maandag 16 mei 2022

Ode aan de Zeeuwse Concertzaal

 Er is voor alles altijd maar één eerste keer, een unieke ervaring die je nooit meer kunt herhalen. Hoogstens de herinnering eraan koesteren. Ik moet toegeven dat die wat was weggezakt, maar de eerste keer dat ik muziek van Gustav Mahler speelde was in het Zeeuws Orkest, eind jaren '70 in de Concert- en Gehoorzaal aan de Singelstraat in Middelburg. Met dirigent Louis Stotijn repeteerden we op de donderdagavonden de Lieder eines fahrenden Gesellen, met als solist Bernard Kruysen, een van de grote, maar ondergewaardeerde, Nederlandse zangers van die tijd. Dat voor mij nog onbekende idioom van Mahler, een merkwaardige mix tussen het bekende, het volksliedachtige, en toch ook weer nieuwe, soms wat ongemakkelijke, fascineerde me. Nu ik na vele jaren terugkeer in de zaal en dezelfde liederen op het programma staan, dit keer met Nederlands talent Raoul Stefani, komt dat gevoel weer boven. Alle reden om even terug te denken aan die tijd, waarin het voor mij als musicus allemaal begon.

Zelfs het allereerste begin, de cellolessen op de muziekschool, vond toevallig op hetzelfde adres plaats: Singelstraat 13. De toegang was een grote statige groene deur als van een herenhuis en vervolgens een brede trap naar boven. Over hoogpolig rood tapijt op de woonverdieping van de beheerder, een vriendelijke wat gezette man, kwam je bij een onopvallende deur, waarachter een volgende trap naar de muziekschool leidde. Daarvan herinner ik me geen beelden meer, alleen nog de geluiden van alle verschillende instrumenten. Merkwaardig hoe een geheugen werkt. Dat de muziekschool daar was kan ik overigens nergens meer verifiëren maar als ik het gedroomd heb is dat met sterke beelden. Ik ga het navragen als ik er volgende week ben.

De ingang aan de Singelstraat is er overigens niet meer. Die grote deur leidt inmiddels naar een woonhuis. Dat was het oorspronkelijk ook, voordat er eind 19e eeuw een concertzaal achter gebouwd werd, midden tussen de huizen, als een soort schuilkerk. Het was onze buurt. Wij woonden aan het Noordbolwerk en als je langs de Schouwburg liep was je er binnen een paar minuten. Ik dacht dat we toen voor de orkestrepetities ook de achteringang aan de Verwerijstraat gebruikten. Iets minder ver lopen en nog iets smaller dan de Singelstraat maar ik begrijp dat daar tegenwoordig de hoofdingang is. Dat wordt een trip down memory lane.

Ook al als jongetje in het Zeeuws Jeugdorkest met dirigent Han Beekman speelde ik regelmatig in de zaal. Ouverture Egmont, de Onvoltooide van Schubert, dat soort repertoire, waar eindeloos op gerepeteerd kon worden. Het zijn die vroege ervaringen waar ik nog steeds van profiteer en die ik iedereen kan aanbevelen. Natuurlijk was het ook de zaal waar we naar andere musici gingen luisteren. De koffieconcerten in de foyer, internationale ensembles als het Lasalle Quartet met Schönberg en late Beethoven bij het Holland Festival. Het Festival Nieuwe Muziek, ook een vormend element in mijn muzikale jeugd, speelde zich elders af. De Kuiperspoort, de Kloveniersdoelen, de Vleeshal. Middelburg kent zoveel prachtige culturele gebouwen. Dat de foyer aan de Singelstraat ook nog het decor vormde voor de danslessen op de maandagavond, waar ik als schuchtere puber met klasgenoten heen ging is een van de minder vrolijke herinneringen. Ik weet niet meer of ik het heb volgehouden tot het afdansen, maar ik bakte er niet veel van, die Engelse wals en de chachacha.

Ik zie nog zo voor me dat ook het Rotterdams Philharmonisch, nu inmiddels 'mijn' orkest, naar de Concertzaal in Middelburg kwam. Waarschijnlijk niet in de allergrootste bezetting maar ik was helemaal verkocht toen ik de Hebriden Ouverture hoorde. David Zinman dirigeerde zo aanstekelijk dat ik dat ook wel wilde. Dat is bij een droom gebleven. En in Middelburg speelt het orkest niet meer - extra reden voor een concert van Domestica Rotterdam - maar natuurlijk wel veel Mahler. Zoals vorige maand nog de Vierde in de beroemde Elbphilharmonie in Hamburg, waar een recensie over luidruchtig in slaap gevallen publiek internationaal de aandacht trok. Die redelijk nieuwe zaal heeft al een beroemde akoestiek maar aan de klank van de Zeeuwse Concertzaal heb ik ook hele goede herinneringen. Ik krijg binnenkort de gelegenheid om te checken hoe accuraat mijn geheugen op dat punt is en verheug me zeer op het concert van 27 mei. Geboren en getogen voel ik me nog steeds Middelburger.


 


maandag 9 mei 2022

Rijngoud 4

 Wat kan ik nu nog schrijven na deze twee weken met Yannick. Vier uitvoeringen van Rheingold en drie keer de Vierde van Mahler tussendoor. De symfonie werd gecombineerd met liederen van Alma. Die hebben we een paar jaar geleden ook met hem gedaan, toen gepaard aan Mahler 10. Dat dat altijd een problematisch stuk is bleek toen wel bij het concert in Edinburgh maar de uitvoering een paar dagen later in Luzern is geldt voor mij nog steeds als een hoogtepunt uit die jaren. De Vierde werkt als combinatie veel vriendelijker. Beide stukken zijn in dezelfde tijd gecomponeerd, rond 1900, maar Gustav en Alma kenden elkaar toen nog niet. Het zijn mooie liederen en met de orkestratie van de gebroeders Matthews is ook niets mis. Maar zouden we ze nu ook kennen als Alma Schindler niet met Mahler was getrouwd of zou ze dan juist veel meer gecomponeerd hebben? Toevallig speel ik komende maand weer drie van de liederen, maar dan in een nieuwe instrumentatie voor kamerensemble. En met bariton, dus dat zal weer een heel ander licht op de materie werpen.

Als actueel openingswerk speelden we Prayer for Ukraine, een instrumentale bewerking van een koorwerk dat Valentin Silvestrov in 2014 componeerde tijdens de Maidan-revolutie. Intense, stille muziek. Tijdens het concert in Hamburg werd die stilte nog weleens onderbroken. De Elbphilharmonie heeft een bijzondere akoestiek waarin je heel veel kunt horen, maar helaas niet alleen van wat zich op het podium afspeelt. Een verslag van het concert, met vooral commentaar op het gedrag van het publiek trok internationaal de aandacht. Overigens waren de meeste recensies, zeker voor de Wagner meer dan lovend.

Ik kan dat zelf moeilijk beoordelen, aangezien we behoorlijk druk bezig waren, zeker als lage strijkers, maar ik heb enorm genoten van de uitvoeringen en de ontwikkeling van het spel en het begrip. De partituur zit vol geniale vondsten, waar je steeds meer van meekrijgt en waar je dan ook steeds beter raad mee weet. Bovendien groeit een orkest als partner van de zangers doordat men, door die ervaring, steeds beter is voorbereid op vrijheden die ze kunnen nemen en de emoties die ze in hun rol stoppen. Daarbij trekken natuurlijk Wotan en Loge de aandacht en zeker ook Alberich, Samuel Youn, die nog het meeste aan het acteren was. Dat werd overal door het publiek zeer gewaardeerd. Maar opvallend genoeg merkte ik onder de collega's ook zeer veel sympathie voor de zangers van Froh, Issachah Savage, en de gevoelige reus Fasolt, Stephen Milling.

De bijdrage van Erda, als dea ex machina, is altijd dankbaar. Een kort plechtig moment waarin zangeressen met een mooie laagte kunnen schitteren en dat deed Wiebke Lehmkuhl. Voor mij is dit Wagner op zijn best. Misschien valt dat nog extra op omdat hij in het vervolg, als Wotan daarna de ring alsnog inlevert, terugvalt in zijn oude idioom uit Lohengrin. Ook heerlijk, overigens. Voor de regie, die we officieel niet, maar toch wel een beetje hadden, was de opkomst van Erda een uitdaging. In de Doelen kon ze nog bij de orgelring staan, maar op de andere podia was een mooie oplossing gevonden in het laten omdraaien van de zangers, die op dat moment bijna allemaal voor het orkest staan. Alleen Wotan ervaart de aanwezigheid van het 'mahnendes Weib', en draagt zich dus niet om.


 Het zijn vaak kleine maar belangrijke details die het succes van een concertante uitvoering bepalen en daar maakte Femke Luyckx een paar goede keuzes. Zelfs een aantal harpistes kregen tegen het eind een georganiseerde opkomst. Als orkestleden konden we ook nog even onze stembanden benutten als angstige tot slaaf gemaakte Nibelungen met 'Geheul und Gekreisch', zoals het libretto voorschrijft. Al sinds Gardiner me ooit helemaal inpakte met zijn Mozart-opera's in het Amsterdamse Concertgebouw ben ik een fan van concertante versies, hoewel dat eigenlijk semi-scènisch was. Zittend op het podium met Bryn Terfel als Figaro op een paar meter afstand was een van mijn mooiste concertervaringen als publiek. Dus graag meer, voor mij.

En gelukkig is het ook nog niet helemaal afgelopen met Rheingold. Een extra attractie is de documentaire die gemaakt gaat worden door Moois en waar ik me ook nog tegenaan mag bemoeien. En ook de Ring gaat nog door! We kregen onderweg te horen dat het werkelijk de bedoeling is de komende jaren de overige drie opera's te doen. Komend seizoen niet, maar met een Walküre in 2024 is het waarschijnlijk dat ik ze allemaal nog voor mijn pensioen gespeeld kan hebben. En op basis van afgelopen maand worden dat zeker nieuwe hoogtepunten in mijn orkestleven.

maandag 25 april 2022

Rijngoud 3

Is het toeval? De verdeling van Das Rheingold in 4 scenes, twee hoog in de bergen en twee diep beneden (onder de aarde en onder water) komt terug in de verdeling van de Ring in vier opera's, drie dagen en een vooravond. En die vooravond spelen we ook weer vier keer. Na een feestelijke première in onze eigen zaal, waar opvallend veel oud-collega's kwamen luisteren, live uitgezonden op medici-tv, volgde zaterdag een triomfantelijke avond in het Théâtre des ChampsElysées.

Het theater aan de Avenue Montaigne in Parijs voelt ook een beetje als onze eigen zaal. We hebben daar in de loop van de jaren vele gedenkwaardige concerten mogen geven, vaak twee of drie keer per seizoen. Die reeks werd met covid onderbroken dus dit voelde als thuiskomen. Een veel drogere akoestiek dan de Doelen, wat meestal betekent dat je meer moeite moet doen om een mooie klank te maken, maar in Parijs valt dat in de praktijk meestal erg mee. Het zorgt er met name voor dat je in het orkest andere stemmen beter hoort en voor de zangers is het vast ook gunstig. Het publiek, dat wel gewend is aan concertante opera op hoog niveau, brak na afloop de tent af en de Franse radio heeft het opgenomen voor latere uitzending. Het kan interessant zijn om later met enige afstand nog eens rustig de kwaliteit te beluisteren en te beoordelen. Al spelend ontgaat ons toch een groot deel van wat de zangers voor moois laten horen.

Dat moois van de zangers is beter te genieten als je het verhaal een beetje kunt volgen. Zanger Michael Volle noemt deze opera een 'Kammerspiel', waarbij dus de tekst en de verstaanbaarheid belangrijk zijn. Meer dan in de latere delen van de Ring , die meer en meer de lyrische kant op gaat. Daardoor kun je de gevoelige momenten misschien missen, hoewel ze er wel degelijk in zitten. Als Fasolt zingt over zijn liefde voor Freia dan ontroert Stephen Milling met een gevoelige diepe bas en als Fricka wanhopige pogingen doet haar man aan zich te binden, hem te overtuigen hoeveel ze van hem houdt raakt Jamie Barton zeker ook een gevoelige snaar. Maar de nadruk ligt waarschijnlijk meer op bijvoorbeeld het fysieke acteren van Samuel Youn, die als Alberich steeds een groot applaus krijgt. De interactie tussen Wotan en Loge, Volle en Gerhard Siegel blijft ook elke keer boeien.

Deze week is overigens ook de beurt aan het 'tussenprogramma' met Mahler, Alma en Gustav, en wat Silvestrov, als steun voor de Oekraïne. Met Mahlers Vierde gaan we het publiek in de Elbphilharmonie overtuigen en dat is wel toepasselijk. Mahler heeft als dirigent een belangrijk deel van zijn carrière aan de opera in Hamburg gedirigeerd, de jaren voordat hij aan de Hofoper in Wenen werd aangesteld en de opera's van Wagner, inclusief de Ring, vormden een belangrijk deel van zijn repertoire daar. Ook toen al had hij een grote reputatie als Wagner-dirigent en werd er nergens zoveel Wagner gespeeld als in Hamburg. Het seizoen eindigde altijd met een Wagner-cyclus in mei met steeds tien van de grote opera's, avond aan avond. Dirigent Bruno Walter, die daar zijn vriendschap en bewondering voor Mahler begon, noemt de Ring en de Meistersinger als de werken die het meeste indruk maakten. Hadden we daar nog maar wat van kunnen meemaken.

De Vierde symfonie componeert hij pas daarna als hij naar Wenen verhuisd is, maar iets van zijn Hamburgse ervaringen zal daar vast in verwerkt zijn. Ik verdenk Mahler er sowieso van veel elementen uit het opera-repertoire en dan vooral Wagner in zijn symfonieën te hebben verweven. Wie weet ontdekken we dit keer nog wat Rheingold in de Vierde. We hebben in ieder geval onze Freia als zangeres in het laatste deel, Das himmlische Leben.  En die heeft het zelfs nog met Mahler zelf gezongen: 


vrijdag 22 april 2022

Rijngoud 2

 Het is een snelkookpan waarin we werken. Twee dagen na de eerste repetitie zaten we al in rokkostuum een generale te spelen. Met alles erop en eraan. Iedereen op het puntje van de stoel. Maar zelfs dat puntje gaat pijn doen na ruim twee en een half uur zitten en spelen. Rheingold is een van de kortste opera's van Wagner, maar als aaneengesloten muziek is het vast de langste. Een 1-acter in vier scenes. Die scenes zouden dan ook weer een afspiegeling zijn van de vier delen van de Ring. Met bijvoorbeeld Nibelheim als 3e scene waar Mime de Tarnhelm smeedt en in Siegfried  als derde opera ook Nothung probeert te herstellen. Siegfried speelden we ooit bij de eerste keer dat de productie van Audi bij DNO ging. Alweer lang geleden maar die smederij herinner ik me nog goed. Net als dat Nibelungen-motief, dat ritme dat eindeloos door blijft gaan en in Rheingold vooral bij ons in de cellopartij zit:

Het lijkt eenvoudig maar is lastig om echt goed uit te voeren en vol te blijven houden. Dat levert wel een van die krachtige effecten op waar Wagner zo goed in is. Veel laag C-snaar-werk,  passend bij de onderwereld waar die dwergen zich in bevinden.

En als we dan toch met de uitdagingen bezig zijn:  het Vorspiel. Het water van de Rijn dat steeds meer in beweging komt klinkt, bij een eindeloos gelijkblijvende harmonie, in voortdurende gebroken drieklanken, die steeds weer een beetje anders gevormd zijn. Een enkel nootje missen is geen ramp maar je moet bijblijven en voor je linkerhand is het flinke work out!

En dan zijn er nog een kleine zestig pagina's te gaan, met andere interessante hordes. Zoals de aankomst van Loge: 'Endlich, Loge!'. Deze sluwaard, de halfgod van het vuur, die zich overal uit weet te redden moet Wotan uit de problemen helpen. Dat slinkse, ongrijpbare heeft Wagner natuurlijk weer meesterlijk in een motief gevangen, waar wij regelmatig in verstrikt raken. Het gaat om een chromatische lijn die over meerdere stemmen in de celli en alten verdeeld is, op een manier waarop de lijnen elkaar steeds kruisen. Wat je ziet is niet wat je hoort, maar het effect is zo anders dan als je de chromatiek op een logische eenvoudige manier over de stemmen verdeelt: 
Iets vergelijkbaars doet Tsjaikovski jaren later aan het begin van de finale van zijn Pathétique maar dan in een veel langzamer tempo in alle strijkers met een enorme expressieve uitwerking. Elkaar als het ware omarmend. Bij Wagner moeten we allemaal, bijna als een soort ongedierte, over elkaar heen kruipend onze weg zien te vinden. Een uitdaging dus.

Natuurlijk is er ook, nog in beperktere mate dan later in de Ring, het gevoelige werk, de lyrische melodieën in de hogere regionen, de expressieve celloklank. Zoals wanneer Fasolt beschrijft waarom hij Freia als loon voor Walhalla wil hebben. Een grote stoere reus met een zwak voor deze mooie dame. Wagner gebruikt ons als cellosectie op veel verschillende manieren en vaak ook in ingewikkelde divisies. Dat zorgt voor aantrekkelijke en spannende momenten. Ongetwijfeld ook vanavond als we onze première in de Doelen hebben, met een rechtstreekse uitzending op medici tv. En dan is onze reis, die een week later in Baden Baden eindigt begonnen. Fahre wohl, Wotan!


dinsdag 19 april 2022

Rijngoud 1

 Het is een uniek moment in de muziekgeschiedenis, een unieke manier om een opera te beginnen, om een opera-cyclus te beginnen. En we hebben er reikhalzend naar uitgekeken. Maar vanochtend was het dan zover. De eerste tonen van Das Rheingold en Yannick stond weer voor ons orkest. Ook nog steeds een beetje zijn orkest. Voor het eerst sinds Die Frau ohne Schatten. Voor het eerst sinds de pandemie die kort daarna in alle hevigheid losbarstte. En het lijkt alsof er in die ruim twee jaar bijna niets gebeurd is. En alsof Yannick vorige maand nog met ons musiceerde. Het voelde vertrouwd als vanouds. Maar een mooi en ook wel spannend avontuur gaat het zeker worden.

Yannick kan dat als geen ander zelf verwoorden. Een verhaal over menselijke emoties, over de waarde, de noodzaak om samen muziek te maken, voor publiek. En hoe graag hij juist met ons zijn eerste Ring-cyclus wil doen. Hoe hij ons in de tussentijd gevolgd heeft. Het was een goed, eerlijk en zinvol verhaal waar hij de repetitie mee begon met ook warme woorden over pianist Nicholas Angelic, afgelopen weekend overleden, een goede vriend van hem en ook van ons orkest. Heel gevarieerd repertoire hebben we met hem uitgevoerd, waaronder prachtige Brahms. En na die woorden kon Wagners accoord in Es groot, vanuit de diepte van de Rijn, woorden ingezet. Eerst nog even zonder de zangers. Die verrassing bleef tot de middag bewaard.

Na de lunch bleek welk een luxueus blik zangers is opengetrokken om deze productie tot een succes te maken. En dan praat ik niet over geld, waar natuurlijk ook sprake van is. Maar meer over de stembanden, de uitstraling, de overtuiging waarmee Wagners noten meteen al over ons werden uitgestrooid. En het enorme plezier waarmee dat gepaard gaat. Dat zal de moeilijke tijd van covid, die achter ons lijkt te liggen, vast nog versterkt hebben.

En het is zo'n genot dat bij onze concertante opzet mee te maken. Je ziet ze goed, je hoort ze goed. en zij horen ons goed. En als Michael Völle dan, met jarenlange Wagner-ervaring, zijn tekst kleurt kan Yannick ons vragen daarin mee te gaan en te reageren op die wisselingen. Een soort kamermuziek dus, maar dan op grote schaal. En dat gaat met vier uitvoeringen vast nog steeds beter werken. Zoals aan het eind van de opera met het zwaard-motief een teken van hoop gloort zijn wij al zeker van twee prachtige weken. Te beginnen met een minutenlang accord in Es groot:



donderdag 14 april 2022

Russische dirigenten

Onder de Russische musici die een keuze hebben moeten maken voor of tegen de regering van hun vaderland neemt Tugan Sokhiev een bijzondere en opvallende positie in. Hij wilde niet kiezen en gaf daarom niet alleen zijn positie als leider van het Bolsjoi Theater in Moskou op maar beëindigde ook de samenwerking met zijn orkest in Toulouse.  Hij was daar officieel geen chef meer, als ik het goed begrijp, maar zou daar nog veel concerten dirigeren. Een uniek statement dus. Ik ken althans geen andere voorbeelden. Zijn musici in Toulouse reageerden daarop met een eigen statement, onder het publiek uitgedeeld bij een concert dat hij gedirigeerd zou hebben. Daarin betreuren ze het beëindigen van de samenwerking en hopen op een spoedige verandering van de omstandigheden zodat een voortzetting van hun relatie weer mogelijk is. Sokhiev dirigeert nog verschillende andere orkesten en de openingen in zijn agenda zullen vast ook snel opgevuld worden. De Münchner Philharmoniker, waar Gergiev ontslagen is, had zich al gemeld.

Ook in Rotterdam hebben we Gergiev moeten laten gaan. Het leverde minder afgezegde concerten op dan in München maar pijn doet het zeker. Een verzoek om terug te keren, zoals in Toulouse, zit er voorlopig zeker niet in. We zullen het met de herinneringen moeten doen. Er zijn tenslotte veel mooie dingen die we met elkaar hebben meegemaakt op het podium. En hij heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de klank en de flexibiliteit van ons orkest. Maar als er dan zulke ingrijpende dingen gebeuren zoals de militaire agressie in de Oekraïne blijken we helaas in totaal verschillende werelden te leven. Hoe die wereld er nu voor Gergiev uitziet is voor mij moeilijk voor te stellen, maar de afstand die tussen hem en ons ontstaan is is op het podium niet te overbruggen. We hadden ons in een idealere wereld nog kunnen voorstellen dat hij met zijn contacten in de hoogste politieke kringen in oost en west aan een vreedzame oplossing had kunnen bijdragen maar het is overduidelijk aan welke kant hij nu staat. En misschien kan hij ook niet anders. Intussen heeft Poetin hem ook nog de leiding van het operagezelschap van Sokhiev in Moskou aangeboden.

De situatie met Gergiev is eigenlijk wel duidelijk, maar daaromheen lijkt het nog niet zo makkelijk om te bepalen welke effecten zo'n oorlog op het culturele leven zou moeten hebben. In de eerste weken is hier en daar Russisch repertoire, ook van voor de Sovjet-tijd, zelfs Tsjaikovski, van het programma gehaald of concerten zelfs afgezegd. Aan de andere kant werd bij het KCO de propagandistische Twaalfde symfonie van Sjostakovitsj juist wel weer uitgevoerd. Wel in combinatie met muziek uit de Oekraïne. Zelden zal hun volkslied zo vaak gehoord zijn, maar ook het werk van een levende componist als Silvestrov, die zijn land kon ontvluchten, blijkt nu hot. 

Je kunt een interessante vergelijking maken met hoe het er ruim honderd jaar geleden aan toe ging, toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak en de Duitse cultuur tegenover die van Frankrijk en Engeland stond. Veel grote kunstenaars en intellectuelen hebben toen een positie gekozen waar ze zich later wellicht voor geschaamd hebben. Alex Ross benoemt dat ook in zijn boek en komt met wat ontluisterende voorbeelden. Schönberg bijvoorbeeld die in een brief aan Alma Mahler schrijft dat er nu afgerekend kan worden met de muziek van Bizet, Stravinsky en Ravel. De Duitse cultuur als superieur. Onvoorstelbaar. Ook de orkestleden van Toulouse verwijzen ernaar als ze de reactie van Ravel in 1916 benoemen, die toen juist weigerde de actie te steunen om de Duitse muziek tot zwijgen te brengen. Thomas Mann koos de verkeerde kant en schreef zelfs een boek om de Duitse oorlogspolitiek te ondersteunen met Betrachtungen eines Unpolitischen terwijl Richard Strauss juist weigerde om zich aan te sluiten bij het Manifest van 93 waarin Duitse intellectuelen de vernietiging van o.m. de Universiteit en Bibliotheek van Leuven verdedigden dan ontkenden. In de Tweede Wereldoorlog lijken Strauss en Mann van plaats gewisseld, waarbij de schrijver het vanuit de Verenigde Staten natuurlijk een stuk makkelijker had. Maar het illustreert wel hoe ingewikkeld het soms kan zijn om als kunstenaar positie te kiezen. En dat geldt zeker ook voor Russische musici in deze tijd. Onlangs zag ik een lezenswaardig statement van dirigent Semyon Bychkov, Rus maar niet meer woonachtig in Rusland, waarin hij zich duidelijk uitspreekt onder meer in de verdediging voor die prachtige Russische cultuur: For creative freedom.

Ondertussen ben ik onlangs weer eens in Anna Karenina en geniet met volle teugen. 



zaterdag 12 maart 2022

Noise3

Na Mahler en Strauss, en na onze Salome, is de beurt aan Schönberg. Een belangrijke componist, vanwege zijn composities, vanwege zijn ideeën en daarmee ook vanwege zijn leerlingen. Maar Schönberg voelt tegelijkertijd vaak ook als problematisch, een moeilijk geval. Zijn Verklärte Nacht heb ik altijd met veel plezier gespeeld, in orkesten en als sextet, maar dat is nog de laat-romantiek die erg dicht tegen Mahler aan schuurt. Net als Pelleas und Melisande. En de Gurrelieder, die ik graag nog eens zou willen spelen, maar dat is een dure dus zeldzame onderneming. Uit een andere wereld komt Pierrot Lunaire. Een uniek en fascinerend stuk, dat ik als speler ook heb leren kennen. Ik hou erg van het Tweede Strijkkwartet en de 5 Orchesterstücke maar de Variaties opus 31 of Moses und Aron, die ik nog met Boulez bij DNO zag, hebben mij nog niet echt bereikt. Misschien moet ik daarvoor nog beter mijn best doen.

Alex Ross lijkt dat ongemakkelijke gevoel weer te geven met de titel van het tweede hoofdstuk van The rest is noise: Doctor Faust. En de link met Thomas Mann. Het is alweer een tijd geleden dat ik het boek over Adrian Leverkühn gelezen heb. Fictieve componist van atonale muziek, te moeilijk voor zijn publiek, die een pact met de duivel sloot. Fictief, maar Schönberg dacht blijkbaar dat hij ermee bedoeld werd. Hij verklaarde dat er leugens in stonden en dat hij nooit syphilis heeft gehad! Misschien moet ik het boek weer eens herlezen maar ik heb er geen fijne herinneringen aan. Wel heb ik inmiddels veel ander werk van Mann gelezen, met genoegen, dus ben er ondertussen wellicht beter op voorbereid. Destijds las ik de laatste hoofdstukken op een camping in Berchtesgaden. Toevallig, maar wel toepasselijk, want de opkomst van Hitler en het fascisme speelt een grote rol in het verhaal. Maar Alex Ross is een groot Mann-kenner en liefhebber. Voor wie zich dieper in Leverkühn wil verdiepen heeft hij nog een inventarisatie van zijn composities gemaakt en wat daarover gemeld is! Die geslachtsziekte had Leverkühn overigens opgelopen op weg naar de Oostenrijkse première van Salome in Graz. En dat maakt weer een cirkel rond.

Maar er zijn nog interessantere verbanden van Schönberg met literatuur, die Ross naar voren haalt. Vooral die met Stefan George is een spannende. Ik kende George vooral als schrijver van de teksten die gezongen worden in het Tweede strijkkwartet, maar had geen idee wat voor curieuze figuur deze dichter was en voor welke gelegenheid hij die gedichten gemaakt had. Maar de eerste tekst die Schönberg van hem op muziek zet is een van de liederen opus 14, Ich darf nicht dankend. Volgens Ross is dat een belangrijke stap op weg naar de atonaliteit en, geschreven een paar dagen na het afscheid van Gustav Mahler op weg naar Amerika, kan beschouwd worden als boodschap dat hij zich verlaten voelt door een vader-figuur en daarmee tevens vrij om een andere liefde te zoeken.

Op het gebied van de liefde verschilden Schönberg en George nogal. Beiden verkeerden doorgaans in gezelschap van een schare volgelingen, leerlingen, maar bij de dichter maakten daar altijd een aantal knappe jongelingen deel van uit, waarmee hij intieme relaties onderhield. Een dergelijke relatie was ook de aanleiding voor de dichtbundel Maximin, dat in 1907 in beperkte oplage verscheen. Maximilian Kronberger, die als 14-jarige het hart van de dichter had gestolen, overleed twee jaar later. George was ontroostbaar en creëerde dit monument waar Schönberg een jaar later uit putte. Met Entrückung, de culminatie van de bundel, betreedt de componist in het laatste deel van zijn kwartet het onbekende terrein van de atonaliteit:  Ich fühle Luft von anderem Planeten. Ross verbindt de sinistere zachte strijkersklanken met de wind die Herodes voelde in Salome.

Overigens komt de naam van Hugo von Hoffmannsthal, de librettist met wie Richard Strauss zijn volgende opera's zou gaan schrijven, ook prominent voor in de biografie van George, als een van de vroege objecten van zijn liefde. Zonder succes overigens. En Thomas Mann schijnt de sfeer tijdens de bijeenkomsten van de kring rond George gebruikt te hebben als basis voor zijn verhaal Beim Propheten. En zo hangt alles met alles samen. Het meest verrassend vond ik nog de link met Claus von Stauffenberg, beroemd van de mislukte aanslag op Hitler van 22 juli 1944, terwijl George, die in 1933 overleed, door de nazi's als geestverwant beschouwd werd. Ondanks zijn voorkeur voor jonge jongens.

Een misschien minder bekend, maar zeker zo mooi resultaat van wat Schönberg met George's gedichten bereikte is de cyclus Das Buch der hängenden Gärten uit 1909: