woensdag 29 augustus 2012

Het Gele Label

DEUTSCHE GRAMMOPHON.

DGG, eigenlijk, want het is een 'Gesellschaft'.
The Yellow Label, op zijn Engels. Het ijzersterke logo als handelmerk.
Das tradtions-reiche Prestige-Etikett.
In de hoogtijdagen van de langspeelplaat was het een van de belangrijkste maatschappijen met een rijke traditie en een grote reputatie. En dat is het nog steeds, hoewel het (cd-)landschap er inmiddels wel wat anders uitziet.
Het begon in 1898, in Hannover, maar ik denk niet dat ze toen ook al dit etiket gebruikten.
Het doet me een beetje denken aan de goudomrande cartouches met componistennamen in het Concertgebouw. Respect, waardigheid, een beetje verering wellicht.

Veel van de eerste platen die ik van mijn zakgeld kocht zagen er zo uit, en dan wist je dat het goed was.
Karajan met Beethoven, Abbado met Brahms, Oistrach met Bach, Amadeus Quartet.
En toen Bernstein bij DGG kwam leek hij opeens veel succevoller, veel interessanter dan bij CBS.
Maar dat was vooral een gevoel, gevoed door reclame en de manier waarop het verpakt werd.
Ik weet niet in hoeverre dat nog steeds opgaat. Maar het is wel hetzelfde etiket dat wij nu op onze cd's mogen zetten.

Of liever: de naam van het Rotterdams Philharmonisch Orkest verschijnt op hun cd's.
Misschien vooral de naam van Yannick. Op een serie van een drietal schijfjes.
En dat daar meer op staat dan begeleidingen van een grote solist is in deze tijd bijzonder.
De Pathétique van Tsjaikovsky.
Een symfonie. En niet zomaar een symfonie.
Hartverscheurende muziek, een afscheidswerk, een laatste noodkreet, een verholen liefdesbekentenis aan zijn neef. Wat je er ook maar in horen wilt.

We hadden het stuk nog nooit samen uitgevoerd, maar kennen het stuk natuurlijk goed.
Vorig seizoen speelde het orkest het nog met Saraste, Yannick dirigeerde het deze zomer bij zijn Amerikaanse orkest. En zo begonnen we afgelopen week in de Doelen aan de opnames.
We hadden vrij veel tijd om er iets moois van te maken, om lastige passages te herhalen, om zaken nog beter op elkaar af te stemmen.
Ik begreep dat het opnameteam over uitzonderlijk goede microfoons kon beschikken, maar daar zitten natuurlijk ook nadelen aan vast. Het omslaan van de pagina's, niet altijd te vermijden, wil je op een cd niet horen, dus daar werden extra takes voor opgenomen. Maar het voetenwerk van een dirigent eiste drastischer maatregelen: een tweetal dekens, de bovenste oranje, vormde een effectieve bescherming tussen zijn zolen en de bok.

We kregen schone partijen, ontdaan van alle mogelijke streken en vingerzettingen van decennia. Alleen het hoognodige.
Een Amerikaanse heruitgave van de bekende Breitkopf&Härtel, materiaal waar elk Westers orkest van speelt. Een curieuze uitgave overigens, want er is meteen een bewerker mee aan de slag gegaan, die in verschillende stemmen extra noten heeft genoteerd, voor het geval je het stuk met een incompleet orkest gaat spelen. Vooruitlopend op drastische bezuinigingen?
De naam van de bewerker, Martin Schmeling, hebben de Amerikanen geschrapt maar zijn toevoegingen, Einzeichnungen für vereinfachte Besetzung, staan er nog steeds. Zo kunnen wij in de openingsmaten een stem van de basgroep overnemen (zie foto boven).  En als de vierde hoorn zich voor het eind van het eerste deel verslikt staan wij ook weer reserve.
Een zeldzaam geval, dat ik alleen van dit stuk ken.
Maar waarom juist de Pathétique, en zou het weleens zo worden uitgevoerd?

Er is wel een beruchte passage waar Tsjaikovsky vaak wordt 'verbeterd', vlak voor de grote catastrofe in het eerste deel, als de componist naar zijn zachtste dynamiek afdaalt. De klarinet mijmert wat na op de meeslepende melodie, dolce possibile, en verdwijnt in het niets tot ppppp. Vijf piano's, ik weet niet hoe je dat uit moet spreken. Pianisississimo? Lastiger nog is het om het te spelen. Maar onmogelijk wordt het als een fagot de lijn afmaakt tot pppppp!!
Meestal wordt hier gekozen voor een basklarinet, die veel makkelijker een zachte toon kan voortbrengen.
Beide alternatieven hebben we opgenomen. Ik ben benieuwd waarvoor gekozen gaat worden.
(ook bij Karajan klinkt ook een basklarinet, natuurlijk buiten beeld: 10.21):

Het zal nog wel een jaar duren voor het schijfje in de schappen ligt, althans in Europa.
Het schijnt dat China, waar we de symfonie aan het eind van dit seizoen gaan spelen, al eerder van het resultaat mag gaan genieten.
En een prachtige opname zal het vast wel worden.
We hebben er hard en intensief aan kunnen werken, schaven aan details, voortdurend op het puntje van de stoel, en dat is altijd nuttig voor een orkest. Daar wordt je alleen maar beter van.

En trots dat we op het gele label staan?
Het geeft zeker een goed gevoel en is onmiskenbaar een vorm van erkenning.
Maar ik moet toegeven dat mijn zoon mij is voorgegaan, een paar jaar geleden, als jongenssopraan in een opname van de Mattheus Passion.
In een Nederlandse hertaling, overigens.
Ook dat past blijkbaar bij het Duitse label.

maandag 20 augustus 2012

Alweer vijf!

Het was geen onverdeeld genoegen, vrijdagavond, om dat warme zwarte pak weer aan te trekken.
En dan mochten we nog blij zijn dat we niet op zaterdag of zondag het podium op moesten.
Een Amsterdams Concertgebouw vol luchtige zomerse kledij ontving ons desondanks met gejuich.

Maar een genoegen was het natuurlijk ook.
Twee prachtige symfonieën van Brahms in die warme akoestiek, samen met Yannick, die op deze manier aan zijn vijfde seizoen bij ons begon. Toen hij dat zei was iedereen verbaasd dat het al zo lang geduurd had. Het lijkt nog zo kort geleden dat hij begon en het voelt nog fris en avontuurlijk.



En vertrouwd, want deze symfonieën hebben we allebei vorig seizoen gespeeld.
De Vierde en het Requiem komen dit najaar aan de beurt.
Zo ontwikkelen we met Yannick een Brahms-stijl, die weer heel anders is dan de manier waarop we bijvoorbeeld met Gergiev speelden. Bij het Deutsches Requiem kunnen we dat rechtstreeks vergelijken met de dvd-registratie van Valery's prachtige afscheidsconcert.
Yannick streeft een slanker klankideaal na, met vaak ook wat vlottere tempi.
Geen Bruckner-klank, geen 'plofkip'.
Ik denk dat dat vrijdag het beste lukte in de Tweede, die ook wat lichter van toon is.
Ik was blij met zijn keus om de finale attacca aan het scherzo te spelen.
Het legt wat minder gewicht op die eerste maat, met dat onhandige pp-accoord in het koper.
Als een Canadese 'corn-party' moest het klinken, maar dan op grote afstand. Ik ben niet zo'n mais-liefhebber.

Dat het programma opende met de Eerste was een verrassing. Zo stond het niet op onze lijst maar blijkbaar wel in het programma. Maar ach, wat maakt het uit?
Op zich is dat best een interessante vraag.
Ze eindigen beiden met krachtige accoorden in majeur, maar ze vertellen een heel verschillend verhaal.
De moeite die het hem kostte, de strijd die geleverd moest worden, om onder de machtige schaduw van Beethoven uit te komen bepalen vooral de hoekdelen van de Eerste. Dan lijkt het misschien logischer om de Tweede, componist inmiddels bevrijd van de last, zelfverzekerd en ontspannen, na de pauze te spelen.
Maar voor een ongekeerde volgorde valt ook wat te zeggen, met meer gewicht in de tweede helft, zoals vaak in orkestprogramma's.
Het voelde in ieder geval wat merkwaardig om na de slotmaten van de Eerste pas aan de pauze te beginnen. Dat zijn we niet gewend.

Je merkt natuurlijk ook de overeenkomsten in de stukken, zoals onze pizzicato-begeleiding aan het begin van de scherzi, de ene keer onder een klarinet-thema, de volgende keer met een melodie in de hobo.
En de manier waarop de Tweede naar de toekomst wijst.
Zoals die maten in de finale waarin hij Mahlers Eerste lijkt te citeren.
Dat kan natuurlijk niet. Mahler was als 17-jarige net in Wenen gaan studeren toen de Brahms-symfonie daar in premiere ging. Maar toch voelt het bij Brahms als een citaat en bij Mahler niet (bij 4.38):



Een vriend van mij, aanwezig in de zaal, reisde dit weekend door naar Edinburgh waar Valery Gergiev met zijn LSO Brahms 3 en 4 doet. Ik ben benieuwd naar zijn ervaringen. Kun je de vier symfonieën ervaren als een cyclus, als een groter geheel? Vullen Valery en Yannick elkaar aan in dit repertoire?

Met Yannick storten we ons de komende dagen op echt 'Gergiev-repertoire'.
Zo mogen we Tsjaikovsky's Pathétique toch wel noemen.
Een van de absolute meesterwerken uit de Russische symfonische literatuur.
Komt op cd bij DGG.
Het is maar goed dat de temperatuur inmiddels wat gedaald is want in de Doelen zal het warm genoeg worden.

donderdag 5 juli 2012

Een seizoen afgesloten

Het gebeurt niet vaak dat we ons seizoen afsluiten met onze eigen chef.
En de eerste repetitie in augustus staat hij ook weer voor onze neus.
Een ongekende luxe.

Een luxe die we ons waarschijnlijk niet meer heel lang kunnen permitteren.
Yannick begint na de zomer aan zijn chef-dirigentschap in Philadelphia.
Afgelopen maand was hij daar al weer even voor een Stokowski Celebration.
Een weekend lang concerten om te vieren dat Leopold Stokowski 100 jaar geleden als chefdirigent aantrad en nog lang daarna zijn onuitwisbare stempel zou blijven drukken.
Ik weet zeker dat we in Rotterdam ook nog wel wat van die traditie zullen meepikken.
Stokowski was befaamd om de strijkersklank die hij uit zijn orkest wist te halen. Een van de 'trucs' daarvoor was te zorgen dat niet iedereen in een strijkersgroep dezelfde streek zou nemen, maar dat het zo gemixt wordt dat de nadelen van een bepaalde streekkeuze wegvallen. Yannick begint dat bij ons ook mondjesmaat te introduceren.

Tussendoor was hij ook nog een weekje bij de Berliner Philharmoniker om Daphnis te spelen.
Een slimme keus, na de serie concerten met ons, en voor de cd-opname.
Want daarmee sloten we het seizoen af: opnames voor BIS en voor DGG.
Of de concerten in Berlijn nog veel veranderd hebben aan zijn visie weet ik niet, ik denk wel dat het een mooie opname is geworden. Geen buitenlands koor, maar het onvolprezen Omroepkoor.
In het schema was tijd ingeruimd voor een extra stukje Ravel, maar dat heeft niet zo mogen zijn: er wordt ook buiten de Doelen hard gewerkt, en dat maakte in dit geval zoveel lawaai dat verder opnemen uitgesloten was. Gelukkig stond Daphnis er toen al op!

Later in de week waren er ook nog opnames voor de cd voor DGG met een nieuw supertalent op klarinet, Andreas Ottensamer. Ik was niet nodig, dus weet niet hoe het gegaan is. Ik begreep wel dat sommige dames wat onrustig werden, vanwege zijn uiterlijk, dus dat belooft wat voor het hoesje. In september kan men hem live zien en horen in het Gergiev Festival. 


Maar voor die tijd zal Yannick er ook alweer zijn, meteen na de zomer, als we weer bij elkaar komen. Brahms in het Concertgebouw en in de open lucht van Grafenegg.
Stokowski zal in zijn tijd zeker zoveel bij zijn orkest geweest zijn, het begin, het eind en de meeste weken tijdens het seizoen. Maar tegenwoordig is dat uitzonderlijk.
Hoeveel zal Yannick van zijn roemruchte voorganger overnemen?
Zou een film als Fantasia tegenwoordig nog kunnen?
Of de bewerkingen waar hij beroemd om was, zoals Bachs Toccata en Fuga in d:



Misschien niet een van zijn meest gelukkige arrangementen en bovendien lastig om te spelen.
Maar bewerkingen van Bach en andere oude muziek mogen wat mij betreft best vaker geprogrammeerd worden. Bij Domestica hebben we daar in onze serie in de Laurenskerk veel en positieve ervaringen mee opgedaan. Komend najaar hebben we op dat gebied weer veel mooie (Italiaanse) verrassingen: http://www.laurenskerkrotterdam.nl/programma/agenda/domestica_rotterdam/

Maar ook de Rotterdam Philharmonic Strings komen met een interessante Bach-bewerking: het Dubbelvioolconcert in een versie voor twee celli, met Floris en Daniel als solisten. Dat kan interessant worden! http://www.rotterdamphilharmonicstrings.nl/nieuws.html

En wie daar nog verder in is gegaan is Koen Plaetinck, een van onze slagwerkers. Een hele cd heeft hij volgespeeld met Bach, alles op een marimba. Een prachtig instrument en zeer smaakvol gedaan.
Ik moet zeggen dat ik bij het horen van de viool- en vooral cellomuziek de harswolken, de energie en beweging die bij strijkinstrumenten hoort, weleens miste. Maar de stilte en concentratie die Koen weet te bereiken is het beluisteren waard. Hij speelt de viool-partita komend seizoen ook in de kamermuziekserie van het orkest: http://www.allmusic.com/album/bach-notenb%C3%BCchlein-mw0002112555



Het gaat muzikaal vast weer een mooi seizoen worden.
Maar ook een seizoen waarin duidelijk gaat worden wat de bezuinigingen in orkestenland voor uitwerkingen en gevolgen gaan krijgen. Wat er nog rest van de prachtige orkesten die ons land rijk is, als de kruitdampen zijn opgelost, en hoe de vooruitzichten voor de komende jaren kunnen worden ingeschat.    

Eerst een paar weken vakantie.
Bijtanken, uitrusten, genieten, dat soort dingen.

dinsdag 19 juni 2012

Fans

Vier keer hebben we hem gespeeld.
Deel 2 van Lord of the Rings.
De eerste keer was de generale repetitie, een handjevol mensen in de zaal en de neuzen van veel orkestleden  zoveel mogelijk richting filmdoek.
Je wilde tenslotte toch een beetje een indruk krijgen waar de muziek voor bedoeld was.

The Two Towers heet dit deel, en als ik het goed heb begrepen zit in elk van beide torens een tovenaar, een goede en een slechte, die met elkaar een strijd aangaan.
En niet alleen die tovenaars, want er wordt veel gevochten in die ruim drie uur film.
Oorlogen tussen alle mogelijke duistere wezens die je, als je de film niet echt kunt zien, toch lastig uit elkaar kunt houden. Waarschijnlijk zou je het in de muziek van Howard Shore moeten kunnen horen, maar wat het meeste opviel was het voortdurend gebruik van de lage instrumenten in het orkest. Waar de violen nog weleens op adem konden komen, zaten wij met de bassen onafgebroken door te zagen. Maar ook het lage koper was bezig met een uitputtingsslag. Daarbij vergeleken is een Wagner-opera een peuleschil. Zeker als je die eens in de drie dagen speelt, zoals we doorgaans bij DNO doen.



Toch heeft Shore wel goede muziek geschreven, denk ik. Zeer effectief in combinatie met de filmbeelden en in een herkenbare eigen stijl. Op een gegeven moment lukte het me wel de muzikale vertaling van de figuur Gollem te traceren. Veel hoge noten en flageoletten in de violen en vooral de specifieke klank van de cymbalon, zoals in de scene dat hij in een verboden meertje van bovenaf bespied wordt, vlak voordat hij gevangen wordt genomen.
En de reactie van het publiek, zonder uitzondering steeds juichend en fluitend, pleit ook voor de partituur van Shore. Als orkest, beperkt als we worden door een dirigent die het tempo van de film op de voet volgt, moet je zoiets niet te vaak doen. Maar het is wel een manier om de schijnwerpers op de muziek te richten en het belang daarvan voor een goede film.

Een happening voor de echte fans was het.
Voor de mensen die dan ook alles van de films en de boeken afweten.
En die het niet erg vinden dat het Nederlands voetbalelftal op hetzelfde moment een belangrijke wedstrijd speelt.
De eerste helft van de wedstrijd tegen Denemarken konden we in de atiestenfoyer bekijken, voor wie dat wilde. Orkestleden en koorzangers gebroederlijk naast elkaar om de landgenoten aan te moedigen.
Op dat moment zie je dat onze Belgische collega's, merendeels wel voetbalfans, toch echt buitenlander zijn en zich afzijdig houden.
En net als bij de film is zo'n wedstrijd een gebeuren waarin je moet geloven om meegesleept te worden.
Als je op afstand zit en het commentaar niet hoort valt dat niet mee.
Dan is een voetbalwedstrijd maar half zo spannend, net als een film zonder muziek.

maandag 11 juni 2012

Aimez-vous Webern?

Na de opera-avonturen van afgelopen week was het eigenlijk een rustig programma waarmee we ons 'seizoen' in Parijs afsloten. Twee grote stukken Brahms en vijf kleine stukken Webern. Een herhaling van een programma uit Dossier Brahms.
Het verrassende zat 'm  vooral in de manier waarop beide componisten verbonden werden; vanuit de laatste maat van Webern, een duidelijk voorbeeld van atonale muziek, maakten we een naadloze overgang naar het veilige D majeur van Brahms. Zo naadloos, dat we ons zondagavond toch nog lieten verrassen en niet iedereen zijn eerste noot gespeeld zal hebben.




Het publiek was na de symfonie zo enthousiast dat we niet zonder toegift het podium van het Théâtre des Champs-Elysées konden verlaten.
Daar hadden we ons niet op voorbereid, maar Yannick koos voor een herhaling van het scherzo, met zijn elegante, volksmuziek-achtige hobo-solo. Een logische keus misschien, ook al omdat het het kortste van de vier delen is, maar wat mij betreft had een deeltje Webern ook wel gekund. Alle spelers, gitaar, mandoline, toetsenisten, slagwerkers, zaten nog op het podium. En bovendien is die muziek haast te geconcentreerd om bij één keer horen voldoende door te dringen. Maar misschien zou het publiek dan met teveel vraagtekens Avenue Montaigne op zijn gestuurd.



Ik ben blij dat we die muziek van Webern weer eens op de lessenaars hadden staan en zeker die Fünf Stücke für Orchester opus 10. Het lijkt een wat ironische titel met nauwelijks twintig musici, maar de componist zal het vast serieus bedoeld hebben. Nergens in zijn muziek is hij verder gegaan in zoveel mogelijk inhoud stoppen in zo weinig mogelijk noten. Of het zou zijn opus 11 moeten zijn, de Drei kleine Stücke voor cello en piano. De ultieme concentratie!



Ik hou erg van die muziek, maar weet dat je er geen groot publiek mee kan bereiken. Misschien helpt het om een luister-route te volgen vanaf de Bach/Webern ricercare, die we in het andere Brahms-programma speelden, via een piano-reductie van opus 10 nr. 1 naar de definitieve versie, zoals Noah S. Weber dat in zijn blog Nicht diese Töne voorstelt: http://94clusiere.blogspot.nl/2010/11/webern-op-10-program-notes.html.

Dan blijft nog de vraag of het een goed idee was om de Webern aan de Brahms te plakken.
Zoiets is een experiment dat Yannick met overtuiging uitvoert en waar iedereen zijn eigen mening over kan vormen.
Bij Domestica Rotterdam hebben we al veel mogelijkheden uitgeprobeerd om de presentatie van muziek los te maken uit het stramien 'opkomst-applaus-stilte-beginnen', met vaak bevredigende resultaten.
Bij een orkest is dat lastiger.
Ik herinner me een Gergiev Festival waarin Valery de Negende van Beethoven vooraf liet gaan door A survivor from Warsaw, een aangrijpend stuk met spreker en mannenkoor van Schönberg. Ook zonder pauze of applaus tussendoor. Dat vond ik zeer overtuigend. Niet alleen omdat de boodschap van beide stukken in eenzelfde richting kunnen wijzen, maar vooral ook vanwege het begin van Beethoven, waar vanuit een accoord, eigenlijk niet meer dan een simpele tweeklank, een thema ontstaat.
En het was een perfecte gelegenheid om een groot publiek kennis te laten maken met de moeilijk geachte muziek van Schönberg, met de Tweede Weense School.
Je kunt dat ook via beelden doen, zoals Peter Greenaway en Saskia Boddeke:





Brahms begint zijn Tweede symfonie meteen met een lyrisch thema, een melodie die iedereen kan nazingen. Die tegenstelling met de muziek van Webern was misschien een te grote hobbel.
Toch zorgde het ongetwijfeld bij veel luisteraars voor een nieuwe invalshoek, een andere manier van luisteren naar bekende muziek, en dat is dan weer winst.
Zo zullen we het 'ijzeren repertoire' steeds weer met nieuwe ogen en nieuwe oren moeten beluisteren.
En in Yannick hebben we daarvoor een ideale gids.

donderdag 31 mei 2012

Alweer een rebellerende zoon

Gisteravond deden we Don Carlo voor de laatste keer.
Prachtige muziek inderdaad, waar ik geen zwakke momenten in heb kunnen ontdekken.
Of het zou het slot geweest moeten zijn.
Na dat ongelooflijke afscheidsduet van Carlo en Elisabeth, die overigens de laatste keer door een vervangster vanaf de zijkant moest worden gezongen, voelt de ontknoping muzikaal, met alle virtuositeit en vuurwerk, toch steeds wat abrupt en misplaatst.
'Addio, mia madre!' zingt Carlo tegen zijn geliefde die met zijn vader moest trouwen.
Maar eigenlijk gaat de opera nog meer over de moeizame verhouding tussen Carlo en zijn vader Filips, die hij niet met padre maar met sire aanspreekt!



Bij Ravel en zijn opera (hij noemt het zelf 'Fantaisie lyrique en deux parties') L'Enfant et les sortilèges is ook weer sprake van een zoon die in opstand komt, maar nu tegen zijn moeder.
Heerlijke muziek, een soort pastische van allerlei stijlen, vol humor, die met deze solistencast, om van te smullen, optimaal over het voetlicht komt.
Extra attractie is nog het poppentheater dat Gerrit Timmers van het Onafhankelijk Toneel heeft neergezet.
Net als de vorige keer met Le voix humaine wordt de actie met een camera gevolgd en op het grote filmdoek getoond. En hoe aanstekelijk kunnen de theepot en het kopje daarop dansen!




Yannick zei dat we met deze partituur het hele repertoire voor orkest van Ravel hebben gedaan, en dat is weer een mooie mijlpaal. De term die hij regelmatig gebruikt voor de stijl van spelen is 'miniatuur'. Toch moeten verschillende instrumentale effecten ook uitvergroot worden.
Ik nam mijn jongste dochter, deze week vrij van school, mee naar een repetitie.
Dat was natuurlijk feest, zo'n verhaal met poppen en allerlei magische effecten.
En de dierengeluiden die de zangers nog uitgebreid met Yannick moesten repeteren. En dan blijken we een concertmeester te hebben die ook heel goed een kikker kan nadoen!
In dat opzicht zit er overigens veel talent in de 1e violen-groep.





Maar ze was ook gefascineerd door de instrumenten op het podium, zoals de luthéal, een soort geprepareerde piano, die op sommige momenten kan klinken als een klavecimbel. Daarvoor is, naar voorbeeld van een origineel instrument in het Muziekinstrumentenmuseum in Brussel, een Fazioli-vleugel aangepast.


 Ravel laat het duidelijk horen als de grote fauteuil gaat dansen:


Of de flute à coulisse die onze solo-klarinettist mag bespelen als het kind de tuin in loopt.
Ik kan vanuit mijn plek alles goed zien, het orkest, het filmdoek en nog een extra tv-scherm voor de solisten en heb bovendien ongebruikelijk veel rust.
Dus dat wordt genieten vanavond!


Overigens ben ik van mening, dat het Onafhankelijk Theater natuurlijk moet blijven bestaan!!


donderdag 24 mei 2012

Perché mi trovo io qui? (Don Carlo 4)

Discussies over orkestopstellingen en getalsverhoudingen binnen het strijkerscorps zijn van alle tijden en het kan verhelderend zijn om daar eens in te duiken.
Dan blijkt de standaard die we nu doorgaans hanteren (veel violen, weinig bassen) vaak veraf te staan van de gewoontes in vroeger tijden. Bij Brahms wil Yannick, juist daarom, naar een evenrediger verhouding tussen hoge en lage strijkers. Maar, opvallend genoeg, niet in de Verdi.
In de bak van de Stopera, bij Don Carlo, zitten we zelfs met 26 violen tegen 6 bassen.
En de 1e violen zitten niet meer aan de rand, maar tussen de 2e violen en de celli.
Die opstelling heb ik in Rotterdam, en zelfs in de operabak, nooit eerder meegemaakt. Ik herinner me wel beelden van opnames uit de Wiener Staatsoper waar, bij het handenschudden, de concertmeester ook ergens midvoor blijkt te zitten.
Het zal dus vast ergens goed voor zijn.



Verdi heeft zich destijds zelf intensief bemoeid met de omstandigheden waaronder zijn opera's werden uitgevoerd.
Toen Don Carlo in 1868 in de Scala in Milaan in premiere zou gaan, vormde een van de vele eisen in het contract de grootte van het strijkorkest: 16, 14, 10, 10, 11. Een paar jaar later verschuift hij het zwaartepunt nog iets meer richting de lage strijkers: 14, 14, 12, 12, 12.
Hij verlangt naar een grote mate van sonoriteit. Een stevig ritmisch en harmonisch fundament zou voor een rijkere klank moeten zorgen en voorkomen dat de blazers teveel overheersen.
Maar ook voor de orkestopstelling had hij zo zijn wensen. De klank van de basgroep wilde hij over de hele breedte van het theater horen, niet uit één hoek, wat betekent dat ze ofwel achteraan in een lange rij zitten, of, als daar geen ruimte voor is, verdeeld aan beide kanten.
Voor de grote solo in Otello waren ze ooit als groep in een hoek geplaatst, 'als een kudde schapen, maar ze speelden toch nog vals', dus dat was geen oplossing. 'Als de contrabassen het hele orkest omcirkelen, dan bedekken of milderen ze de priemende sonoriteit van het koper en de slechte intonatie van het hout.' Misschien is dat tegenwoordig wat minder urgent.
Ook de houtblazers, met de contrafagot, en het koper met de cimbasso krijgen beiden een stevige basis.
Ik vermoed dat Hendrik Jan Renes zijn cimbasso alleen te voorschijn hoeft te halen als we met Verdi in de bak zitten. Het instrument heeft een prachtige warme en milde klank maar alleen Puccini en Bellini schijnen er ook nog voor geschreven te hebben en wat filmcomponisten. Meestal zit hij gewoon met zijn tuba naast de drie trombones.




Die laagte, dat zwaartepunt aan de baskant, is een van de meest karakteristieke elementen in de tinta van Don Carlo. En één scene springt er dan uit als hoogtepunt, als volstrekt uniek in het hele operarepertoire; het duet van Filips en de Inquisiteur.
Een tweestrijd tussen twee echte bassen, twee machtige mannen, met niet alleen veel lage noten op het toneel, maar zeker ook in de orkestbak.
De geestelijke, oud en blind, wordt geïntroduceerd met een thema in bassen, celli en contrafagot. Een statisch thema, beginnend op onze laagste losse snaar, dat eindeloos herhaald wordt. Onbuigzaamheid op muziek gezet.
Het is ook een van de momenten in deze opera waarop de bassen in hetzelfde register spelen als de celli.
Ik heb dat zelden, ook niet in andere Verdi's, zo meegemaakt.


Het blijkt bij de Inquisiteur nauwelijks om het geloof te gaan maar vooral om power. Wereldlijke macht over het volk van een wereldrijk, inclusief zijn koning. Filips verzet zich, maar moet uiteindelijk buigen voor de kerk. 'De troon moet dus altijd buigen voor het altaar!'
Wat de scene bijzonder maakt is de stemsoorten die zo dicht bij elkaar zitten. En om boven het geweld van het orkest uit te komen moeten het beide krachtige stemmen zijn. De titanenstrijd vindt ook vocaal plaats.
Overigens vergroot Verdi halverwege de scene de spanning nog met de piccolo in de hoogste regionen, als Filips laat merken hoe belangrijk het voor hem is eindelijk een vertrouweling gevonden te hebben. Verdi had de eenzaamheid van de koning al in de monoloog in de voorafgaande scene neergezet, dus dat komt wel binnen. Meesterlijk!
En juist die vertrouweling, overigens ook de boezemvriend van zijn zoon, wordt hij gedwongen te offeren.
Machteloos staat de machtige koning en Rodrigo zal inderdaad het leven laten.
Maar juist dat gevecht met argumenten en bedreigingen in deze scene, muzikaal fantastisch uitgebeeld en ondersteund, maakt deze opera tot een uniek hoogtepunt in het repertoire. Dat begint inmiddels, na een paar voorstellingen wel door te dringen.