dinsdag 1 december 2020

December Beethovenmaand

Met alle plannen die over de hele wereld in het water gevallen zijn lijkt het misschien een beetje een wanhoopsdaad om deze laatste maand nog uitgebreid en intensief met Beethoven aan de slag te gaan maar dat is een vergissing. Met veel overtuiging en inzet en de urgentie om muziek te kunnen maken hebben we in Rotterdam een samenhangend en origineel project neergezet. Bovendien valt zijn 250e verjaardag in december dus ook vanuit het thema past het prima. Ik raad dan ook iedereen aan de website van het Rotterdams Philharmonisch de komende weken goed in de gaten te houden. Ik heb hoge verwachtingen van de resultaten en van hoe we ons publiek zullen weten te bereiken en, nog belangrijker, te raken.

Kers op de taart moet natuurlijk de Negende worden, hoewel over de praktische haalbaarheid, en vooral de manier waarop, nog wel wat vraagtekens zijn. Die onzekerheid beheerst het huidige culturele leven en die zullen we ons, als de tijden beter worden, nog lang herinneren. Die Negende is een interessant fenomeen om weer eens intensief en uitgebreid te bekijken en beluisteren. Iedereen kent hem maar waar gaat het stuk eigenlijk over? Boeken zijn er volgeschreven, teveel om in een paar weken grondig te lezen. Ik ga beginnen bij de bron: de partituur. Ooit heb ik, eind jaren tachtig, toen Hongarije nog achter het IJzeren Gordijn lag, in Boedapest een facsimile van het manuscript gekocht en die staat sindsdien op mijn boekenplank te verstoffen. Ik was toen nog een armlastige muziekstudent maar met Westers geld rijk genoeg om interessante partituren en mooie langspeelplaten in te slaan. Dat schept een verantwoordelijkheid. Tegenwoordig kan iedereen het manuscript op internet bekijken, maar ik vind het een prettige luxe om de 404 pagina's te kunnen omslaan en op ware grootte voor me te zien.

Dit exemplaar opent met de pagina met de opdracht aan de koning van Pruisen, Friedrich Wilhelm III. In tiefster Ehrfurcht zugeeignet von Ludwig van Beethoven, 125tes Werk.
Eigenlijk komt deze handgeschreven opdracht uit een ander exemplaar van de partituur, maar hij past hier mooi bij. Het lijkt alsof de componist extra zijn best gedaan had om netjes te schrijven. Zeker als je het vergelijkt met de tempoaanduiding en het metronoomgetal op de eerste bladzijde. Dat ziet er meer uit als het handschrift van een bejaarde man, terwijl hij slechts 54 jaar oud was. Jonger dan ik nu.

Ondanks dat, en alle vlekken en doorhalingen, het is opvallend hoe leesbaar alle details uiteindelijk zijn. Zelfs met dubbele partijen die een balk delen, zoals de houtblazers en zelfs de celli
en contrabassen, blijft steeds duidelijk welke noot of rust voor wie is bedoeld.
Ik ben benieuwd wat ik de komende tijd allemaal tegen kom. 


zaterdag 14 november 2020

Werken met een topdirigent

 In deze tijd zit je als orkest thuis of je treedt op in lege of bijna lege zalen. De Berliner Philharmoniker eindigden onlangs hun voorlopig laatste concert met Cage's  4'33", het iconische werk dat staat voor stilte, voordat ze weer voor een periode in lockdown gingen. Hun Weense evenknie de Wiener Philharmoniker doen het anders. Terwijl de Staatsoper het huis gesloten heeft reizen zij enkele weken door Japan voor een substantiële serie concerten onder Gergiev. De musici worden om de paar dagen getest en reizen in een afgesloten trein, komen zo min mogelijk in contact met anderen, maar spelen ondertussen gewoon in traditionele opstelling en ongetwijfeld op hun hoge niveau. Dat kan dus ook.

Die Wiener Philharmoniker is een interessant fenomeen. Eigenlijk een groep musici uit het orkest van de Staatsopera die in hun vrije tijd ook symfonisch repertoire willen spelen. Een chefdirigent hebben ze daarbij niet nodig. Nu het Concertgebouworkest een tijdlang een chef dreigt te moeten gaan missen worden de Weners nog weleens als inspirerend voorbeeld genoemd, maar ik weet niet of die vergelijking helemaal opgaat. Zeker nu, in deze tijd van beperkingen, merken wij in Rotterdam wel hoe prettig het is dat we met Lahav keuzes kunnen maken en een bepaalde richting in slaan. Geen chef hebben de Wiener, maar natuurlijk wel dirigenten die al vanwege de frequentie van concerten, of als chefdirigent van de Staatsoper, met het orkest verbonden zijn. Herbert von Karajan was zo iemand. Van 1956 tot 1964 was hij Direktor van de Wiener Staatsoper, met ruzie vertrokken, en tijdens en na die periode heeft hij veel met Philharmoniker opgetreden en opgenomen. Vooral in de tijd dat er grote spanningen ontstonden bij zijn eigen orkest in Berlijn kwam hij weer vaker naar Wenen en nodigde het orkest ook uit voor zijn Festspiele in Salzburg.


Onlangs ontdekte ik op Youtube een serie interviews, georganiseerd door het Karajan Institute, met leden van de Wiener Philharmoniker, deels gepensioneerd, over hun ervaringen met Karajan. Ik heb daar met veel plezier naar geluisterd. Er zijn gesprekken opgenomen met mensen als solo-bassist Michael Bladerer , aanvoerder tweede violen Helmut Zehetner, concertmeester Rainer Küchl, en voormalige Vorstand Clemens HellsbergDe meest interessante vond ik soloklarinettist Peter Schmidl. Schmidl is een man die prachtig kan vertellen, waar je graag een avond mee in een Weens café gaat zitten, en die vanuit eigen ervaring een vergelijking tussen de orkesten van Wenen en Berlijn kan maken. Het onderwerp van deze gesprekken mag dan deze unieke dirigent zijn, waarover ik veel hoorde dat ik niet wist, maar je krijgt vooral ook een beeld van hoe zo'n orkest functioneert en wat daarin belangrijk is voor de musici. En dan vraag ik me meteen af of we zoiets in Rotterdam ook niet eens zouden moeten doen.

In de tijd dat er in Berlijn een vacature voor soloklarinet was, vermoedelijk in de jaren 70, werd Schmidl op voorspraak van Karajan uitgenodigd daar regelmatig mee te spelen. Het bleek mogelijk de definitieve overstap te maken maar dat heeft hij niet gedaan. Wel opvallend dat hij de sfeer onder de musici in Wenen veel meer ontspannen en elegant noemt. er zijn veel verhalen over orkesten van topkwaliteit waar musici liever niet spelen, of zelfs het orkest verlaten vanwege de manier waarop musici met elkaar omgaan, die overal weer verschillend is en ook wel met de tijd verandert. Recente verhalen uit Berlijn, zoals ik ze af en toe hoor, zijn minder positief. Schmidl verklaart het verschil in dat opzicht tussen Berlijn en Wenen door de aanwezigheid van een chef-dirigent. Zo iemand kun je gebruiken om je frustratie op te projecteren, hem verantwoordelijk te maken voor het spelniveau, terwijl de musici in Wenen zelf verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit, wat dan tot spanningen onderling kan leiden. Schmidl hoort in Berlijn een slankere blazersklank, vooral geschikt voor het symfonische werk, tegenover een wat vollere klank, specifiek bij de hoorns, waarmee je bijvoorbeeld in een Wagner-opera wonderen kan verrichten.

Alle musici krijgen de vraag voorgelegd welk concert met Karajan hen speciaal is bijgebleven. En hoe individueel die ervaring ook is, er zijn bepaalde momenten die vaak genoemd worden, zoals het eenmalige Nieuwjaarsconcert, dat ik me vanachter mijn televisie ook nog goed kan herinneren, en een Achtste van Bruckner in de Carnegie Hall. Schmidl komt met een opvallende keuze: de Pathétique met de Berliner Philharmoniker in het Théâtre des Champs Elysées. Dat vind ik fijn om te horen. Wij kennen de zaal, zouden er dit seizoen ook weer een paar keer spelen, en hebben er ook veel gedenkwaardige concerten beleefd. Mooie herinneringen komen naar boven als hij dat noemt, maar ook elke keer als de interviewster aan het begin van het filmpje de Weense Musikverein binnenstapt. Ik hoop daar zelf ook weer snel te kunnen zijn en spelen.  

,




zaterdag 26 september 2020

Handschrift

 Ik heb 'm al jaren in de kast staan, maar nu we de symfonie weer gaan spelen moet ik er toch eens rustig naar kijken; het handschrift van de Eerste van Brahms.

Er bestaan tegenwoordig allerlei wetenschappelijke uitgaven, zogenaamde urtext-edities, zodat we als musici van verantwoord materiaal kunnen spelen, maar er gaat voor mij toch niets boven het handschrift van de componist. Zo'n manuscript is natuurlijk niet altijd het laatste woord - soms zijn er verbeteringen te vinden in eerste uitgaven - maar het biedt, nog afgezien van de noten en aanwijzingen die er in staan, een veel persoonlijker indruk dan welke uitgave dan ook. Ik denk dat de emotie waarmee het is neergeschreven iets laat zien van wat belangrijk is voor de componist en dus ook voor de uitvoerenden. Maar misschien is dat wishful thinking. Ik heb deze uitgave destijds in de ramsj gekocht, tegenwoordig is ie ook op internet te vinden  Hier vind je de partituur.

Als je hem gevonden hebt merk je dat het eerste deel helaas ontbreekt. Gelukkig blijft er genoeg over om je over te verbazen, details die niet in de verantwoorde Henle-editie staan die we bij het orkest gebruiken. Ik zal er voor geïnteresseerden een paar uitlichten.


Dit zijn de eerste maten van het hoofddeel van de finale, na de langzame inleiding. Je leest hoe Brahms de tempo-aanduiding verfijnt van Allegro con brio naar Allegro non troppo, ma con brio. Blijkbaar was hij bang dat het anders te snel gespeeld zou worden. Die voorzichtigheid kennen we wel van hem. Opvallender nog, en misschien gedeeltelijk vanuit dezelfde gedachte, vind ik de puntjes op de achtste noten in beide vioolstemmen met het beroemde thema. Ze staan onder een boog, worden dus gebonden, maar door de punten zullen ze extra gearticuleerd worden. Als je die punten tenminste serieus neemt, want ze staan niet in het gedrukte materiaal, dus niemand ziet het. Misschien heeft de componist zich later bedacht, maar dan nog ik zie het toch als aanwijzing hoe je het thema zou moeten spelen. Vier maten later staan ze ook weer, maar ze ontbreken als het thema ruim honderd maten later terugkeert. Daar zit wel een logica in.

Aan het begin van deze finale vond ik een ander subtiel detail dat in de gedrukte partituur ontbreekt:

Het gaat om een detail wat menigeen gemuggezift zal vinden, maar wat onder musici nog weleens tot discussies leidt: het verschil tussen fp en sfp. In het eerste geval begin je de noot sterk en schakel je direct over naar een zachte dynamiek. Eerst forte dan piano op eenzelfde noot. Met de 's' ervoor is er sprake van een sforzato aan het begin van de noot, dus een accent. Dat accent wordt vaak ook bij fp gespeeld maar is daar strikt genomen niet voorgeschreven. Wat Brahms hier doet, en dat vind ik opmerkelijk, een sforzato in de stemmen met een liggende noot, zoals de lage strijkers en de contrafagot, en een fp in de melodische stemmen. Dat verschil heb ik nog nooit in een gedrukte uitgave gezien.

Nieuw voor mij waren ook de plekken waar hij extra maten heeft ingevoegd, in de finale en het scherzo:

Dit zijn twee extra maten tegen het eind van de symfonie. Dat valt eigenlijk wel mee. In het derde deel zien we de plek waar hij later negentien maten toevoegt:
Je zou eigenlijk eens moeten horen hoe het geklonken zou hebben zonder die aanpassingen om een beter idee te krijgen van het scheppingsproces.

In de volgende uitvoering gaat het om twee hoge violenkreten in de finale (52:39/40) en de dialoog tussen fluit en hobo in het scherzo (33:53 - 34:25): 

Een prachtige symfonie waar we de komende week lekker met Lahav aan kunnen werken. Hij komt dan net uit Berlijn, waar hij zijn debuut bij de Philharmoniker heeft gemaakt met de Eerste van Schumann. Ik ben benieuwd welke invloed die partituur en de ervaring met dat orkest op onze repetities zal hebben.





vrijdag 11 september 2020

Premières

 Ik denk niet dat ons Rotterdams Philharmonisch in het bijzonder geassocieerd wordt met het spelen van nieuwe stukken maar op een of andere manier paste het toch heel goed dat we het nieuwe seizoen begonnen met een eerste uitvoering. Een opdrachtwerk in coronatijd. Voor de koperblazers die het extra moeilijk hebben nu grote bezettingen niet passen. En zeker niet met veel blazersvolk. Nederlandse muziek en bovendien gecomponeerd door een vrouw.

De politiek kon tevreden zijn, maar wij waren het ook. De opdracht was vooral het resultaat van het succes van eerder werk dat Mathilde Wantenaar voor ons schreef. En de moed en de tijd om de uitdaging aan te gaan om op korte termijn passende muziek voor de gelegenheid te componeren. En die gelegenheid is niet alleen de tijd van corona, met alle aanpassingen die je als orkest moet doen om voor publiek te kunnen spelen. De gelegenheid was ook de opening van een bijzonder seizoen. Het waren dus de eerste klanken die het publiek weer van ons hoorde. Voorafgegaan door een ontvangstwoord van de chefdirigent en gedirigeerd door onze verse assistent-dirigent. In meerdere opzichten een optimistische blik naar de toekomst. Of dat optimisme terecht is zullen we moeten afwachten maar we hebben het wel heel hard nodig.  

En de premiere van Wantenaar staat niet op zich. Er zijn meer verse noten gepland de komende weken. Ook Florian Maier, die bij velen goed gescoord heeft met een swingend stuk voor ons honderdjarig jubileum is de uitdaging aangegaan. En een van de leidende componisten op het internationale podium, de Fin Magnus Lindberg, heeft ook een stuk voor ons afgeleverd. Dat was al veel eerder besteld, maar omdat het is toegespitst op een Beethovenbezetting, kan dat gewoon op het programma blijven staan. Wat dat betreft hebben we geluk met 2020.

Overigens levert dit Beethovenjaar nog andere premieres op. Dat wil zeggen eerste uitvoeringen door ons orkest. We begonnen al met Wellingtons Sieg op het nieuwjaarsconcert. Maar het lijkt er op dat de ouverture die Gergiev op zijn programma heeft staan, Die Ruinen van Athen, ook nooit door ons is gespeeld. En zelfs succesnummers als Coriolan en Egmont spelen we niet zo vaak meer als in de tijd van de Beethovencycli, die traditioneel het seizoen afsloten. En ik moet zeggen dat ik dat, naast de behoefte aan nieuw en spannend repertoire, ergens ook wel jammer vind.
Hetzelfde weekend begonnen we overigens ook bij Domestica Rotterdam in de Laurenskerk met ons nieuwe seizoen. Het bleek nog te vroeg om weer een nieuw stuk van een compositieleerling van Codarts op de lessenaars te zetten, maar er waren wel mooie nieuwe noten in instrumentale bewerkingen die Jan Willem Nelleke voor de gelegenheid had gemaakt van songs van Dowland. Prachtige droevige muziek van vier eeuwen geleden. Ook premières dus, en net zo welkom, wat mij betreft.





dinsdag 4 augustus 2020

Conductor's chat 2


Na de boeiende gesprekken met collega's dirigenten, die Alan Gilbert had geïnitieerd en op internet geplaatst - de laatste was eind mei met nestor Herbert Blomstedt - is het op dat front helaas stil gebleven. Dat kan een goed teken zijn, als de dirigenten weer 'gewoon' aan het werk zouden zijn, maar ik had me verheugd op meer inspirerende discussies over het vak.
Onlangs kwam ik wel een ander, soortgelijk initiatief tegen van pianist Kirill Gerstein - regelmatig te gast bij het Philharmonisch als solist, onder de titel Kirill Gerstein invites. Namens de Hochschule für Musik Hans Eisler, als onderdeel van het eislerlab, voert hij  gesprekken met zeer uiteenlopende experts over velerlei onderwerpen
Een gesprek met Ivan Fischer was het eerste wat ik tegenkwam maar de serie lijkt al veel meer interessants te hebben opgeleverd. Daarover wellicht op een later moment.
Fischer geldt internationaal als een van de meest interessante dirigenten van het moment, niet alleen door de kwaliteit van zijn uitvoeringen, live en op cd, maar zeker ook vanwege de ideeën die hij met 'zijn' Boedapest Festival Orkest realiseert. Hij beschouwt het orkest zelf als een laboratorium voor het orkest van de toekomst, waarbij dus niet alle initiatieven en experimenten succesvol zijn maar waar zeker belangrijke resultaten geboekt worden. En in een fase waarin alle orkesten over de hele wereld zich de vraag moeten stellen hoe ze verder kunnen kan het zinvol zijn naar Fischers ideeën daarover te luisteren.
Een link naar het gesprek heb ik hieronder toegevoegd, maar voor wie niet het geduld of de tijd heeft het helemaal te beluisteren zal ik er een paar elementen uit halen.  
Wat alle orkesten nu parten speelt is de moeilijkheid of onmogelijkheid om met veel musici op een podium te zitten en tegelijk de benodigde afstand te houden. Het samenspel wordt niet alleen bemoeilijkt maar een aanzienlijk deel van het repertoire kan voorlopig helemaal niet worden gespeeld. Voor Fischer en zijn orkest lijken die problemen wat minder desastreus. Vanuit het ideaal van mensen als Pierre Boulez en de legendarische Ernest Fleischmann, die de toekomst van het orkest zien in een pool van musici, inzetbaar waar en wanneer je ze nodig hebt, met de mogelijkheid om gespecialiseerde groepen binnen je orkest te hebben, bereik je een grotere flexibilieit en een breder repertoire om uit te kiezen. Fleischmann was ooit orkestmanager, eerst bij het London Symphony later in Los Angeles, twee van de meest succevolle en flexibele orkesten ter wereld. In hoeverre dit idee daar is verwezenlijkt weet ik overigens niet. In Boedapest werken ze, aldus Fischer, met verschillende 'circles' van musici, waarbij de inner circle bestaat uit ruim zestig musici, als kern waaromheen andere musici met minder vaste verbanden zijn gegroepeerd. Musici houden kunnen zich in kleinere groepen bezig houden met ander repertoire, worden daar ook in gesteund en gestimuleerd, zoals bijvoorbeeld volksmuziek, dat in de orkestprogrammering zinvol kan worden ingepast.
Ik zou het heerlijk vinden als zoiets bij ons meer zou kunnen, de oprichting van Domestica Rotterdam kwam ooit uit soortgelijke idealen voort, maar er zitten ook nog wel wat haken en ogen aan. Toch kunnen we allemaal leren van ervaringen elders en daar misschien in Rotterdam van profiteren.
Fischer pleit op een sympathieke, humane manier voor minder duidelijke grenzen tussen de winnaar van een auditie en de runner up en ook voor een geleidelijker vorm van met pensioen gaan, waarbij oudere musici in een overgangsperiode wat uit de wind kunnen worden gehouden voordat ze definitief op een vastgestelde leeftijd afscheid moeten nemen. 
Interessant vond ik zijn constatering dat de gebruikelijke lengte van internetfilmpjes met klassieke muziek en de gemiddelde popsong en veel van de muziekstukken uit de Renaissance opvallend overeenkomen; zo tussen de 2 en 4 minuten. Blijkbaar de spanningsboog die we toen en nu weer als prettig ervaren.
Ik had al eens gehoord over de repetities bij zijn orkest, die doorgaans beginnen met het spelen van een koraal van Bach, en ik kan me voorstellen dat dat inderdaad heel goed werkt om de oren schoon en in dezelfde richting te krijgen. Wat ik nog niet wist is dat het idee kwam van Heinz Holliger. 
Ik zou het niet erg vinden als Lahav hier bij ons ook ooit mee zou gaan experimenteren.
Het zingen door de orkestleden is een wat ingrijpender project en zou bij ons en andere orkesten vast op de nodige weerstand kunnen rekenen, maar ik vind het heel goed dat ze daarmee in Boedapest bezig zijn.Alles om de ervaring als orkest en orkestmusicus te verrijken en daarmee ook de bandbreedte van wat je je publiek aan kunt bieden. 
Ik kan iedereen aanraden om dit gesprek te beluisteren en te volgen wat er in het laboratorium van het Boedapest Festival Orkest gebeurt.  



maandag 1 juni 2020

Conductor's chat

Het is niet raar dat er in deze uitzonderlijke tijd nieuwe fenomenen opduiken die misschien in de toekomst nog van waarde kunnen zijn. 
Een interessant voorbeeld vond ik het initiatief van dirigent Alan Gilbert voor een 'conductor's chat' die hij voor iedereen toegankelijk op zijn facebook-pagina zet.
Vier dirigenten via Zoom met elkaar in gesprek.
In ongeveer een uur tijd wordt ingegaan op hun persoonlijke situatie, hun observaties en hun verwachtingen.
De eerste keer waren Simon Rattle, Daniel Harding en Karina Canellakis zijn gesprekspartners, de tweede keer was de beurt aan Esa Pekka Salonen, Antonio Pappano en Marin Alsop.
Tussen een aantal verrassende inzichten en constateringen overheerst in de discussies vooral een gevoel van ongemak en onzekerheid. Everything is a guess. Je kunt speculeren over de toekomst en je hebt ook een zekere verantwoordelijkheid daarin, zowel naar het publiek toe als naar je musici, maar je hebt geen idee wat wanneer mogelijk zal zijn.
Bij gastheer Gilbert in Stockholm is dat vooralsnog beter dan elders in de wereld. Hij had alweer concerten met zijn orkest gegeven. Weliswaar zonder publiek en op afstand van elkaar, maar hij had het niet louter als negatief ervaren. Echt gestopt zijn ze daar, geloof ik, niet, terwijl hier eindelijk voorzichtig weer wat begint. Al voor 1 juni zat het KCO verspreid over het publieksgedeelte van de grote zaal van het Concertgebouw, inclusief de blazers, terwijl dat in onze veiligheidsregio nog een punt is. Toch gaan we volgende week ook alweer met Lahav aan de slag, verspreid over het podium.
De zorgen zijn groot. Hoe gaat de toekomst van de orkesten en de musici daarin er uitzien? Het London Symphony Orchestra van Rattle en het orkest van Baltimore, waar Alsop voor staat kunnen niet rekenen op staatssubsidies, zoals de meeste orkesten in Nederland en Duitsland bijvoorbeeld.
Canellakis, sinds kort chef bij het Radio Filharmonisch, benadrukte het voordeel van radio-orkesten in deze situatie. Niet alleen omdat ze door omroepen betaald worden maar ook vanwege de hele infrastructuur, waarin je met microfoons, camera's en studio's producties kan maken waarmee je je publiek via de ether of het internet kan bereiken. Je kunt daarvoor nu ook nieuwe, eventueel educatieve, formats voor gaan ontwikkelen en de vrijgekomen tijd daardoor goed gebruiken.
Simon Rattle blijkt overigens de enige in dit gezelschap die niet aan aan omroeporkest is verbonden. Harding, chef bij de Zweedse Radio, benadrukt hoe curieus de huidige situatie voor hen is. Het doel van zo'n orkest was ooit in de eerste plaats het maken van studio-opnames, zonder publiek. Dat lijkt, als een studio maar groot genoeg is, niet het grootste probleem. Maar eigenlijk alle radio-orkesten zijn die studio inmiddels wel ontgroeid en kunnen de aanwezigheid van levende luisteraars en een mooie concertzaal maar moeilijk missen.
Het belang van publiek wordt in deze tijd nog meer dan anders gevoeld..

Verschillende operahuizen hebben de laatste jaren ervaring opgedaan met het streamen van voorstellingen, waaronder Pappano's Royal Opera House. Niet dat ze dan voor een lege zaal optreden, maar op hetzelfde moment, en vaak ook nog op latere momenten volgen duizenden toeschouwers in bioscopen over de hele wereld dezelfde voorstelling. Zo zag ik dit seizoen een voorstelling van Wozzeck die Yannick in New York dirigeerde. En wat Pappano benadrukt, en wat ik toen ook merkte, is dat zoiets niet in alle opzichten een mindere ervaring is dan vanuit een stoel in het theater (de term die in deze discussies gebruikt wordt: water down version, als ik het goed heb verstaan). Je wordt weliswaar in je beeld beperkt, gestuurd door de regisseur van de beelden, en ziet daardoor veel andere dingen niet, maar je krijgt er wel close-ups voor terug. En als het goed gebeurt en de zangers houden er rekening mee kan dat absoluut een meerwaarde zijn. Ook het geluid en de balans van de muziek kan in zo'n registratie gestuurd en aangepast worden, waardoor details over het voetlicht komen die anders in het water vallen.
Voorlopig lijkt helaas van nieuwe operavoorstellingen, onder de huidige regels en beperkingen, nog geen sprake, maar er ligt vast nog veel op de plank waar we van kunnen genieten. Ook bij DNO, overigens. Ik zag al een prachtige Don Carlos maar heb ook nog wel een paar andere producties op mijn verlanglijst staan.
Belangrijke vragen passeren tijdens de gesprekken de revue. Welke invloed zal de huidige situatie op de toekomstige programmering hebben, wordt het conservatiever of juist niet? En de behoefte aan 'new leadership' wordt door deze muzikale leiders sterk gevoeld. 
Maar ze stippen gelukkig ook de 'gewone' dirigentenissues aan. Pappano komt met een detail uit het begin van de Zevende van Mahler, dat op verschillende manieren te interpreteren is. En dan merk je hoe iedereen zich weer lekker voelt op bekend terrein.
Ik heb genoten van deze twee sessies en hoop dat Gilbert er nog vele laat volgen.
Het format lijkt geschikt om met andere en misschien ook wel weer dezelfde dirigenten aan kenners en liefhebbers nieuwe inzichten te verschaffen over tal van dirigentenzaken.
Ik begreep dat hij inmiddels nog een gesprek met de nestor onder de dirigenten. Herbert Blomstedt, heeft gevoerd. Hij schijnt nog in blakende gezondheid te zijn en zit nooit verlegen om een paar stevige uitspreken. Maar altijd vanuit en zijn passie en vol sympathie.
Ik ben benieuwd. 


   

zondag 10 mei 2020

Met de moedermelk

Af en toe komt er op facebook een challenge voorbij die gelukkig meestal aan mij voorbijgaat.
Het past niet zo bij mij en hoe ik met het medium omga.
Dit keer werd ik wel door twee vrienden uitgedaagd om '10 achtereenvolgende dagen een foto te plaatsen van een musicus die van invloed is geweest op mijn leven en bepalend voor mijn muzikale voorkeur'. Begeleidend commentaar niet gewenst en je moest zelf ook weer tien slachtoffers zien te vinden.
Ik heb beide keren deze handschoen laten liggen maar wil best eens op zoek naar wie in het verleden belangrijk zijn geweest voor de vorming van mijn muzikale smaak en persoonlijkheid.
Een beetje uit de losse pols, zeg maar, maar niet alleen met foto's.
En ook niet op achtereenvolgende dagen.
En dan begin ik, hoe kan het anders, met mijn moeder.
Misschien is dat niet de bedoeling van de challenge, maar in mijn geval is daar alle reden toe.
En geen beter moment dan moederdag.
Marian Beinema-Pars was in 1936 geboren op Oost-Java en overleed ruim drie jaar geleden in Middelburg. Daar was het ook dat ik het levenslicht zag en mijn eerste muzikale indrukken tot mij nam.
Ik weet niet hoeveel daar wetenschappelijk over bekend is, maar kan me niet anders voorstellen dan dat muzikale indrukken tijdens de maanden voor mijn geboorte - vanaf wanneer kun je horen?- hebben bijgedragen aan mijn vorming.
Ik moet haar hebben horen piano studeren en zingen als sopraan in het koor.
De Johannes Passion stond elk jaar op het programma en ze had het later ook wel eens over de Negende Beethoven, met al die hoge noten, die ze met een dikke buik stond te zingen, maar dat kan ook bij een van mijn broers geweest zijn.
De ritmieklessen die ze gaf, daar moet ik als foetus ook bij geweest zijn.
En later weer als kleuter, als leerling in de groep.
Ze gaf ritmiek volgens de ideeën van Dalcroze en was opgeleid aan het conservatorium in Rotterdam, toen nog aan de Mathenesserlaan.
Ik kwam laatst nog de advertentie tegen waar ze, begin jaren 50, als middelbare scholier waarschijnlijk op gereageerd had.
Lerares Rhythmische Gymnastiek, vak dat meisje bevrediging kan schenken.
Het is alsof je de stem van Philip Bloemendal erbij hoort.
Maar ik geloof zeker dat het haar bevrediging geschonken heeft - ook als werkende getrouwde vrouw in een tijd dat dat allerminst vanzelfsprekend was - en de talloze kinderen die daarvan mochten profiteren evenzeer.
Als ik me probeer te herinneren wat ik ervan heb meegekregen gaat dat vooral over het ervaren en uitdrukken van muziek met je lichaam. Het ging dan om hele simpele dingen als hoog en laag, hard en zacht, maar ook om het samendoen, het sociale aspect.
Ik weet niet of hier tegenwoordig nog iets mee gebeurt, misschien zijn er andere dingen voor in de plaats gekomen, maar het zou voor velen heel zinvol zijn.
En het kan niet anders of het heeft mij muzikaal gevormd.
Wat ik me daarvan nog levendig herinner waren de uitvoeringen in de schouwburg, samen met de leerlingen van de balletschool. De theater-sfeer achter het podium, waar ik mocht helpen toen ik wat ouder was, was een magische wereld, die me nog steeds erg aanspreekt.
Ik weet niet zeker waarom ze met de lessen gestopt is, maar ze is zich gaan toeleggen op muziektherapie met gehandicapten. Dat kreeg waarschijnlijk voorrang en daar is ze tot haar pensionering mee doorgegaan. Ik kan me voorstellen dat ze daar nog meer bevrediging in vond.
Mensen die moeilijk benaderbaar zijn kun je vaak nog wel met muziek bereiken, en dat was zeker een van haar grote talenten.

Dat communiceren met muziek gebeurde natuurlijk ook binnen het gezin.
Ik zie mezelf nog op de foto als jongetje met een tamboerijn en ik kreeg natuurlijk ook pianoles.
Pianoles heeft ze altijd gegeven, aan jong en oud, tot in de laatste maanden van haar leven:
Op de piano was ze heel handig. Met improviseren maar ook met het spelen van begeleidingspartijen, waar ik veel van profiteerde. En met een broer die viool speelde bleef dat natuurlijk niet beperkt tot cellosonates.We hebben aardig wat pianotrio's, op ons niveau, ingestudeerd en soms ook gezellige muziekfeestjes met andere Middelburgse families uitgevoerd.
En ik ben ervan overtuigd dat die kamermuziekervaring, luisteren naar elkaar, een mening vormen over hoe het beter kan, ook heel belangrijk is geweest voor mijn latere muzikale ontwikkeling.
Het waren overigens ook wel momenten waarop je lekker kon ruzie maken.
Geen idee overigens wat ik op deze foto met die strijkstok uitvoer.
Muziek maken heb ik dus voor een groot deel van mijn moeder geleerd.
Maar ook in het muziek luisteren speelde zij een belangrijke rol.
Het pianorepertoire dat zij speelde als ik in bed lag.
Ik denk dat ik me sommige stukken ook nog herinner, maar dat kan inbeelding zijn. Een impromptu van Schubert, Haydns Variaties in f . Pianomuziek als het zand van Klaas Vaak.
En later de concerten waar ze me mee naar toe nam.
De koffieconcerten, die toen in de jaren 70 in de mode waren, met alle mogelijke vooral Nederlandse ensembles. Concerten van het Zeeuws Orkest, waar solisten als Herman Krebbers en Tibor de Machula kwamen spelen. Maar misschien nog wel belangrijker in dit verhaal is het jaarlijkse Festival Nieuwe Muziek, waar in een laagdrempelige omgeving grenzen werden opgezocht en overschreden en de internationale top kwam. Feldman, Xenakis, Pousseur, Cage, het Arditti Quartet, Frances Marie Uitti. Ik ging vaak met haar mee en kreeg zo bepaald een gevarieerd beeld van wat er op muziekgebied allemaal mogelijk is.
Ook op het gebied van de oude muziek werden we overigens goed voorzien en voor mijn ouders was later een bezoek aan het Festival Oude Muziek vaste prik.
Alleen opera ontbrak in het aanbod. Dat heb ik later zelf in moeten halen.
En toen ik eenmaal 'in het vak' zat, volgde ze met veel belangstelling de concerten die ik speelde en programmeerde. Zelden miste ze onze Domestica-concerten in de Laurenskerk en ze had na afloop altijd zinvol commentaar, waar ik wat mee kon.
Kortom: de belangrijkste en meest langdurige invloed op mijn muzikale ontwikkeling kwam van mijn moeder.
En ik prijs mij daar gelukkig mee.