zaterdag 31 januari 2015

Het mooiste van de zee

Ik weet niet hoe vaak we de voorstelling hebben gespeeld, maar deze week was voorlopig de laatste.
Met een zeemeermin als held.
Heldin, moet ik zeggen.
Soeraki heet ze.
Of eigenlijk: Eva Crutzen.

Eva is cabaretière, geloof ik.
Won in 2012 een publieksprijs op het Kleinkunstfestival.
En speelt al vanaf het Gergiev Festival 2011 deze voorstelling met ons.
Een genot om mee te werken.
De zaal zat altijd vol met basisschoolleerlingen, van alle mogelijke Rotterdamse scholen.
En hun juffen en meesters.
En daar wist Eva perfect mee om te gaan.
Het was weleens rumoerig. Vooral als ze onder water op zoek ging naar een schat.
Misschien was dat ook niet het meest effectieve gedeelte van de voorstelling.
Maar ze wist de kinderen altijd weer leuke uitspraken te ontlokken.
En mee te laten zingen.
Het lied.
'Ik ging de diepte in'.
Dan past het ook om componiste Monique Krüs te bedanken.
Niet alleen voor dat lied, dat menig Rotterdammertje nu kan zingen.
Als je een voorstelling zo lang en vaak speelt is het extra belangrijk dat de uitdaging blijft.
Voor ons allemaal had ze er leuke trekjes in geschreven.
En de muziek is nog steeds fris en verrassend.
Een knappe prestatie.
Op een mooie tekst van de onvolprezen Sjoerd Kuiper.
Ik kon hem niet helemaal volgen in de zwarte pieten discussie, maar schrijven kan die.
En dan is het jammer als het afgelopen is.
Al die blije kinderen....
Maar er komen ook weer nieuwe dingen aan.
Nog één keer het lied.
Het mooiste van de zee.

zaterdag 24 januari 2015

Keuken

Wat voor het grootste deel van het publiek verborgen blijft, is hoe we tijdens de repetities komen tot het resultaat van de concerten. En zo hoort het ook. Als je het vergelijkt met de kok en zijn keuken, die ga je ook niet op zijn vingers kijken.
Toch kan het voor geïnteresseerden boeiend en leerzaam zijn, om mee te maken hoe een dirigent aan het werk gaat met het materiaal wat hij van het orkest aangereikt krijgt. Hoe ver gaat hij om het naar zijn eigen voorstelling om te vormen, waar legt hij de nadruk op, welke methodes gebruikt hij om zijn doel te bereiken? Vooral muziekstudenten zouden daar hun voordeel mee kunnen doen.
Ik verbaas me er weleens over hoe weinig daar bij ons gebruik van wordt gemaakt.
Met een conservatorium als buurman zou je toch, vooral bij de grootste namen, wel enkele tientallen studenten kunnen verwachten. Dat geldt overigens ook, in mindere mate, bij de grote solisten. Elke vioolstudent had vorige week kunnen profiteren van de aanpak van Tetzlaff en Ticciati in Mendelssohn. Ook als het niet naar je smaak is kun je er je eigen ideeën aan toetsen. En ik moet toegeven, dat ik, na talloze uitvoeringen met andere dirigenten en solisten, weer een aantal nieuwe ontdekkingen heb gedaan.
Ik zelf heb nog levendige herinneringen aan de repetities van giganten als Giulini en Bernstein, die ik in het Concertgebouw bezig heb gezien, maar ook repetities binnen het conservatorium met mensen als Frans Brüggen hebben me geholpen bij het vormen van mijn muzikale ideeën.
Soms worden orkestrepetities opgenomen.
Een klassiek voorbeeld is de dubbel-lp Birth of a performance, waarbij Bruno Walter de Linzer symfonie van Mozart repeteert en uitvoert. Deze staat nog, inclusief zakpartituur, in mijn platenkast.
Maar tegenwoordig is het ook te vinden op you tube.
Walter is een van de grote dirigenten van de eerste helft van de vorige eeuw, zeker ook voor Mozart. De stijl is misschien wat verouderd, hoewel me dat erg meevalt, maar prachtig om te beluisteren. Walter is zeer vasthoudend maar blijft erg beleefd naar de leden van het Columbia Symphony Orchestra, ooit speciaal voor hem opgericht voor het maken van plaatopnames.

Een ander orkest dat voor dat doel in de VS werd opgericht was het NBC Symphony Orchestra, voor Arturo Toscanini. Ook daar zijn repetities opgenomen, maar dat klinkt heel anders. Legendarisch zijn de woedeuitbarstingen. Piano!!

Ik heb nog een cd in mijn kast staan van een andere Italiaan, Guido Cantelli, die bij hetzelfde orkest de Vierde van Tsjaikovski repeteert. Hij staat niet op youtube, zo te zien.
Cantelli is nooit zo beroemd geworden omdat hij al jong verongelukte, want hij was een grote belofte. De Cosi fan tutte die ik van hem heb is echt topkwaliteit.
Die Tsjaikovski spelen we deze week, dus een reden om weer eens te luisteren.
Zijn opmerkingen, in een Engels met sterke Italiaanse tongval, zijn helaas niet allemaal goed te verstaan, maar met de muziek erbij kun je redelijk volgen welke aanpassingen hij vraagt.
In de eerste delen is hij vooral op zoek naar legato, een zingende klank, cantare! Hoe kan het anders bij een Italiaan. Een lekker rustig tempo, niet haasten, in het scherzo. De finale is heel effectief door een enorme duidelijke articulatie en geweldige energie.
Heel anders dan onze repetities met Stephane Denève.
Ook daar geen accentloos Engels, maar meer Frans gekleurd. Als hij 'terrific' wil gaan zeggen, klinkt het begin als 'terrible'. En 'eleven' is altijd weer even wennen.
Heel sympathiek en vol goede ideeën, dus dat is een leuke week met hopelijk mooie concerten.
Zijn solist Nikolai Znaider is tegenwoordig ook een gerespecteerde dirigent. Zelfs hij zal bij de repetities misschien nog wel wat ideeën opdoen.

De website van het orkest laat tegenwoordig ook wat kijkjes in de keuken toe.
Geen repetitiefragmenten, maar masterclasses van orkestleden. Solo-hoboïst Karel Schoofs bijt het spits af met de solo uit het Vioolconcert van Brahms.
Ter lering ende vermaeck.

dinsdag 13 januari 2015

Ad agio (notenbeeld 2)

Het eerste wat je tegenkomt als je een stuk gaat spelen is meestal een tempo-aanduiding.
Soms een titel en een componistennaam, maar bijna altijd een suggestie van hoe snel je verwacht wordt te spelen.
Dat is meestal relatief.
Wat is snel, wat is langzaam?
Tot op het moment dat de componist een metronoomcijfer toevoegt.
Dat is een objectief gegeven.
En een aanleiding voor een discussie hoe flexibel je daarmee om kunt gaan.
Die discussie is te groot om hier te voeren.
Wat losse gedachten.

Deze week staat de Vierde symfonie van Beethoven bij ons op de lessenaar.
Een van de minder gespeelde, volgens sommige: minder revolutionaire, symfonieën.

En inderdaad, na gegevens over componist, titel, opusnummer en toonsoort volgt de instructie voor het tempo: Adagio. Al na vier regels staat er overigens Allegro vivace. Dat blijkt het hoofdtempo te zijn voor het eerste deel. Voorafgaand is een langzame inleiding. Dat is bij Beethoven niet ongebruikelijk, en vrij traditioneel.

Het echte langzame deel van de symfonie komt na het eerste deel.
Ook dat is traditioneel.
Maar een echt langzaam deel is bij een symfonie van Beethoven niets eens zo gebruikelijk.
De Eerste heeft een Andante cantabile con moto als tweede deel, bij de Tweede staat daar een Larghetto. De Derde vervult wel zijn plicht met een Adagio assai.
Met Andantes in 5 en 6, en zelfs Allegretto's in 7 en 8, is het wachten op het Adagio molto e cantabile in de Negende.

Maar wat betekent het eigenlijk, Adagio?
Ik dacht dat dat een gewone Italiaanse term was, maar bij de meeste vertaalsites op internet komt het niet voor. Mijn Spectrum-woordenboek geeft nog wel 'langzaam, kalm aan'.
Elders verwijst men naar 'ad agio', wat 'gemakkelijk' zou moeten betekenen.
Met andere woorden: in een comfortabel tempo.

Dan maar The New Grove. Dictionary of Music & Musicians. De ideale muziekencyclopedie.
Ook zij verwijzen naar de term 'at ease'.
Bij Monteverdi adaggio, bij Frescobaldi adasio.
In de 18e eeuw werd nog wel gediscussieerd over de vraag welk van de aanduidingen het meest langzame tempo gold: adagio, largo of grave. In de 19e eeuw had ons adagio de strijd gewonnen, eventueel overtroffen door adagissimo of adagiosissimo.(Bach bijvoorbeeld).

Terug naar onze Beethoven.
Een langzaam deel met een snel ritme in de begeleiding.
Of is het geen begeleiding?
Meer een paukenmotief dat door de tweede violen wordt ingezet.
De maat is in drieën, 3/4, maar Beethoven geeft zijn metronoomcijfer voor de achtste noot, dus in zessen gerekend: 84. Dat zou 42 voor de kwart zijn. Bijna het laagste getal op de traditionele metronoom.
Maar het is zeker niet het langzaamste. Type 5 in de indeling van Rudolf Kolisch (Tempo und Character in Beethovens Musik). Het 3/4-Adagio is het meest voorkomende type bij Beethoven, vergelijkbaar met bijvoorbeeld het tweede deel uit de Frühling-sonate en de Cavatina uit zijn late strijkkwartet opus 130, ook in Bes groot.

Juist die combinatie van snel ritme en lange melodielijnen maken het er voor een dirigent niet eenvoudiger op.
Ik was destijds diep onder de indruk van Carlos Kleiber, die het stuk bij het Concertgebouworkest dirigeerde. Het leek alsof hij beide elementen in een gecombineerde beweging met één hand dirigeerde. Maar eigenlijk kon ik dat niet goed zien, vanuit de zaal in de Haagse PWA-zaal.
Bij de video-beelden die ze die week in het Concertgebouw maakten zie je beter wat hij doet.
Anders dan ik dacht, maar het blijft een magiër:

zaterdag 3 januari 2015

Notenbeeld 1

In het werk van orkestmusicus leer je meer en meer je mogelijkheden en je beperkingen kennen.
De mogelijkheden zijn weliswaar niet oneindig maar voorlopig nog niet uitgeput.
Een belangrijke beperking is de tekst, de orkestpartij, het gedrukte materiaal, en alle aanwijzingen die daar in staan. Tegelijkertijd is dat ook een mogelijkheid, een ingang, om de componist te leren kennen.

Maar de beperking zit 'm in het moeten volgen van de instructies. En in de afhankelijkheid. Slechts weinigen van ons zijn het improviseren op serieus niveau machtig, en het memoriseren van een symfonie is niet erg gebruikelijk. Het zou een bijzondere uitdaging zijn, die in de meeste gevallen vele uren extra voorbereiding zou vergen.
Uitgesloten is het natuurlijk niet.

Het uitgangspunt voor ons werk, onze kunst, is de notentekst. De partituur en de partijen.
Vol met muzieknoten en andere details.
We realiseren het ons niet dagelijks, maar de woorden die gebruikt worden zijn vaktermen.
Veel Italiaans, af en toe ook Duits.
Over de betekenis hoeven we zelden lang na te denken.
Soms wel.
Regelmatig komt het voor dat zo'n aanwijzing aanleiding geeft voor verwondering, leidt tot onduidelijkheid of in de praktijk zal worden genegeerd.
Dan wordt het interessant.
Dit jaar wil ik eens langer stilstaan bij een aantal van die voorbeelden.
Een serie onder de titel 'Notenbeeld'.
Wat heeft de componist hier bezield? Waar haalt hij de omschrijving vandaan? En wat bedoelt hij ermee?
Mahler is zo iemand, die zijn partituren vol stopt met adviezen. Vooral voor de dirigent: niet haasten, niet vertragen. Dat soort werk. Vaak nog aangepast na eigen uitvoeringen.
Dat kon niet bij zijn Negende. Toen die voor het eerst werd gespeeld lag hij al onder de groene zoden.
Maar hij wist inmiddels wel zo'n beetje wat hij moest schrijven om het gewenste resultaat te bereiken.
En wat bedoelde hij dan in maat 440 van het eerste deel?
De muziek komt tot rust, wordt steeds zachter en langzamer, verinnerlijkt.
Een vioolsolo is net afgedaald naar de losse g-snaar, een harp plukt nog een paar noten en twee hoorns nemen het motief van de dalende secunde over van een klarinettenpaar. Dolcissimo. Is dat de sfeer waarin wij ons vibrando  moeten zoeken?
En vooral: in welk opzicht verschilt het van vibrato?
Duidelijker hoorbaar als het gebruikelijke vibrato wellicht. Was Mahler in New York op nieuwe (Amerikaanse) ideeën gebracht?
Overdrijving in de uitvoering van ons vibrato kostte weinig moeite in de week nadat we Penderecki's Threnody hadden uitgevoerd, maar ik ben er niet van overtuigd dat dat Mahlers opzet was.

Dan was Lutoslawski bepaald succesvoller in het omschrijven van zijn bedoeling.
In zijn Concert voor orkest kwam ik een term tegen die ik nog niet kende, maar die aan duidelijkheid niets te wensen overliet:

Mormorando.
Ik vermoed dat hij het zelf bedacht heeft.
Murmelend.
Van die snelle passages die heel zacht en onverstaanbaar moeten blijven.
Die (on)verstaanbaarheid is in dat tempo geen probleem, maar het risico dat je te sterk gaat spelen, vanuit de drang om jezelf de goede noten te willen horen spelen, is veel gevaarlijker.
Niet doen!

Dirigenten kunnen een componist in dit opzicht helpen.
Bij de Achtste van Sjostakovitsj kwam Saraste met de term; depressivo.
Daar had Dmitri zijn voordeel mee kunnen doen.

Tot slot nog een kampioen van de stille muziek, hoewel hij die reputatie slechts bij weinigen zal hebben. Maar wie van zijn collega's (van voor de moderne tijd) gaat zover in zijn uitersten van pianissimo als Tsjaikovski? Behalve misschien Verdi zou ik niemand weten.
Er is een beroemd, en zeer effectief moment, in het eerste deel van de Pathétique, vlak voor de uitbarsting van het Allegro vivo, waar de fagotsolo afdaalt naar pppppp! Een bijna onmogelijke taak voor een fagot, die daarom nog weleens door een basklarinet wordt vervangen.
Een veel minder dramatische moment vond ik afgelopen maand in de Notenkraker-suite. 
Aan het slot van de Arabische dans, waarin we eindeloos een bepaald begeleidingsmotief herhalen, wordt ons gevraag in de stilte te verdwijnen tot ppppp. Vijf p's.
Dat hadden er misschien best twee minder kunnen zijn:
Wel een mooie dynamiek om 2015 mee te beginnen.
Gelukkig nieuwjaar!



woensdag 24 december 2014

Terugkijken

De laatste weken van december zijn elk jaar weer de tijd van terugkijken, van mijmeren over wat geweest is.
Afscheid nemen van het jaar.
Een jaar dat voor het orkest bepaald enerverend is geweest.
En waarin verschillende collega's het orkest hebben moeten verlaten.
Afgelopen vrijdag, op de valreep, was dat Wim Steinmann.

Na bijna 45 jaar, dus dat wordt dan ook wel tijd, zou je zeggen.
Hij heeft, als langstzittende, iedereen zien komen, dat is waar.
Maar als de kwaliteit van zijn spel en de wijze waarop hij zijn functie vervulde de maatstaf zouden zijn, zou hij nog vele jaren meekunnen.
Een opvolger is er nog niet, maar het is niet gebruikelijk dat je na je pensioen nog in je eigen orkest gevraagd wordt. Alleen de VS-tour in februari, en wat daar aan vast zit, zal hij nog zijn partij meeblazen.
Dus geen Vierde Tsjaikovski, geen Negende Beethoven, geen Concert voor Orkest meer met het piccolo-geluid van Wim. Onmiskenbaar en, alleen al door de aard van het instrument, niet te missen.

En ik zal het gaan missen.
Met sommige van de de vele tientallen collega's in het orkest bouw je een speciale band op.
En die tussen ons beiden was er zeker een.
Vooral vanaf het moment dat ik betrokken raakte bij Domestica Rotterdam, eind jaren '90, hebben we vele uren in artiestenfoyers, restaurants, vertrekhallen, hotellobby's en dergelijke doorgebracht met het maken van plannen en discussies over de toestand in de (muziek)wereld. Dat ging natuurlijk over veel meer dan de passie voor het vak en de kunst die we deelden.
Maar het ging de laatste jaren ook steeds meer over de geschiedenis van het orkest, over situaties die zich herhalen, over keuzes die vroeger gemaakt zijn. En dan blijken er veel meer overeenkomsten tussen de jaren '70 en de jaren '10 te zijn, dan je zou denken.
Wij 'jongeren' luisteren dan met belangstelling en relativeringsvermogen naar de verhalen in de categorie 'opa vertelt' en constateren steeds weer dat dat 'in het boek' moet komen.

Collega's die een dergelijk stuk geschiedenis op zo'n intensieve manier hebben meegemaakt, zouden verplicht moeten worden dat voor het nageslacht te bewaren. Niet iedereen kan dat natuurlijk even makkelijk verwoorden. Maar een goed verhaal houden kost hem, te horen aan zijn afscheidsspeech, toch niet veel moeite.
En ook Hans Ferwerda, onze artistiek manager, richtte daarbij een verzoek aan hem om bij te dragen aan de viering van 100 jaar RPhO metzijn ooggetuigenverslagen van de laatste helft van die eeuw.
Zo'n boek zal er toch wel komen.
Wim zelf sprak de hoop uit dat de directies van de Doelen en het orkest nog eens samengaan, zoals dat onlangs ook bij de overburen van de Schouwburg en haar bespelers gebeurde. Ik kan daar wel de voordelen van inzien, maar zou dan voor de langere termijn moeten zijn.
Beide sprekers werden tijdens de receptie nog voorafgegaan door Gergiev, die liet merken hoe belangrijk de emotionele band en het gezamenlijk verleden met ons orkest en met de individuele musici voor hem is en hopelijk nog lang zal blijven.
De geschiedenis van een orkest is de geschiedenis van mensen.
Een collectief dat zich laat vormen door dirigenten, door de muziek die ze spelen, door de zaal waarin ze spelen en door elkaar.
Iedere collega laat een stukje dna achter, genetisch materiaal dat door ons, en de mensen met wie we werken, meegenomen wordt naar de toekomst. Als bijdragen aan de identiteit van het orkest.
Daar zouden we de komende jaren best eens onderzoek naar kunnen doen.
Om in 2018 met een beeld daarvan te komen.
Of verschillende beelden.
Dat kan allemaal in 'het boek'.
En daar kunnen we Wim zeker nog goed bij gebruiken.

maandag 8 december 2014

Droom

What, wilt thou hear some music, my sweet love?

I have a reasonable good ear in music. Let's have the tongs and the bones.

Aldus Titania en Bottom in Shakespeares A Midsummer Night's Dream. Die laatste zin wordt in moderner Engels:  Let’s hear someone play the triangle and the sticks.
Het is duidelijk: er zit magie en muziek in dit stuk. En Mendelssohn heeft er ook nog eens prachtige noten bij geschreven. De briljante, sprookjesachtige ouverture zelfs al als zestienjarige!
Het was een ideaal uitgangspunt voor de hernieuwd samenwerking tussen het Philharmonisch en Theater Terra, voruge week in de Doelen.
Bij hen nauwelijks tekst overigens. Het verhaal, of althans het gedeelte over Oberon en Titania, waarbij Puck en Bottom, met zijn ezelskop, natuurlijk niet kunnen ontbreken, wordt getoond. Poppenspel met grote poppen en de spelers duidelijk zichtbaar, een handelsmerk van hen, en ook wat schaduwspel achter drie lakens. Ik weet niet hoe helder het verhaal voor de kleintjes was, maar ik denk dat ze de magische sfeer goed hebben getroffen.
Het grootste deel van de tekst klonk al aan het begin van de voorstelling door een nep-dirigent die de binnenkomende lawaaierige klusjesmannen toeriep dat ze stil moesten zijn en hen vervolgens uitschold toen dat niet gebeurde. Met een zwaar Italiaans accent in zijn Engels, dus noemden wij hem al spoedig 'Daniele', met een knipoog naar onze Amsterdamse collega's. Het breken van het dirigeerstokje lukte niet erg, maar de zaal schrok er niet minder van. Uit het midden van de klusjesmannen - een subtiele verwijzing naar Bottom en zijn 'craftsmen'? - kwam toen een reserve-dirigent tevoorschijn, die de muzikale leiding overnam: Gustavo Gimeno.
Gimeno is van geboorte Spanjaard, maar, na vele jaren werkzaam als slagwerker in het Concertgebouworkest, toch ook een beetje Nederlander. En hij is vorig jaar begonnen met een sensationele carrière als dirigent. Na assistentschappen bij topdirigenten als Maris Janssons en Claudio Abbado, tot vlak voor zijn overlijden, heeft hij de sprong in het diepe gewaagd. Bij zijn eigen orkest maakte hij grote indruk met een invalbeurt voor Jansons en toen Maazel een tournee bij de Münchner Philharmoniker moest afzeggen viel de keus al snel op hem. Inmiddels stromen de uitnodigingen binnen en begint hij volgend jaar als chef bij het orkest van Luxemburg.
Al met al een droom voor elke jonge dirigent.
En prettig om dan te merken dat de samenwerking met ons orkest ook prettig loopt.
Behalve die Mendelssohn was dat ook een lastig programma met muziek van Penderecki, Prokofjev en Lutoslawski. Een belofte voor de toekomst!
Jaap van Zweden heeft die belofte natuurlijk al lang ingelost. Die geldt internationaal toch wel als de meest succesvolle Nederlandse dirigent na Haitink. En bovendien omringd door jongere collega's die van hem kneepjes van het vak willen leren. In ons land is hij niet erg vaak meer te bewonderen, dus de televisie-camera's waren er deze week ook bij toen hij, na twee weken met juichende recensies bij de New York Philharmonic, bij ons de Negende van Mahler kwam doen.
Een reus van een symfonie, waar ik bijzondere herinneringen aan heb.
De allereerste keer dat ik het werk hoorde was in 1985 in het Concertgebouw. Het was de opening van het Holland Festival en Leonard Bernstein dirigeerde. Ik was met stomheid geslagen. Een van de allermooiste concerten die ik ooit gehoord heb. DGG heeft de uitvoering(en) als live-cd uitgebracht, die ik uiteraard wilde beluisteren. Zelden ben ik zo teleurgesteld, ontluisterd. Ik kon het niet afluisteren. Wat in mijn herinnering zat, het geluidsbeeld van dat unieke concert, verschilde zoveel van wat de cd liet horen, dat het me duidelijk maakte dat een reproductie de werkelijkheid niet kan benaderen. Bij bijzondere concerten moet je zelf aanwezig zijn, moet je meebeleven.
Ik moest er deze week weer aan denken. Niet omdat de uitvoering van Van Zweden op dat concert leek. Geen enkele dirigent kan die herinnering nog benaderen. Maar als ik me goed herinner, was hij het, die toen als concertmeester de viool-soli speelde. Betoverend!

Maar de komende weken blijft het bij ons volop genieten.
Volgende week met Valery Gergiev en Janine Jansen, bij het naderen van de midwinternacht, in een heerlijk traditioneel programma.
Met Brahms, misschien wel het mooiste vioolconcert. En de onvermijdelijke Notenkraker, de droom waarin op kerstavond de pop tot leven wordt gewekt. En laten we wel wezen; er is niemand die de bloemenwals zo kan laten zweven als Valery. Bovendien is de suite van Rimksy Korsakov, ook op het programma, een te zelden gehoord kerstnummer.
In Rotterdam al uitverkocht, maar in Utrecht zijn nog plaatsen, zag ik.
En deze week een fantastisch programma met Yannick.
De Nocturnes van Debussy spelen we zoveel minder vaak dan bijvoorbeeld La Mer. Ongetwijfeld vanwege het bescheiden, maar o zo belangrijke, kooraandeel in het laatste deel. Maar zeker niet door de kwaliteit, die minstens zo hoog is.
Maar ook van het Stabat Mater van Poulenc verwacht ik veel. Yannick, met zijn wortels als koordirigent, samen met het Collegium Vocale, moet iets heel bijzonders worden.
En dan natuurlijk de Onvoltooide.
Een werk wat absoluut nergens mee te vergelijken is, als een komeet vanuit de ruimte, van een 25-jarig Weens genie.
Van Yannick's affiniteit met Schubert hebben we nog weinig kunnen genieten. Een Negende van bijna zes jaar geleden. Maar inmiddels heeft hij zich al weer zo ontwikkeld.
Voor mij is die Unvollendete overigens onlosmakelijk verbonden met mijn tijd als kleine jongen in het jeugdorkest. We hadden geen bassisten, terwijl je die onmogelijk kunt missen. Dus mocht ik, met nog een cellist, de baspartij spelen. Ik heb het toen zelf uit de partituur overgeschreven en, voor zover mogelijk, geoctaveerd. Dat ik daarmee die onsterflijke cellomelodieën aan me voorbij moest laten gaan heeft me nooit gedeerd. En inmiddels is dat ook ruimschoots ingehaald, terwijl de baspartij tot het verre verleden behoort.

Was het een droom?
Elk concert kan een droom-ervaring worden.
Voor Schubert was het misschien ook een eigen droom, of althans een droomvertelling, die hij in de vorm van een halve symfonie heeft verklankt (zie ook de toelichting op de weblog van het RPhO).
Een droom die gratis in de Doelen te horen is tijdens het lunchconcert van komende woensdag.
















woensdag 26 november 2014

Enquist

In een tijd waarin het steeds moeilijker wordt om mensen voor klassieke muziek te interesseren, voor cultuur die iets meer vraagt dan een snelle bevrediging, is het verheugend als er mensen opstaan die deze ontwikkeling in heldere bewoordingen weten de duiden.
Waarom zouden we tenslotte nog de kunst koesteren, er geld in investeren, als zo weinigen er behoefte aan lijken te hebben?

Dit weekend schreef Anna Enquist, gevierd schrijfster, dichteres en psychoanalytica, een essay in de boekenbijlage van Trouw, onder de titel 'Het verlangen naar de oppervlakte'.
Ik ben niet de grootste fan van haar boeken, maar dit heb ik met instemming gelezen.
En niet allen met instemming, ik vond het ook verhelderend.
We kennen allemaal het verhaal over het onderwijs, waar niet meer gezongen wordt op school.
En hoe kun je je tegenwoordig nog vervelen of de uitdaging van verdieping aangaan in de aanwezigheid van de smartphone? Maar Enquist trekt de lijn nog verder.
Interessant is de volgende vergelijking die ze maakt vanuit het jolige beeld van dirigeren dat geschetst wordt door een programma als Maestro, en het belang van muziekonderwijs. 
Een citaat: Wat ging er verloren? Geduld, doorzettingsvermogen, vlijt. Interesse voor de ontstaansgeschiedenis van een fenomeen, voor de structuur, de gelaagdheid die onder de oppervlakte verscholen gaat, belangstelling voor de diepte onder het direct zicht- en hoorbare.
Dit verlies zie je ook op het gebied van de psychotherapie (...) Psychotherapie is verworden tot symptoombestrijding.

Verderop:
Datgene waar ik mijn hele leven plezier in heb gehad, wat ik van waarde vond, lijkt verloren te gaan. De klassieke muziek, de inzichtgevende psychotherapie. 
En dan de literatuur. Voor afdalen in een roman is geen tijd meer, laat staan het lezen van een gedicht.

Ik heb Anna Enquist leren kennen via een dichtbundel, 'Jachtscenes'.
En ik vond het jammer dat ze het dichten heeft verruild voor het schrijven van romans.
Haar debuut 'Het Meesterstuk' kon mij toen niet zo bekoren.
Maar ik heb het nu (gratis via Trouw) op mijn e-reader gezet, en ga het zeker herlezen.
De link zoeken met Mozarts Don Giovanni misschien.
Een heerlijke partituur om mee de diepte in te gaan.
Of gedichten over te lezen?

(...)Zerlina's warme hand
bezegelt niet zijn overwinning maar voorspelt
de kille handdruk van een stenen man.


Misschien is het nog niet zo somber gesteld met de klassieke muziek.
Enquist ziet de muziek als ultiem redmiddel.
Daar sluit ik me graag bij aan.
En lees vooral nog even het essay.