donderdag 26 februari 2026

Uilenspiegel

Ik roep al jaren dat Till Eulenspiegel mijn favoriete symfonische gedicht van Richard Strauss is, maar de laatste keer dat ik het stuk speelde is alweer een hele tijd geleden. En hoe zal deze ervaring, met Lahav, gaan worden? Ik zie dat 2014 onze laatste keer was, ruim twaalf jaar geleden. Dat zou best weleens een eerste keer kunnen zijn voor veel collega’s. Zo zit nog helder in mijn herinnering de karakteristieke soli op de es-klarinet (of was het toch d-klarinet) van Jan Jansen. En ik weet niet meer of het Martin of Bob was die de virtuoze hoornpartij voor zijn rekening nam. Maar ze zijn allemaal inmiddels opgevolgd.

Wat ik het sterkst aan het stuk vind is de opening. In een handvol maten begint Strauss met ‘Er was eens’. Hoe hij dat doet, weet ik niet, maar iedereen zal het er in horen. En dan dat Till-thema in de hoorn wat zo ingenieus in elkaar zit. Een ritme van 7/8 wordt als het ware in een 6/8-maat gegoten. Je moet als speler blijven opletten om nergens de fout in te gaan. Het stuk is briljant, humoristisch, virtuoos geïnstrumenteerd en met 15 minuten zeker niet te lang. Het is geschreven voor groot orkest maar ook niet uitzonderlijk uitgebreid, hoewel er, als je geld over hebt, nog 4 hoorns en 3 trompetten bij zouden kunnen, ad libitum, voor de scène tegen het eind, waar Tijl ter dood veroordeeld wordt. Maar dat heb ik nog nooit meegemaakt.

Ergens heeft Strauss een aantal van de getoonzette verhaaltjes in zijn partituur aangegeven, hoewel met tegenzin, want eigenlijk moet de luisteraar zelf de fantasie aan het werk zetten. De verkleding als priester (altviolen), zijn galante gedrag tegenover de dames zijn lekker om te spelen. Zijn moeilijke vragen aan de leraren leveren ons ook nu nog enige hoofdbrekens op. Maar het is mij niet gelukt de verhalen in mij versie van Tijl Eulenspiegel terug te vinden. Blijkbaar is er een verschil tussen de oude Duitse legende en de versie van een Vlaamse held die de Vlaamse schrijver Charles de Coster in 1867 publiceerde over een Vlaamse vrijheidsstrijder tijdens de 80-jarige oorlog. Ook boeiend en humoristisch maar niet wat Strauss in zijn hoofd had.


Strauss heeft zelf wel een paar uitvoeringen in de studio gedirigeerd, zoals al in 1917 en 1929 met het orkest van de Berlijnse Staatsoper. In 1944, het laatste oorlogsjaar, rond de viering van zijn tachtigste verjaardag mag hij het in Wenen nog eens dunnetjes overdoen. Er zijn curieuze filmopnames gemaakt:

Curieus, omdat je aanvankelijk alleen hem in beeld ziet en er van zijn bewegingen weinig is af te lezen. Beeld en geluid zijn aanvankelijk ook niet synchroon. Later zie je wel meer van het orkest. Zo te zien speelt Schneiderhan de vioolsolo. Het is een soort repetitie, maar niet echt, hoewel je zijn stem wel hoort, wat al bijzonder is. Veel inspiratie als componist had hij in die tijd niet, maar om zijn zinnen te verzetten schreef hij de hele partituur van Till nog eens helemaal over in zijn prachtige handschrift, voor zijn kleinzoon. Een paar veranderingen voerde hij door vanaf maat 374: 'Die Schnörkel sind eine witzige Improvisation der Clarinetten meiner lieben Berliner Staatskapelle' . Niet alleen in de partituur, ook in deze opmerking blijkt dat humor misschien wel zijn grootste kracht was.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten