vrijdag 20 februari 2026

Tristan 3

 Ik kan niet ontkennen dat het een lange opera is, Tristan und Isolde, en zwaar om te spelen. Maar het gaat telkens ook wel weer snel voorbij. En binnen het idioom van Wagner is het zeker afwisselend. De actes tonen wel een vergelijkbare structuur, zoals ik vorige keer aangaf, maar zijn ook weer heel verschillend. En dan is de middelste wel mijn favoriet om te spelen. Halverwege is natuurlijk die betoverende liefdes-scène, waarbij Wagner zijn trukendoos helemaal opentrekt. Vooral op de momenten dat Brangäne op het toneel verschijnt, of in dit geval onzichtbaar blijft, en het wonder van de 'Unendlige Melodie' niemand onberoerd zal laten. De divisies in de strijkers maken het ook leuk om te spelen. 

Maar voor mij begint het genieten vooral als na de grote confrontatie koning Marke in een lange monoloog zijn leed met ons deelt. Dan zitten we ineens in een heel ander hoofdstuk. Qua orkestgebruik en idioom eerder een blik naar vroeger, maar dat past bij de wereld van de oude koning. Meer vanuit de traditie van het recitatief, zoals dat ook wel in Die Walküre en Das Rheingold voorkomt als er een verhaal verteld moet worden. We vormen dan als cellogroep samen met de altviolen de basis van de klank, beide gediviseerd, soms in die divisie ook weer unisono met elkaar. Voor de violen is het een rustige periode, de bassen voegen zich er soms bij, een enkele blazer. Ja, één blazer in het bijzonder. Deze scène bevat één van de grote solo's voor basklarinet. Net als 25 jaar geleden is het weer Romke-Jan Wijmenga die bij ons de sterren van de hemel speelt. Het is bijna een duet met koning Marke op het podium. Het roept ook herinneringen op aan onze Die Walküre, twee jaar geleden, waar de basklarinet vooral aanwezig was in de scènes van Wotan met Brünnhilde. Marke is als stemsoort wat lager dan Wotan, maar de thematiek van vaderschap en ontrouw zijn vergelijkbaar en Wagner raakt hiermee heel effectief de juiste snaar. 

Wij hebben dit keer een prachtige Marke in de persoon van Liang Li, een Chinese bas die internationaal veel furore maakt. Toch moet ik nog steeds denken aan Robert Lloyd, onze Marke van toen. En niet alleen onze Marke, maar ook in Pelléas en Parsifal, twee andere producties met Simon Rattle was hij prominent aanwezig met zijn sonore en genuanceerde stemgeluid. Een opname van toen is er vast niet meer, maar ik zag dat een productie van 1993 uit Tokyo op Youtube staat. Om een idee te geven.

Vanaf 45:00 begint meteen de basklarinet. Een prachtig moment is de passage vanaf 48:35, als Marke zich heeft afgevraagd hoe het nu verder moet met 'de deugd', na het verraad van Tristan: in seinen Mienen ist zunehmende Trauer zu lesen.  Dat schrijft Wagner in de partituur en is in de muziek duidelijk te horen. En misschien is het meest ontroerende moment dan toch weer voor de engelse hoorn (51:54), als de koning over zijn nieuwe vrouw zingt: Dies wundervolle Weib. Mijn favoriete moment was de opmaat van Marke, 'die so herrlich', waar Lloyd de tijd nam, die samenviel met de laatste twee noten van onze melodie (53:00). Op deze opname is er wel iets van te horen maar ik ben ervan overtuigd dat hij het met Rattle bij ons nog meer uitbuitte. En ik mis het nu bij onze huidige productie. En na een laatste afdaling in de diepte van de basklarinet, warum mir diese Schmach? (55:43), voegen de trombones zich erbij voor de geheimnissvollen Grund (56:19) . Die zaten met zijn drieën ook altijd in de buurt van Wotan. Een bevestiging van koninklijke macht? In ieder geval steeds weer genieten voor ons allen in de bak.  
Wat deze productie ook bijzonder maakt is regisseur Pierre Audi. Het is een herneming van een regie van hem uit 2018 die hij zelf zou hebben geleid als hij niet afgelopen jaar onverwacht was overleden, en vormt zo een eerbetoon aan een van de visionaire, beeldbepalende kunstenaars uit het culturele leven van Nederland voor lange tijd. Een prachtige foto van hem siert het slotbeeld van de voorstelling, nadat Isolde op een magische manier is opgegaan in de Nacht. Audi was een man van sterke simpele beelden, ook nu weer. Roland de Beer schreef tien jaar geleden over hem een zeer lezenswaardig boek, dat niet alleen inzicht geeft in de persoon Audi, wiens leven op jonge leeftijd veranderde, na het zien en horen van uitgerekend Tristan und Isolde, maar ook in de geschiedenis van DNO en de rol van de Nederlandse cultuurpolitiek. Verplichte literatuur voor wie daar meer over wil weten. Daarin staat niet het verhaal over de Tristan-productie bij DNO van Jürgen Gosch in 1987, die vanwege de armetierige regie en onflatteuze soepjurken een groot schandaal werd en mede leidde tot het ontslag van Jan van Vlijmen, voorganger van Audi. Hartmut Haenchen dirigeerde toen prachtig het Concertgebouworkest. Wat wel in het boek staat was hoe Haenchens opvolger Edo de Waart erop rekende de volgende Tristan te kunnen doen, tot Bernard Haitink ervoor in de markt bleek. En die gaat, met zijn staat van dienst en reputatie als opera-dirigent die dat (bijna) nooit in Nederland heeft getoond, natuurlijk voor. Uiteindelijk werd het Simon Rattle met ons orkest. Ook daar werd De Waart niet blij van. Uiteindelijk zou hij eerder dan verwacht het veld ruimen en zelfs de herneming van de complete Ring des Nibelungen aan zich voorbij laten gaan. Kortom een interessant stuk Nederlandse opera-geschiedenis.

Al over twee maanden kunnen wij in Rotterdam een spectaculair volgend hoofdstuk in ons Wagner-avontuur aansnijden met het derde deel in de Ring-cyclus met Yannick. Dat wordt zeker ook een interessante bijdrage aan de Nederlandse opera-geschiedenis. En op dit moment voor ons extra interessant omdat de compositie van Tristan destijds plaatsvond toen Wagner, voordat hij aan de laatste acte begon, de partituur van Siegfried een paar jaar opzij heeft gelegd. Ervaren we die stijlbreuk in Siegfried nu anders na het spelen van Tristan? En hoe werkt dat bij Yannick die binnenkort een nieuwe Tristan in de Met dirigeert? Voor wie dat mee wil maken.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten