maandag 2 januari 2012

Nieuwjaarsconcert

Toch een mooie traditie, dat het nieuwe jaar over de hele wereld wordt ingeluid met een concert.
Een orkest op het podium van een goudblinkende zaal dat een mix van overbekende en onbekende stukken speelt. Zo gaat het elk jaar.


Weinig opzienbarend dus.
Ware het niet dat op internet inmiddels een discussie is begonnen, opgerakeld, over de relatieve afwezigheid van dames op het Weense podium. Welgeteld twee vrouwelijke musici heeft men kunnen spotten. De harp natuurlijk, hoewel ze ook de beschikking hebben over manlijke harpisten. En in de cellogroep zat een enkele vrouw mee te strijken.
Discriminatie, extreem conservatisme? Als we William Osborne mogen geloven (http://www.osborne-conant.org/prophets.htm) is daar zeker sprake van.
Ik weet het niet. Blijkbaar worden vrouwen niet echt uitgesloten van lidmaatschap van één van de mooiste orkesten van de wereld. En dat ze hun traditie in stand willen houden, willen beschermen, daar valt wel iets voor te zeggen. Je kunt je natuurlijk afvragen of sexe daarbij een belangrijke rol mag spelen. Ik kan me voorstellen dat de dames, en buitenlanders, zich achtergesteld voelen, als ze worden afgewezen op andere gronden dan kwaliteit of speelstijl.

Bij het artikel van Osborne zit nog een aardig overzicht van het percentage vrouwelijke orkestleden elders. Ik heb geen idee hoe dat bij ons in Rotterdam ligt. Ik vermoed dat we redelijk gemiddeld zijn.
Het verbaast me niet dat Duitse orkesten veelal laag scoren en Oslo bijvoorbeeld hoog op de lijst staat, maar de hoge notering van de New York Philharmonic had ik niet verwacht. Als je naar de bezetting van de jeugdorkesten kijkt zal  het vast niet lang meer duren voordat er ook in toporkesten een meerderheid van vrouwelijke spelers gaat ontstaan.  

Spannender vond ik de vraag of Maris Jansons wel zou dirigeren, zoals aangekondigd. Hij moest in december een aantal concerten afzeggen wegens ziekte en zijn gezondheid is al jarenlang een punt van zorg. Maar nu stond hij er gelukkig weer, vol energie en met een glimlach. En hopelijk kunnen we nog lang en vaak van zijn concerten genieten.
Hij zal zeker dagenlang intensief met ze gerepeteerd hebben.
Zo ging dat ook in de tijd dat hij nog weleens bij ons in Rotterdam kwam, en zo gaat dat tegenwoordig bij zijn orkesten in Amsterdam en München, die hij op die manier in topconditie houdt.
In de traditie van zijn voorganger Willem Mengelberg, die zeer geliefd was in Wenen, juist vanwege zijn kwaliteit van repeteren. Leuk om te lezen hoe hij daar de repetities begon en uitgebreid de tijd nam om iedereen de a van de hobo over te laten nemen. Deze moest, als 'moeder' van het orkest, de toon niet alleen voorspelen maar vooral ook suggereren. Groep voor groep. En daarna begon Mengelberg met een lang verhaal over zichzelf en de muziek voordat er eindelijk gespeeld kon worden. Daar moet je tegenwoordig toch niet meer mee aankomen.

Als de Nieuwjaarstraditie toen al had bestaan, zou hij vast ook voor die eer gevraagd zijn. Maar de eerste keer schijnt in 1939 geweest te zijn, lees ik in het artikel van presentator Joop van Zijl in de Intrada. Je denkt dan meteen aan hun rol in de Tweede Wereldoorlog, waar Osborne ook uitgebreid op ingaat, maar het schijnt toch vooral geweest te zijn om de Oostenrijkers een hart onder de riem te steken, om hun culturele identiteit te benadrukken nu ze onderdeel van het Duitse Rijk zijn.
Van Zijl heeft ook blog geschreven over het Nieuwjaarsconcert (http://weblogs.nos.nl/presentatoren/2011/12/31/op-weg-naar-het-nieuwjaarsconcert/) waarin hij zich afvraagt waarom Haitink nog niet aan de beurt is geweest. Ook hij heeft tenslotte al jaren een goede band met het orkest, maar zal zichzelf misschien niet direkt met dit repertoire in Wenen zien optreden.
Gergiev schijnt ooit gevraagd te zijn, maar zal wel onvoldoende repetitietijd ter beschikking hebben gehad.
Yannick zie ik daar over een paar jaar ook nog weleens op 1 januari op de bok verschijnen.

Over anderhalve week is hij weer bij ons.
Eerst nog deze week een prachtig Nieuwjaarsprogramma, vooral voor hoornliefhebbers.
Eerst Oberon en dan nog een hoornconcert van Mozart!


Maris Jansons was dezelfde middag ook nog op de televisie met een registratie van zijn laatste produktie bij DNO: Eugen Onegin. Natuurlijk prachtig gedirigeerd, zo'n Tsjaikovski. Tijdens een inleidende documentaire leek hij wat moeite te hebben met de verrassende ideeën van regisseur Stefan Herheim, die het verhaal van Poesjkin enigszins aanpast, maar dat heeft hem er niet van weerhouden een topuitvoering neer te zetten.
Wat mij zeer aansprak waren de woorden die hij ook sprak: "We do not take care enough about our spiritual development. We concentrate on a comfortable nice life. It is very dangerous. Music and art are the spiritual food for the people."
Laten we voor 2012 wensen dat men daar meer aandacht voor krijgt.

dinsdag 13 december 2011

Abschied

En toen was het Mahler-jaar alweer bijna ten einde.
Een dubbel jaar was het zelfs, want ook 2010 (150-ste geboortejaar) was voor Mahler.
Alsof hij dat nog nodig heeft.
Mahler wordt bij alle orkesten veel gespeeld, vaak voor volle zalen. En wat kun je anders doen dan zijn symfonieën uitvoeren? Een nieuwe versie van de Tiende misschien of de Eerste weer eens met een vijfde deel. In Leipzig hadden ze een festival met verschillende orkesten, zoals eerder ook in Amsterdam is gebeurd.

Bij ons in Rotterdam hebben we weinig extra's in de Mahler-jaren gedaan. Het moment dat we nu met Yannick Das Lied von der Erde spelen zal wel toeval zijn. Maar het past goed.
Het past goed omdat het een van zijn mooiste, meest intense stukken is. Eigenlijk de Negende symfonie, die hij op dat moment niet durfde schrijven, omdat hij geloofde dat dan zijn laatste zou zijn.
Het past ook goed omdat het hele stuk toewerkt naar het laatste deel, Abschied. Geen afscheid van Mahler, want die spelen we dit seizoen nog wel een paar keer. En al helemaal geen afscheid van Yannick, waar we nog veel van dit soort concerten mee hopen te spelen. Wel een beetje afscheid van 2011 alvast, hoewel er nog een week Bach volgt, maar echt afscheid van een van onze solo-altisten. Ron Ephrat verlaat met dit programma na vele jaren het orkest. Er zijn slechtere programma's denkbaar om vaarwel te zeggen.

Zo'n avond moet voor elke musicus een emotioneel moment zijn. Ron zal zijn altviool niet aan de wilgen hangen en nog her en der op de wereld aan kamermuziekfestivals deelnemen, maar je verlaat toch je collega's op het podium, dat vol bijzondere herinneringen is. Overigens zie je op zo'n avond dan weer vele oud-collega's, die er vaak nog goed uitzien,dus zo slecht zal het leven na het orkest ook niet zijn. Zolang je gezond bent.

En dat was Mahler niet. Vanaf het moment dat er een ernstige hartkwaal bij hem geconstateerd werd, componeerde hij met de wetenschap dat hij niet lang meer te leven had.
De Dood is, vanaf het begin in al zijn muziek prominent aanwezig. Hoeveel treurmarsen zijn er niet in zijn symfonieën te vinden, te beginnen met dat 'Vader Jacob in mineur'-thema in de Eerste? Maar juist dat is dan weer opvallend afwezig in Das Lied. Of het zou het tussenspel moeten zijn voor het laatste gedeelte van Der Abschied, voordat de ruiter van zijn paard af stijgt en zijn vriend een afscheidsdronk aanbiedt.
Daarna volgt een van de ontroerendste momenten uit het hele stuk: "Du, mein Freund, mir war auf dieser Welt das Glück nicht hold!". Ik moet dan aan Schubert en zijn Winterreise denken. Niet omdat de muziek daarop lijkt, maar wel het gevoel van eenzaamheid, de emotionele lading.

Leonard Bernstein noemt een andere associatie in de poëzie van John Keats, met name zijn Ode to a Nightingale: " Darkling I listen; and, for many a time 
    I have been half in love with easeful Death." 
Hij maakt een interessante vergelijking met de Negende, waarin Mahler ook afscheid neemt van het leven, maar meer als een berusting, een overgave aan de Dood. Das Lied, en zeker dit laatste deel voelt hij meer als een omarming van de Dood, waarbij de Dood synoniem is met de eeuwigheid. http://www.youtube.com/watch?v=E2EyPu9mxTg
Want zo eindigt het, zonder te eindigen. Ewig....Ewig....

Zoals Mahler het componeert kan niemand onberoerd laten, of het nu je laatste concert is of niet.
Maar zeker ook niet de manier waarop Christianne Stotijn de tekst overbrengt, op het podium doorleeft. En niet alleen als internationaal een van de beste zangeressen voor dit repertoire, maar ook zo samen met Yannick en de musici in het orkest, zoals fluitist Herman van Kogelenberg. Zij is zo'n solist waarvan je niet graag afscheid neemt. Gelukkig spelen we het vanavond nog een keer in Amsterdam. En hopelijk doen we de komende jaren nog veel andere muziek met haar.






dinsdag 6 december 2011

Escher op het Voorhout

Tussen de repetities en concerten met Ono door en voordat Yannick Das Lied von der Erde komt doen staat er met Domestica een programma Nederlandse muziek op het programma. Het GENECO bestaat honderd jaar en om dat te vieren spelen we het nonet van oprichter Jan van Gilse. Helaas niet in Rotterdam maar alleen in de Haagse Kloosterkerk. Dat stuk is ook al bijna een eeuw oud en klinkt af en toe erg naar een mooie Brahms. We hebben het lang geleden weleens in combinatie met de Serenade van Brahms (nonet-versie) gespeeld, maar daar is weinig van blijven hangen. Heel veel mollen en onhandige dubbelgrepen, dus dat vraagt nog wel wat aandacht. Maar heerlijk om weer eens in zo'n kamermuziekcombinatie met blazers te spelen.

De combinatie die we nu gemaakt hebben is met twee trio's van Rudolf Escher. Escher is internationaal een bekende naam, maar dan toch vooral oom Maurits, M.C.Escher. Er is een Haags paleis met diens grafische kunst gevuld, vlakbij de Kloosterkerk, aan een van de mooiste straten van Europa. Ze hadden wel contact met elkaar maar uit de briefwisseling blijkt hoezeer ze van mening verschilden over veel artistieke kwesties.
Rudolf woonde in Rotterdam toen op 14 mei de bommen vielen, en zijn huis ging, met vele partituren in vlammen op. Het blazerstrio had hij net voor een wedstrijd ingeleverd en is zodoende bewaard gebleven. Hij is verhuisd naar Oegstgeest waar hij later Van Gilse een onderduikadres kon bieden. Van Gilse, die ooit een te Duitse componeerstijl was verweten, had zich, met zijn zoons, zeer duidelijk tegen de bezetter gekeerd. Bij Escher thuis zou hij zijn laatste adem uitblazen. In zekere zin dus wel toepasselijk om de componisten in eenzelfde programma op te nemen.

Het strijktrio hebben we ook al eerder in RPhO-verband gespeeld, namelijk in de Vrienden-serie in Boijmans. Dat moet toch ook al zo'n negen jaar geleden geweest zijn, want ik herinner me nog goed hoe Willem Vos het programma ingeleid en aan elkaar gepraat heeft. Willem Vos was jarenlang artistiek manager van het RPhO geweest, maar die tijd heb ik niet echt meegemaakt. Wel als student in de zaal gezeten bij Tennstedt, Ormandy, Rattle, Sanderling. Prachtige concerten. Componisten als Berio (zie foto) en Lutoslawski had hij voor het orkest gekregen. Ik heb het gevoel dat er toen ook meer Nederlandse muziek klonk dan de laatste jaren. Vos bleek de muziek die we speelden goed te kennen en had nog nuttige aanwijzingen tijdens de repetitie die hij ook bijwoonde. Hij overleed niet lang daarna, in februari 2003, veel te jong. Later zag ik dat hij een boekje over Escher gepubliceerd had.
Wat mij betreft is Escher een componist die we bij het orkest ook wel weer eens vaker mogen gaan spelen. Zo'n Musique pour l'esprit en deuil bijvoorbeeld, of zijn Univers de Rimbaud. (http://www.youtube.com/watch?v=g_eeE4YmpPE
Eerst maar eens even wat kamermuziek, dinsdag in de Kloosterkerk.

zondag 4 december 2011

Bekend

Mark Elder was al lange tijd niet meer bij ons geweest, maar gedurende de week herinnerde ik me steeds meer van vorige keren.
Een gewoonte waarin hij zich onderscheidt van bijna al zijn collega's is de manier waarop hij de orkestmusici bij hun (voor)naam aanspreekt. Hij zal vast ergens een lijst klaar hebben liggen maar veel namen onthoudt hij, inclusief de uitspraak, wat voor een Engelsman niet altijd eenvoudig zal zijn. Het is wel een merkwaardige ervaring om van een langsreizende gast namen te horen die ik zelf nog niet ken, zoals bijvoorbeeld een Koreaanse achtste hoornist.


Wat ik me van Elder ook had kunnen herinneren is de inleidende woorden op het podium. Janacek was het toen, Taras Bulba, als ik me niet vergis. Een collega, die net een inleiding voor de Vrienden had gehouden, en daar veel voorbereiding aan had gehad, was daar niet zo blij mee. Maar het kan zeker goed werken. Misschien dat niet iedereen in de zaal Engels verstaat of behoefte heeft aan achtergrondinformatie, maar Elder weet knap de sfeer van een stuk in woorden te vangen en de muziek in zijn historische omgeving te plaatsen. Ik sluit niet uit dat een deel van de verpletterende uitwerking die de Vierde Sjostakovitsj vrijdag blijkbaar op het publiek in de zaal had aan zijn introductie kan worden toegeschreven. En ook voor ons kan het nuttig zijn.

Komende week staan weer andere 'gems' op het programma, maar dan meer van het soort 'highlights', misschien wel 'music for the millions'. Zonder enige negatieve bijklank, overigens. Integendeel.
Het Eerste vioolconcert van Bruch werd, denk ik, een tijd geleden veel meer gespeeld dan nu. Net als het Pianoconcert van Grieg, het Tweede pianoconcert van Rachmaninov, dat soort stukken. Een vorm van romantiek waar nu misschien minder plaats voor is.
Bruch stond altijd, zonder uitzondering, op een lp samen met Mendelssohn. Milstein, Grumiaux, de piepjonge Mutter, Perlman, ik zie de hoezen nog voor me. Bruch heeft nog twee vioolconcerten geschreven, en een Schotse Fantasie, die vooral door Heifetz werd gepropageerd, maar geen van die stukken kon dat vioolconcert in g mineur van zijn troon stoten. En het blijft heerlijke muziek. Het zal zeker smullen worden met een solist als Sarah Chang. Zij combineert het op haar cd overigens met het concert van Brahms, maar op youtube zijn natuurlijk ook live-registraties van haar te vinden.
Die Orgelsymfonie van Saint-Saëns is weer een ander verhaal. De Derde en laatste van zijn symfonieën, en misschien nog niet zo heel lang zo populair. Dat begon vooral in de 70-er jaren, toen de popsong 'If I had words', met het thema uit de finale aan de haal ging. Later werd het stuk gebruikt als filmmuziek in Babe, ook nooit slecht voor de verkoopcijfers.  
Overigens is het aandeel van het orgel in deze symfonie ook weer niet zo dominant, eigenlijk meer een belangrijk orkestinstrument, dat in twee van de vier delen mee speelt. Wel duidelijk hoorbaar natuurlijk, want achter zo'n orgel, zeker dat in de Doelen, kun je je niet makkelijk verstoppen. Alle gelegenheid dus om Hajo Boerema, doorgaans verborgen achter het grote orgel in de Laurenskerk, eens te zien spelen. Hij is specialist in het Franse romantische repertoire en heeft een van de leukste websites die ik ken, onder musici. Een aanrader: http://hayoboerema.com/

dinsdag 29 november 2011

Herfst bijna afgelopen

Komende week sluit het Philharmonisch de 'Russische Herfst' af met een groot uitroepteken. Zo kan je die Vierde symfonie van Sjostakovitsj toch wel noemen. Een gigantisch orkest - 8 hoorns, 6 fluiten, een regiment slagwerkers! - en drie kloeke delen.
Een uitstervend uitroepteken, want de finale eindigt met een lang pianissimo accoord in de strijkers, waarboven de celesta een motief enkele malen herhaalt.
Je zou je kunnen voorstellen dat een dirigent daar de boel de boel laat en af en toe de celesta-speler een inzet geeft, maar ik herinner me dat Haitink ooit tijdens een concert met ons in Antwerpen onenigheid met de toetsenist had over het moment van spelen en die onenigheid enige tijd en tamelijk opvallend bleef voortduren.

We hebben het stuk in Rotterdam met meer topdirigenten mogen spelen. Gergiev natuurlijk, meer dan eens. Tijdens een van de festivals hebben we het samen met het Mariinsky-orkest uitgevoerd en, als ik me goed herinner, zelfs opgenomen.
Mark Elder, Sir Mark, zei vanochtend dat hij kon merken dat de muziek bij ons in de genen zat. Dat moet de nalatenschap van Valery zijn.
Maar een uitvoering die ik me vooral ook is bijgebleven was de eerste keer dat ik met Roshdestvensky speelde. Ik herinner me hem van latere produkties vooral als clown die met een ongelooflijke techniek en muzikaliteit kan dirigeren, maar daar niet altijd zin in heeft. Die Sjostakovitsj-concerten waren wel degelijk aangrijpende gebeurtenissen.

Die Vierde symfonie heeft een unieke geschiedenis. De premiere werd, na vele dagen intensief repeteren, in december 1936 afgeblazen, omdat een uitvoering politiek veel te gevaarlijk leek. Het materiaal werd zelfs vernietigd, maar waarschijnlijk niet allemaal. Bijna 25 jaar later, ver na de dood van Stalin, heeft Sjostakovitsj de partituur weer gereconstrueerd. Het zal vast niet veel verschillen van de oorspronkelijke versie, maar het kan ook zijn dat hij zijn ervaringen van de tussenliggende jaren, bijvoorbeeld met orkestratie, bewust of onbewust heeft gebruikt. Aangezien hij zelf de reconstructie heeft gemaakt is het natuurlijk wel echte Sjostakovitsj, maar eigenlijk is het raar dat hier zelden over gerept wordt. Ik ken ook geen vergelijkbaar geval.

Wel wordt deze zelfde week een ander stuk van Sjostakovitsj uit de jaren '30 in Los Angeles wereldpremiere gebracht.
Althans een reconstructie van 40 minuten van wat in 1932 als een opera van 4 actes had moeten worden uitgevoerd, ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van de Revolutie. 'Orango' heet het verhaal over een kruising tussen een aap en een mens. Hij was nooit voltooid, om welke reden dan ook, maar een paar jaar geleden werden schetsen gevonden. Dirigent Salonen en regisseur Peter Sellars zullen er vast een mooie productie van maken.

Ik denk dat de 'Russische Herfst' als marketing-concept goed gewerkt heeft. Niet alleen Elder, maar ook anderen zullen ons orkest nog wel met die muziek associëren. Wat er nu me de lada gaat gebeuren weet ik niet, maar ik heb al voorgesteld naar zo'n mooie oude Citroën DS uit te kijken voor een Franse Lente of April in Paris. Daar wil ik dan wel in rijden.


zaterdag 8 oktober 2011

Op reis door Duitsland

Het weer hadden we in ieder geval mee.
En over de zalen viel ook weinig te klagen.
Beetje warm misschien.

En zo was ook de ontvangst van het publiek.
Dat begon al in Praag: het celloconcert van Dvorak in het Rudolfinum. Historische grond, mooie akoestiek, en natuurlijk een zaal vol kenners. Het was onderdeel van een Dvorak-festival en dit is zonder meer een van zijn bekendste en meest geliefde stukken.
Terecht dat Truls Mork daarvoor was gevraagd. Niet alleen geldt hij als een van de top-solisten op zijn instrument. Dit concert was ook het stuk waarmee hij een aantal maanden geleden zijn come-back op het podium maakte. Problemen in zijn schouder die moeilijk te diagnosticeren waren, hadden voor een afwezigheid van bijna twee jaar gezorgd. Nu speelde hij weer als vroeger, of misschien nog wel doorleefder. Zo'n ingrijpende ervaring zal niet in zijn koude kleren zijn blijven zitten.
Een klein detail herinnerde nog aan zijn problemen: de stemsleutel van de C-snaar was afgezaagd, zodat zijn nek meer ruimte naar achteren heeft. Dat is overigens een truc die ook cellisten zonder rugpoblemen wel gebruiken.

De twee Bruckner-symfonieën, Zeven en Acht, kwamen pas in Duitsland uit de koffer, allereerst in Nürnberg. Met vier Wagner-tuba's in de Meistersinger-Halle! Het zou de minst aantrekkelijke van de zalen blijken, dus misschien wel geschikt zo aan het begin. Hotel en zaal lagen naast elkaar, wat ideaal is, maar helaas wat buiten het centrum. Met een tramhalte op loopafstand vond ik toch nog tijd om een museum in te duiken. Ik wilde de stad niet verlaten zonder Albrecht Dürer te hebben gezien. Twee grote schilderijen van Duitse keizers hingen tegenover elkaar, naast ander werk. En natuurlijk nog even langs Rembrandt. Paulus, onbekend voor mij, en het beroemde vroege zelfportret. Meestal lukt het me wel om op tournee een paar Rembrandts te zien. Vaak voor het eerst, maar ook een hernieuwde kennismaking is bijzonder. Het blijft inspireren, misschien wel meer en meer, en de wereld hangt er vol mee, zeker Duitsland.

Freiburg bood mij de gelegenheid oude vrienden terug te zien en kort bij te praten. Ik was al te lang niet in de buurt geweest.
Zo'n tournee geeft je natuurlijk ook meer tijd voor de vrienden en collega's binnen het orkest.
Bovendien bezochten we steden die nauw verbonden zijn met componisten die we vaak spelen. Dat is ook een vorm van vriendschap die je kunt verdiepen.

Hamburg, waar we onze vrije dag hadden, is de stad van Brahms. Zijn geboortehuis staat er niet meer maar er is nog wel een aardig Brahms-Museum. Twee verdiepingen vol foto's, brieven en andere handschriften. Elke verdieping werd beheerd door een vriendelijke oudere dame, die allebei blij waren dat, ondanks het warme weer, iemand de moeite nam de verzameling te bekijken. Ze wisten veel te melden, eindeloze verhalen, en verzekerden mij dat Brahms, ondanks zijn langdurige verblijf in Wenen, altijd een Hamburger gebleven is. Net zo gesloten als de poort in het wapen van de stad. Heel anders dan de mensen uit Bremen, want die hebben de sleutel in het wapen. Ze wisten me nog over te halen op de piano van Brahms te spelen, voordat ik van de rest van de stad kon gaan genieten. Ik geloof wel dat je een componist en zijn muziek beter kunt 'verstaan' als je een indruk hebt van de omgeving waar hij is opgegroeid.

Een volgende gelegenheid deed zich voor in Bonn. De stad stond op zijn kop vanwege de viering van de Dag van de Duitse eenheid, maar verscholen in een smalle straat vond ik met enige moeite toch nog het geboortehuis van Beethoven. De kamer waar hij ter wereld kwam is nog te bezichtigen. Geen piano om op te spelen, maar de altviool waarop hij gespeeld zou hebben in het orkest van de keurvorst hing in een vitrine. En natuurlijk weer talloze handschriften en oude partituren.
Bij het keurvorstelijk paleis lieten alle Duitse deelstaten zich met aantrekkelijke presentaties van hun beste kant zien. Ik bedenk me dat ik me makkelijker kan voorstellen dat de jonge Ludwig daar ooit met pruik en altviool rondliep dan dat Bonn de hoofdstad van de Bondsrepubliek was. Echt de sfeer van een provinciestad, zoals het dat in de 18e eeuw ook geweest moet zijn.

Het laatste concert van de reis vindt in de Philharmonie van Keulen plaats.
Een mooie zaal en een goed concert, bekroond met een glas Kölsch, het plaatselijke bier, dat ons alle aangeboden wordt. We hebben niet veel tijd want moeten dezelfde avond nog thuis zien te komen, met bus, trein en tram.
Voor het concert besteed ik een laatste vrij uurtje in het Wallraf-Museum.
Ik had gelezen dat er een Titiaan zou hangen, maar dat bleel valse informatie.
Wel weer een mooie Dürer en Rembrandts laatste zelfportret, dat mysterieuze schilderij waar de oude man zichzelf lachend heeft afgebeeld. En zo was de Duitse cirkel dan toch mooi rond.

De ontmoeting met Titiaan zal komende week in de Laurenskerk plaatsvinden. Daar beginnen we met Domestica Rotterdam aan een nieuwe serie Lof&Lust, die heel  mooi dreigt te worden.

Daarover valt nog veel te melden, waarop ik mij, ook als blogger, de komende weken vooral ga richten.
Voor degene die de verhalen en activiteiten wil volgen, kijk op http://domesticarotterdam.nl/blog

woensdag 21 september 2011

Der letzte Kapellmeister?

De afgelopen week en de komende week is het bij het Philharmonisch de muziek van Anton Bruckner die de grootste klok slaat.
Gisteravond in Gent klonk de Achtste in de prachtige Sint Baafs-kathedraal, hoe toepasselijk, en luidden de klokken in de toren bij het verlaten van de kerk.
En zoals een symfonie van Bruckner associaties oproept met een kathedraal roept zijn werk, zeker bij de oudere orkestleden, altijd weer herinneringen op aan dirigent Kurt Sanderling.
Deze overleed zaterdag, bijna 99 jaar oud.
Op het concert dat in Rotterdam aan hem werd opgedragen klonk Schumann en Mendelssohn, naast Britten en Adams, maar ik begreep dat de avond in Gent met Bruckner ook ter nagedachtenis aan de grote Duitse maestro was bedoeld.



Hij is vaak in Rotterdam geweest, een paar programma's heb ik nog met hem mogen spelen.
Ik vond het een voorrecht, en velen met mij, maar ik begreep wel dat menigeen ook wel gemengde gevoelens had. Hij kon soms onaangenaam zijn en bepaalde passages eindeloos laten herhalen voordat hij tevreden was.
Hij had goede oren en een duidelijke visie.
Het vak had hij geleerd als repetitor bij de opera in het Berlijn van de jaren 30.
Een betere leerschool kon je niet krijgen. Bijna alle grote dirigenten in het verleden begonnen onderaan in een operahuis, werken met zangers, onverwacht inspringen voor zieke dirigenten en zonder repetitie een opera tot een goed einde brengen. Bovendien kon je in die jaren in Berlijn avond aan avond de grootste dirigenten in de verschillende operahuizen en concertzalen aan het werk zien. Bruno Walter, Erich Kleiber, Otto Klemperer, Wilhelm Furtwängler.
Hij moest als jood vluchten voor de nazi's en vertrok, integenstelling tot de meeste collega's, oostwaarts.
Lange tijd zou hij tweede dirigent in Leningrad zijn, bij het orkest waar Mwrawinsky, ook zo'n legende, de scepter zwaaide. Veel werken van Sjostakovitsj leerde hij daar al kennen voordat ze in premiere waren gegaan.




Als ik me goed herinner stond Sjostakovitsj ook op het programma van zijn laatste productie met ons: het Tweede celloconcert met zijn zoon Michael. En je voelde hoe dicht hij ooit bij de bron had gezeten.
Maar het was toch Bruckner, Brahms ook wel, dat het best bij hem paste. De ruimte, de Duitse klank, de grote lijnen.
Hij kon prachtige verhalen vertellen.
Verhalen die waarschijnlijk bij elk orkest weer hetzelfde waren.
'Habe ich das schon erzählt? Genau so? Dann ist mein Gedächtnis noch perfekt.'
Verhalen die duidelijk maakten hoe we moesten spelen, de sfeer, de klank.

Een jaar of tien geleden is hij gestopt met dirigeren.
Hij vond dat hij niet meer aan zijn eigen maatstaven kon voldoen. Een bewonderenswaardige, en voor een dirigent zeldzame, keuze.
Eigenlijk betekende dat al het afscheid van een generatie dirigenten, een traditie van Kapellmeisters in de goede zin van het woord.
Ik ben blij dat ik hem nog heb mogen meemaken