige passages zijn nauwelijks ingevuld, zoals maat 59-63. COME SOPRA lijkt er met hele grote letters te staan. Zoals boven, maar het ontgaat mij waar dat naar kan verwijzen. Zou dat voor iedereen vanzelfsprekend geweest zijn, of althans voor een kopiïst, of zou daar nog over nagedacht moeten worden? Er zijn best veel doorhalingen, veranderingen, doorhalingen die onterecht zijn en waar Beethoven 'bleibt' boven schrijft. Een beetje een rotzooi, dus.

Het meest prominent in beeld zijn de dynamische tekens, vaak ook nog extra in rood. Dat moet hem, met zijn problematische gehoor, structuur geboden hebben. Als hij het niet kon horen kon hij het wel zien. En het dynamisch verloop is heel belangrijk voor de expressie van de symfonie. Dat zijn dan ook elementen die meespelen bij de montage van de beelden. Je wilt dat de kijker meegesleept wordt door de muziek maar ook daarin geholpen door de beelden. Sommige beelden kunnen dan magisch gaan werken, maar dat zal blijken op 31 december.

Gisteren besteedde Nieuwsuur een item aan deze opnames in Ahoy, en hoe uniek dat in deze tijd is. Terecht werd verwezen naar het filmpje dat in maart 'viral' ging en ik zag mezelf weer levensgroot met een blauw vest in mijn studeerkamer zitten. Dat voelt als heel lang geleden. Er is sindsdien zoveel gebeurd. En tegelijk vroeg ik me af wat we nu gedaan zouden hebben als een paar jongens bij ons niet spontaan dat plan hadden bedacht en gerealiseerd. De Negende van Beethoven stond voor afgelopen week wel in de originele seizoensprogrammering, als onderdeel van avondvullende concerten in de Doelen. Maar zouden we ook onder deze omstandigheden hebben doorgezet tot een registratie in Ahoy? Of is dat filmpje de trigger die geleidt heeft tot deze opname? We zullen het nooit zeker weten, maar ik sluit het niet uit.


  

vrijdag 25 december 2020

December Beethovenmaand 3

De kamermuziekversies zijn inmiddels bijna allemaal gemonteerd en online gezet. Alleen de Achtste zit nog in het vat. Dat was een interessant proces, waarbij de spelers zelf ook intensief zijn betrokken. Ik zat er een beetje tussenin en vaak ook een keer aan de montagetafel. Beelden, die niet altijd van dezelfde take als het geluid kwamen, overal synchroon krijgen was een uitdaging, die we, denk ik, steeds beter onder de knie kregen. Tijdsdruk speelde daarbij zeker ook een rol. Dat was onderdeel van de hele opzet, zowel aan de kant van de musici als bij de filmers. Voor mij was het bijzonder en mooi om de collega's zo bezig te zijn. Door het oog van de camera zit je er soms lekker dicht op en dan merk je hoe muziek maken een intieme bezigheid is. Musici leggen hun ziel bloot voor elkaar en voor de kijker. En ik realiseer me dan weer hoeveel, zeer uiteenlopende, maar allen unieke en getalenteerde collega's er in mijn orkest zitten. Dat zal bij andere orkesten net zo zijn, ik wil Rotterdam niet op een voetstuk zetten, maar je vergeet het weleens in de dagelijkse gang van zaken. Die bestaat op dit moment ook nauwelijks. Ik krijg wel een trots gevoel als ik zie hoe we deze uitdaging als orkest aan zijn gegaan en wat er dan als resultaat uit rolt.

Dat geldt zeker ook voor de Negende, die we vorige week met alle toeters en bellen in de RTM-stage van Ahoy speelden en opnamen. Het materiaal dat ik daarvan gezien heb ziet er al heel mooi uit, dus mijn verwachtingen zijn hoog, maar dat vergt nog wel vele uren werk voor het eindresultaat het internet op kan. Mooi werk, waar ik me zeer op verheug. Het betekent ook dat ik de partituur nog niet weg hoef te leggen, zoals meestal, als de concerten eenmaal geweest zijn. En zeker het handschrift, waarin ik in alle drukte de finale nog niet bereikt had, wacht ook nog op verdere bestudering. Vol fascinerende details. 

Misschien wordt het soms overdreven maar ik geloof wel dat het lezen van een manuscript je dichter bij de componist, bij de schepper van het meesterwerk zou moeten kunnen brengen. De emotie die in het hoofd van Beethoven klonk kleurde vast het karakter van de handgeschreven noten en aanwijzingen. Als de muziek wilder wordt zie je dat vaak voor je neus gebeuren. Aan de andere kant is dit zeker niet de eerste versie van de partituur en ongetwijfeld alweer gekopieerd van een voorbeeld. Doorhalingen en verbeteringen, die hij heeft aangebracht, zeggen wel wat, voor zover het geen vergissingen zijn maar voortschrijdend inzicht. Een voorbeeld is vanaf 288 in het eerste deel, waar hij de verdeling tussen 1e en 2e violen verandert en een ritme in de hoorns toevoegt:

Nog interessanter misschien is de ritmische variatie, toegevoegd onderaan de pagina's, die hij voor celli en bassen bedenkt als even later het dramatische hoogtepunt van de reprise bereikt wordt, want dat heeft de definitieve versie niet gehaald:

Binnenkort nog wat meer voorbeelden.

vrijdag 11 december 2020

December Beethovenmaand 2

Terwijl de voorbereidingen voor de Negende in volle gang zijn komen nu ook een voor een de kamermuziekversies van de andere acht online. Dat wordt spannend om te merken hoe daar op gereageerd gaat worden. Wordt het gezien als waardevolle aanvulling op het grote aanbod wat al op internet is te zien of valt het weg in die enorme zee aan Beethoven-registraties?

Op de Eerste kwam veel bijval, naast, uiteraard, wat kritiek. Veel verschillende meningen, maar over het in beeld brengen van de musici in een stijl die je niet zo vaak ziet is goed gevallen. Zo'n bewerking is natuurlijk geen volwaardige vervanging van het origineel en spelen we dus ook zelden. Maar het is erg leuk om te doen, om zo met je collega's te kunnen samenwerken, repeteren en uitvoeren. Dit was een goede reden om het eens te doen en je publiek kennis te laten maken met dit historische fenomeen. De muziek kennen we allemaal goed, maar het is wel een uitdaging om de toon en de aanpak te vinden waarmee je dit het beste over het voetlicht brengt. In dit geval, en bij de Tweede, waren het bewerkingen van tijdgenoten die Beethoven goed kenden. Waarschijnlijk wist hij er wel van. En het geeft zo dus ook een mooi beeld van de Weense muziekpraktijk aan het begin van de 19e eeuw. De Derde, die gisteren online kwam, is gespeeld in een versie uit deze tijd en in zekere zin, met alle blazers en pauken, dichter bij het origineel van een orkest. Eigenlijk iets minder een bewerking, maar zeer overtuigend, wat mij betreft.

Van de vele musici die mee hebben gedaan, helaas was er geen plaats voor iedereen, hoor ik uitsluitend hele positieve verhalen. De ervaring van het samen repeteren, in overleg tot een interpretatie komen, collega's al spelend beter leren kennen. In een tijd dat we weinig mogen en onderling contact maken wordt ontmoedigd, in de strijd tegen een virus, is dat wel symbolisch. Uiteraard hebben we alle regels van afstand houden en mondkapjes in acht genomen. Kamermuziek maken is een vorm van elkaar raken, aanraken, maar zonder risico en de behoefte eraan is groot.

En komende week gaan we ook nog, als klap op de vuurpijl, met het volle orkest in de net geopende RTM-stage in Ahoy de cyclus afsluiten met de Negende. Als alles goed gaat wordt dat een groot feest. Een feest van omarming en broederschap, zoals de tekst van Schiller benoemt. En een feest waar we hopelijk nog jaren van kunnen genieten, terugkijkend naar deze bijzondere tijd. Als smaakmaker is het misschien aardig om te horen hoe Beethoven in zijn Tweede symfonie al naar het hoofdthema uit de Negende lijkt vooruit te blikken. In de bewerking, uiteraard (4:26): 


dinsdag 1 december 2020

December Beethovenmaand

Met alle plannen die over de hele wereld in het water gevallen zijn lijkt het misschien een beetje een wanhoopsdaad om deze laatste maand nog uitgebreid en intensief met Beethoven aan de slag te gaan maar dat is een vergissing. Met veel overtuiging en inzet en de urgentie om muziek te kunnen maken hebben we in Rotterdam een samenhangend en origineel project neergezet. Bovendien valt zijn 250e verjaardag in december dus ook vanuit het thema past het prima. Ik raad dan ook iedereen aan de website van het Rotterdams Philharmonisch de komende weken goed in de gaten te houden. Ik heb hoge verwachtingen van de resultaten en van hoe we ons publiek zullen weten te bereiken en, nog belangrijker, te raken.

Kers op de taart moet natuurlijk de Negende worden, hoewel over de praktische haalbaarheid, en vooral de manier waarop, nog wel wat vraagtekens zijn. Die onzekerheid beheerst het huidige culturele leven en die zullen we ons, als de tijden beter worden, nog lang herinneren. Die Negende is een interessant fenomeen om weer eens intensief en uitgebreid te bekijken en beluisteren. Iedereen kent hem maar waar gaat het stuk eigenlijk over? Boeken zijn er volgeschreven, teveel om in een paar weken grondig te lezen. Ik ga beginnen bij de bron: de partituur. Ooit heb ik, eind jaren tachtig, toen Hongarije nog achter het IJzeren Gordijn lag, in Boedapest een facsimile van het manuscript gekocht en die staat sindsdien op mijn boekenplank te verstoffen. Ik was toen nog een armlastige muziekstudent maar met Westers geld rijk genoeg om interessante partituren en mooie langspeelplaten in te slaan. Dat schept een verantwoordelijkheid. Tegenwoordig kan iedereen het manuscript op internet bekijken, maar ik vind het een prettige luxe om de 404 pagina's te kunnen omslaan en op ware grootte voor me te zien.

Dit exemplaar opent met de pagina met de opdracht aan de koning van Pruisen, Friedrich Wilhelm III. In tiefster Ehrfurcht zugeeignet von Ludwig van Beethoven, 125tes Werk.
Eigenlijk komt deze handgeschreven opdracht uit een ander exemplaar van de partituur, maar hij past hier mooi bij. Het lijkt alsof de componist extra zijn best gedaan had om netjes te schrijven. Zeker als je het vergelijkt met de tempoaanduiding en het metronoomgetal op de eerste bladzijde. Dat ziet er meer uit als het handschrift van een bejaarde man, terwijl hij slechts 54 jaar oud was. Jonger dan ik nu.

Ondanks dat, en alle vlekken en doorhalingen, het is opvallend hoe leesbaar alle details uiteindelijk zijn. Zelfs met dubbele partijen die een balk delen, zoals de houtblazers en zelfs de celli
en contrabassen, blijft steeds duidelijk welke noot of rust voor wie is bedoeld.
Ik ben benieuwd wat ik de komende tijd allemaal tegen kom. 


zaterdag 14 november 2020

Werken met een topdirigent

 In deze tijd zit je als orkest thuis of je treedt op in lege of bijna lege zalen. De Berliner Philharmoniker eindigden onlangs hun voorlopig laatste concert met Cage's  4'33", het iconische werk dat staat voor stilte, voordat ze weer voor een periode in lockdown gingen. Hun Weense evenknie de Wiener Philharmoniker doen het anders. Terwijl de Staatsoper het huis gesloten heeft reizen zij enkele weken door Japan voor een substantiële serie concerten onder Gergiev. De musici worden om de paar dagen getest en reizen in een afgesloten trein, komen zo min mogelijk in contact met anderen, maar spelen ondertussen gewoon in traditionele opstelling en ongetwijfeld op hun hoge niveau. Dat kan dus ook.

Die Wiener Philharmoniker is een interessant fenomeen. Eigenlijk een groep musici uit het orkest van de Staatsopera die in hun vrije tijd ook symfonisch repertoire willen spelen. Een chefdirigent hebben ze daarbij niet nodig. Nu het Concertgebouworkest een tijdlang een chef dreigt te moeten gaan missen worden de Weners nog weleens als inspirerend voorbeeld genoemd, maar ik weet niet of die vergelijking helemaal opgaat. Zeker nu, in deze tijd van beperkingen, merken wij in Rotterdam wel hoe prettig het is dat we met Lahav keuzes kunnen maken en een bepaalde richting in slaan. Geen chef hebben de Wiener, maar natuurlijk wel dirigenten die al vanwege de frequentie van concerten, of als chefdirigent van de Staatsoper, met het orkest verbonden zijn. Herbert von Karajan was zo iemand. Van 1956 tot 1964 was hij Direktor van de Wiener Staatsoper, met ruzie vertrokken, en tijdens en na die periode heeft hij veel met Philharmoniker opgetreden en opgenomen. Vooral in de tijd dat er grote spanningen ontstonden bij zijn eigen orkest in Berlijn kwam hij weer vaker naar Wenen en nodigde het orkest ook uit voor zijn Festspiele in Salzburg.


Onlangs ontdekte ik op Youtube een serie interviews, georganiseerd door het Karajan Institute, met leden van de Wiener Philharmoniker, deels gepensioneerd, over hun ervaringen met Karajan. Ik heb daar met veel plezier naar geluisterd. Er zijn gesprekken opgenomen met mensen als solo-bassist Michael Bladerer , aanvoerder tweede violen Helmut Zehetner, concertmeester Rainer Küchl, en voormalige Vorstand Clemens HellsbergDe meest interessante vond ik soloklarinettist Peter Schmidl. Schmidl is een man die prachtig kan vertellen, waar je graag een avond mee in een Weens café gaat zitten, en die vanuit eigen ervaring een vergelijking tussen de orkesten van Wenen en Berlijn kan maken. Het onderwerp van deze gesprekken mag dan deze unieke dirigent zijn, waarover ik veel hoorde dat ik niet wist, maar je krijgt vooral ook een beeld van hoe zo'n orkest functioneert en wat daarin belangrijk is voor de musici. En dan vraag ik me meteen af of we zoiets in Rotterdam ook niet eens zouden moeten doen.

In de tijd dat er in Berlijn een vacature voor soloklarinet was, vermoedelijk in de jaren 70, werd Schmidl op voorspraak van Karajan uitgenodigd daar regelmatig mee te spelen. Het bleek mogelijk de definitieve overstap te maken maar dat heeft hij niet gedaan. Wel opvallend dat hij de sfeer onder de musici in Wenen veel meer ontspannen en elegant noemt. er zijn veel verhalen over orkesten van topkwaliteit waar musici liever niet spelen, of zelfs het orkest verlaten vanwege de manier waarop musici met elkaar omgaan, die overal weer verschillend is en ook wel met de tijd verandert. Recente verhalen uit Berlijn, zoals ik ze af en toe hoor, zijn minder positief. Schmidl verklaart het verschil in dat opzicht tussen Berlijn en Wenen door de aanwezigheid van een chef-dirigent. Zo iemand kun je gebruiken om je frustratie op te projecteren, hem verantwoordelijk te maken voor het spelniveau, terwijl de musici in Wenen zelf verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit, wat dan tot spanningen onderling kan leiden. Schmidl hoort in Berlijn een slankere blazersklank, vooral geschikt voor het symfonische werk, tegenover een wat vollere klank, specifiek bij de hoorns, waarmee je bijvoorbeeld in een Wagner-opera wonderen kan verrichten.

Alle musici krijgen de vraag voorgelegd welk concert met Karajan hen speciaal is bijgebleven. En hoe individueel die ervaring ook is, er zijn bepaalde momenten die vaak genoemd worden, zoals het eenmalige Nieuwjaarsconcert, dat ik me vanachter mijn televisie ook nog goed kan herinneren, en een Achtste van Bruckner in de Carnegie Hall. Schmidl komt met een opvallende keuze: de Pathétique met de Berliner Philharmoniker in het Théâtre des Champs Elysées. Dat vind ik fijn om te horen. Wij kennen de zaal, zouden er dit seizoen ook weer een paar keer spelen, en hebben er ook veel gedenkwaardige concerten beleefd. Mooie herinneringen komen naar boven als hij dat noemt, maar ook elke keer als de interviewster aan het begin van het filmpje de Weense Musikverein binnenstapt. Ik hoop daar zelf ook weer snel te kunnen zijn en spelen.  

,




zaterdag 26 september 2020

Handschrift

 Ik heb 'm al jaren in de kast staan, maar nu we de symfonie weer gaan spelen moet ik er toch eens rustig naar kijken; het handschrift van de Eerste van Brahms.

Er bestaan tegenwoordig allerlei wetenschappelijke uitgaven, zogenaamde urtext-edities, zodat we als musici van verantwoord materiaal kunnen spelen, maar er gaat voor mij toch niets boven het handschrift van de componist. Zo'n manuscript is natuurlijk niet altijd het laatste woord - soms zijn er verbeteringen te vinden in eerste uitgaven - maar het biedt, nog afgezien van de noten en aanwijzingen die er in staan, een veel persoonlijker indruk dan welke uitgave dan ook. Ik denk dat de emotie waarmee het is neergeschreven iets laat zien van wat belangrijk is voor de componist en dus ook voor de uitvoerenden. Maar misschien is dat wishful thinking. Ik heb deze uitgave destijds in de ramsj gekocht, tegenwoordig is ie ook op internet te vinden  Hier vind je de partituur.

Als je hem gevonden hebt merk je dat het eerste deel helaas ontbreekt. Gelukkig blijft er genoeg over om je over te verbazen, details die niet in de verantwoorde Henle-editie staan die we bij het orkest gebruiken. Ik zal er voor geïnteresseerden een paar uitlichten.


Dit zijn de eerste maten van het hoofddeel van de finale, na de langzame inleiding. Je leest hoe Brahms de tempo-aanduiding verfijnt van Allegro con brio naar Allegro non troppo, ma con brio. Blijkbaar was hij bang dat het anders te snel gespeeld zou worden. Die voorzichtigheid kennen we wel van hem. Opvallender nog, en misschien gedeeltelijk vanuit dezelfde gedachte, vind ik de puntjes op de achtste noten in beide vioolstemmen met het beroemde thema. Ze staan onder een boog, worden dus gebonden, maar door de punten zullen ze extra gearticuleerd worden. Als je die punten tenminste serieus neemt, want ze staan niet in het gedrukte materiaal, dus niemand ziet het. Misschien heeft de componist zich later bedacht, maar dan nog ik zie het toch als aanwijzing hoe je het thema zou moeten spelen. Vier maten later staan ze ook weer, maar ze ontbreken als het thema ruim honderd maten later terugkeert. Daar zit wel een logica in.

Aan het begin van deze finale vond ik een ander subtiel detail dat in de gedrukte partituur ontbreekt:

Het gaat om een detail wat menigeen gemuggezift zal vinden, maar wat onder musici nog weleens tot discussies leidt: het verschil tussen fp en sfp. In het eerste geval begin je de noot sterk en schakel je direct over naar een zachte dynamiek. Eerst forte dan piano op eenzelfde noot. Met de 's' ervoor is er sprake van een sforzato aan het begin van de noot, dus een accent. Dat accent wordt vaak ook bij fp gespeeld maar is daar strikt genomen niet voorgeschreven. Wat Brahms hier doet, en dat vind ik opmerkelijk, een sforzato in de stemmen met een liggende noot, zoals de lage strijkers en de contrafagot, en een fp in de melodische stemmen. Dat verschil heb ik nog nooit in een gedrukte uitgave gezien.

Nieuw voor mij waren ook de plekken waar hij extra maten heeft ingevoegd, in de finale en het scherzo:

Dit zijn twee extra maten tegen het eind van de symfonie. Dat valt eigenlijk wel mee. In het derde deel zien we de plek waar hij later negentien maten toevoegt:
Je zou eigenlijk eens moeten horen hoe het geklonken zou hebben zonder die aanpassingen om een beter idee te krijgen van het scheppingsproces.

In de volgende uitvoering gaat het om twee hoge violenkreten in de finale (52:39/40) en de dialoog tussen fluit en hobo in het scherzo (33:53 - 34:25): 

Een prachtige symfonie waar we de komende week lekker met Lahav aan kunnen werken. Hij komt dan net uit Berlijn, waar hij zijn debuut bij de Philharmoniker heeft gemaakt met de Eerste van Schumann. Ik ben benieuwd welke invloed die partituur en de ervaring met dat orkest op onze repetities zal hebben.