dinsdag 27 september 2016

Signaal

Ik ben ervan overtuigd dat er in de muziek van Mahler nog veel onontdekte boodschappen verborgen zitten.Niet in alle gevallen boodschappen die noodzakelijk zijn om de muziek goed te verstaan, maar voor de liefhebbers zeker een sport om te ontdekken en de lading te benoemen.
Het citeren uit eigen of andermans werk lijkt me daarvan een niet te missen voorbeeld.
Zoals bij het begin van zijn Vijfde symfonie.
Iedereen kent het trompetsignaal.
Degenen die het weleens hebben mogen spelen kregen er misschien wel nachtmerries van.
Maar hoe velen weten dat Mahler hiermee zichzelf citeert?
Dezelfde figuur, hetzelfde instrument, hetzelfde ritme, ja zelfs de zelfde toonhoogte klinkt in het eerste deel van de Vierde, verstopt tussen andere instrumenten. Het is het eind van de doorwerking, dus vlak voordat de reprise begint en de thema's uit het begin weer terug komen (10:00):
Bij de Vijfde gaat het anders verder, en staat het meer op de voorgrond, maar de overeenkomst is veelzeggend. En dat hoeft niet eens te betekenen dat Mahler terugwijst naar zijn vorige symfonie.
Misschien denkt hij in beide gevallen aan zijn jeugd, die hij doorbracht in de garnizoensstad Iglau, met dagelijks de klanken van de militaire kapellen.
Het lijkt op het signaal van de Generalmarsch, de oproep om met alle bepakking in het gelid te gaan staan, klaar om te marcheren. Alleen is bij Mahler het stijgende interval een kleine in plaats van een grote terts.
Dat heeft vast te maken met de treurmars die volgt.
Haydn had het signaal ook al eens gebruikt maar blijft in zijn Militaire symfonie (nr. 100) dichter bij het origineel (vanaf 5:04):
En Mahler doet ook nog iets anders; hij noteert hetzelfde ritme als Haydn, een triool als opmaat, maar schrijft vervolgens voor om die iets vluchtiger, iets sneller te spelen, bijna als een trommelslag: Die Auftakt-Triolen dieses Thema müssen stets etwas flüchtig (quasi accel.) nach Art der Militärfanfaren vorgetragen werden.
Dat zal vast gebaseerd zijn op zijn jeugdherinneringen.
Of zou de speelstijl in het Oostenrijkse leger in die honderd jaar veranderd zijn? 
Voor de trompettist zal het niet zoveel uitmaken, is het misschien wel lekker. 
Maar om dat vervolgens met het hele orkest te doen levert altijd wel wat gedoe op, temeer het alleen in de partituur genoteerd staat en niet in onze partijen:
 
Over de reden om juist hiermee de symfonie te openen kun je speculeren.
Het past zeker in het principe Per aspera ad astra, door de moeilijkheden naar het licht, wat aan deze symfonie, net als bij Beethovens Vijfde, ten grondslag ligt. En dan moet je natuurlijk in de modder, in de ellende beginnen.
Voordat dat licht bereikt wordt, voordat de sterren naderbij komen, valt er nog te genieten van het heerlijk romantische Adagietto, sehr langsam, seelenvoll, waarin blazers en slagwerk even op adem kunnen komen en de strijkers en harp de ruimte krijgen om hun hart te luchten.
Over de rol van dit toch wel onverwachte element in de symfonie is men tegenwoordig tamelijk eensgezind; een liefdeslied van Gustav voor zijn toekomstige vrouw Alma.
De basis voor deze veronderstelling is eigenlijk best mager. Meer dan een opmerking in de partituur van Willem Mengelberg is er niet. En Mengelberg had er nog weleens een handje van zichzelf als woordvoerder van de componisten naar voren te schuiven.
Ik kan me ook moeilijk voorstellen dat Alma Mahler, die zich altijd goed wist te promoten, vergat het te melden. Ze noemt wel een ander werk als liefdeslied, 'het enige dat Mahler ooit componeerde', namelijk het Rückert-lied Liebst du um Schönheit, met een toepasselijke tekst en heel andere muziek.
Het idioom van het Adagietto, wat wel degelijk ook het karakter van een lied heeft, zit veel dichter bij Ich bin der Welt abhanden gekommen. Dat zou kunnen betekenen dat de strekking van het vierde deel van de symfonie meer in die richting gezocht moet worden, maar Mahler zelf heeft er nooit iets over losgelaten.
En zolang kan Visconti met evenveel recht de muziek voor zijn film Morte a Venezia gebruiken als de firma Gucci voor een nieuwe promotie-campagne. Of toch niet?
Misschien heeft dirigent Juanjo Mena er andere ideeën over.
Dan zal hij dat vast melden in het voorprogramma van Core Classics van komende zaterdag.
Dat kan nog interessant worden.

donderdag 22 september 2016

Ouverture

Om op de hoogte te blijven van het reilen en zeilen in de klassieke muziekwereld kun je op internet een heleboel vinden. Er zijn bepaalde sites die ik daarvoor regelmatig bezoek.
Waar ik zelden op kijk is de website van ons eigen orkest.
Die zal mij weinig verrassends tonen. .
Toch is het goed om af en toe te zien welke blik de buitenwereld op het Rotterdams Philharmonisch Orkest geboden wordt.
In de nieuwe huisstijl uiteraard en met bovenaan een lijstje Top 5 best verkocht om te waarschuwen welke concerten uitverkocht dreigen te raken.
Dat noem ik goede dienstverlening.
Waar ik vraagtekens bij wil zetten is de concert-etiquette, die wordt uiteengezet aan de hand van 'meest gestelde vragen' onder het item Concertbezoek.
Goed dat die er is, zeker voor nieuw publiek, dat wil weten wat er van hen verwacht wordt.
Maar als laatkomers worden veroordeeld tot wachten tot de pauze, dan hoop ik dat dat een vergissing is.
Of misschien een overdrijving, omdat laat komen moet worden ontmoedigd.
Maar als onverhoopt alles tegenzit dan zou er na kwart over acht ook nog hoop moeten zijn.
Tenminste als er meerdere stukken worden gespeeld.
Als een stuk afgelopen is volgt er doorgaans applaus - ook daarover wordt men op de website geïnstrueerd - wat een acceptabel moment zou kunnen zijn om publiek te zaal in te laten zonder te storen.
Dat was ooit, in tijden dat men er minder waarde aan hechtte om op tijd te komen, ofwel extra waarde aan juist laat komen, een belangrijke reden om een programma met een kort stuk te beginnen.
Een ouverture bijvoorbeeld.
Die traditie is een beetje verouderd. De klassieke volgorde: ouverture-soloconcert-pauze-symfonie hoort inmiddels bij de uitzonderingen maar kan toch nog uitstekend van pas komen.
Zoals deze week bij de opening van de serie Goud, met een ouverture van Beethoven.
Het is een van zijn langste, ongeveer een kwartier.
Dus voor half negen moet iedereen wel binnen zijn, als je Arthur Jussen, een van onze jonge grote Nederlandse pianotalenten, niet wil missen.
Maar liefst gewoon op tijd, want ook de Beethoven is geweldige muziek.
Ouverture Leonore 2 is niet de tweede maar de eerste van vier (!) ouvertures die hij componeerde voor zijn enige opera, die uiteindelijk onder de titel Fidelio niet meer uit het repertoire is weg te denken. Die drie latere versies doen overigens niets af aan de kwaliteit van deze muziek.
Misschien beoogde hij steeds weer een ander doel met het begin van zijn opera.
Je wilt het kletsende publiek stil krijgen, de mensen in de stemming brengen voor de eerste scene of wel een tipje van sluier oplichten en iets van het hele verhaal laten horen.
Dat laatste doet Beethoven hier, inclusief happy end. Misschien werkte dat in het theater minder goed dan de uiteindelijke versie als Ouverture Fidelio, korter en krachtig en zonder thema's uit de opera zelf.
Leonore 1 is pas later ontdekt en heeft Beethoven waarschijnlijk later voor een afgelaste productie in Praag geschreven.
Deze klonk pas na zijn dood toen Mendelssohn de premiere in Leipzig dirigeerde.
Hij had het originele idee om alle vier de ouvertures op één avond te dirigeren, tot groot enthousiasme van Schumann, die erover in zijn tijdschrift berichtte: Als ik hem (Beethoven) ooit als krachtig ervoer, dan wel op deze avond, waar we, beter dan ooit, konden horen hoe hij in zijn werkplaats vormde, afwees, veranderde en voortdurend schitterde van inspiratie. Hij was het meest indrukwekkend in de tweede.(Schumann, 1840).
En die tweede, tegenwoordig minder populair dan nummer drie, klinkt deze week bij ons.
Dat een ouverture gecomponeerd is als opening van een opera of ander theaterstuk betekent niet dat het uitsluitend als begin van een concert geprogrammeerd kan worden.
In de eerste helft van de vorige eeuw werd daar waarschijnlijk vrijer mee omgesprongen dan tegenwoordig.
Als je bijvoorbeeld de programma's van de Duitse dirigent Wilhelm Furtwängler ziet, die rustig in een Beethoven-programma de ouverture Coriolan zet tussen de Vierde en de Vijfde symfonie.
Of eindigt met Leonore 3 na het Vierde pianoconcert.
De naam hoeft niet altijd letterlijk te worden genomen.
Ik dacht dat Ouverture vroeger als titel van het programmablad van het RPhO had gefungeerd, maar ik kom alleen de vermelding van Intermezzo tegen. Misschien was Ouverture wel beter geweest, net als Intrada en het Amsterdamse Preludium.
Ze fungeren toch als inleiding op het concertbezoek.
De website kan die rol ook steeds beter vervullen.
Zo staat er voor het programma van deze week een uitgebreide toelichting die je zelfs nog kunt uitprinten als je hem mee wilt nemen.
Ook dat is goede dienstverlening.    

woensdag 7 september 2016

Hoogtepunten

Het lijkt misschien riskant om zo vroeg in het seizoen al over hoogtepunten te speculeren, maar voordat op 22 september de abonnementsseries bij het RPhO van start gaan hebben we er zeker al een paar gehad.
Als eerste de benoeming van de toekomstig chef-dirigent. Het is weliswaar geen artistieke prestatie maar wel een moment waarop je je als orkest hecht met elkaar verbonden voelt. Wat in de pers hier en daar nog als risico wordt beschouwd, wat het natuurlijk altijd ook is, zien wij orkestbreed met groot vertrouwen en gretigheid tegemoet.
Zijn leeftijd kreeg de meeste aandacht - de jongste ter wereld! - maar eigenlijk is dat geen wezenlijk issue. Er zijn dirigenten die op jonge leeftijd al een grote overtuigingskracht en diep inzicht in de muziek tonen. Dat soort mensen zoeken wij in Rotterdam en weten we gelukkig ook nog steeds te vinden en aan ons te binden.
Yannick is daar het sprekende voorbeeld van. Toen we begonnen was hij niet alleen jong, maar ook voor veel zalen nog te onbekend om tournees mee te boeken. Inmiddels staat de hele wereld voor hem in de rij! Afgelopen weken hebben we met hem weer ons visitekaartje bij verschillende Europese festivals afgegeven.
Edinburgh natuurlijk, altijd heerlijk om te zijn. Met Mahlers Zesde hebben we daar een paar jaar geleden hoog gescoord. Dit keer zat de Tiende in onze bagage; een problematisch stuk, waar vele orkesten en dirigenten hun tanden al op hebben stuk gebeten. Ik weet niet zeker of we er helemaal zonder kleerscheuren vanaf zijn gekomen, maar het publiek reageerde laaiend enthousiast.
Missie geslaagd.
Voor de festivals van Schleswig Holstein en Stresa hadden we Sibelius 2 paraat, aangevuld met een onbekende Haydn ouverture en de broers Capucon in het concert van Brahms.
In Stresa, aan het prachtige Lago Maggiore voert Gianandrea Noseda al jarenlang de artistieke scepter. Noseda is een dirigent waarmee het helaas minder goed gelukt is om een ooit stevige band te continuëren. We hebben hem daar niet gezien, maar ik hoop dat we hem de komende jaren weer eens in Rotterdam kunnen ontvangen.
Mahler 10, aangevuld met liederen van vrouw Alma, klonk onderweg nog op het Rheingau Festival in klooster Eberbach. Een prachtige abdij, midden tussen de wijngaarden, die ooit dienst deed als decor in de film In the name of the rose. Voor de snellere delen van de Mahler was het geen ideale akoestiek, maar vooral het slotdeel kreeg een bijzondere, bijna religieuze lading.
Nergens bracht de onverwachte diepe trommelslag zo'n schok teweeg als in Eberbach.
Hoewel hij ook wel goed werkte KKL in Luzern, waar we de tournee afsloten.
Voor mij was dat het hoogtepunt, waarbij Yannick de diepste diepten van de partituur opzocht en wij hem moedig volgden. De zaal, een van de mooiste van Europa, was daarbij een grote steun.
We waren ook wel wat verplicht, in zo'n festival met louter toporkesten en dirigenten.
En we komen gelukkig snel weer terug.
De dag na ons was het de beurt aan Valery Gergiev met zijn Duitse orkest, de Münchner Philharmoniker, dit keer niet met Floris Mijnders, die ons nog een laatste keer vergezelde, maar wel met Herman van Kogelenberg, ook een oud-collega.
En deze week staat Valery ook weer in zijn eigen festival Rotterdam, met louter Prokofjev.
Een onverslaanbare combinatie zou ik zeggen.
Dat moet garant staan voor nog meer hoogtepunten in ons prille seizoen.
En als het al niet door de dirigent en het orkest zou zijn, dan vormt de line up van solisten in de complete serie pianoconcerten absoluut een unicum:
Alexander Toradze als oude bekende, die de hele serie ooit met Gergiev op cd heeft uitgebracht, Daniil Trifonov, die geldt als de grootste sensatie in het pianospelen van de laatste jaren, de nieuwe Argerich, en zeker ook Alexander Gravylyuk, die met de laatste twee pianoconcerten de zwaarste taak op zijn schouders heeft.
Voor ons wordt het ook nog een hele klus, maar een dankbare.
En gelukkig hebben we daarna even rust voordat het seizoen officieel losbarst.
Met daarin ongetwijfeld nog meer hoogtepunten.


dinsdag 23 augustus 2016

Nieuwe chef

Een sleutelmoment.
Zo mogen we dit toch wel noemen.
De keuze van een nieuwe chefdirigent.
De laatste keer was alweer zo'n tien jaar geleden.
En dat was pas de tweede chef in de bijna kwart eeuw dat ik van dit orkest deel uit maak.
De houdbaarheid van directeuren was bepaald een ander verhaal.
Toen ik begon, in de jaren 90 van de vorige eeuw, was Jeffrey Tate net vertrokken.
Dirigent en orkest waren beiden tot de conclusie gekomen dat ze niet bij elkaar pasten.
Het gevolg was dat ik in mijn eerste seizoen bijna veertig verschillende dirigenten voor mijn neus heb gehad, met alle voor- en nadelen van dien.
Interessant was het zeker.
Tijdens dat jaar lukte het het orkest, onder aanvoering van Paul Zeegers en Kees Hillen, om Valery Gergiev als chefdirigent te strikken en werd tevens een prestigieus festival in het leven geroepen.
Dat beloofde een enerverende periode te worden.
Een statement in orkestenland.
Vele gedenkwaardige concerten, maar ook zware tijden voor het management. Het einde van de era Gergiev leek regelmatig voor de deur te staan, maar het heeft toch uiteindelijk dertien jaar geduurd.
En ook nog na zijn afscheid in 2008 is Valery, en niet alleen tijdens zijn Festival, als eredirigent ons orkest blijven dirigeren. Het is directeur Jan Raes gelukt om het chef-dirigentschap op een goede manier af te sluiten en te laten overgaan in een andere vorm van samenwerken. Een kunst op zich.
Bij andere orkesten, maar ook bij eerdere dirigenten in Rotterdam is dat nog weleens een pijnlijk proces en dat is zonde van alles wat in de loop der tijd mogelijk is opgebouwd. In het geval van Gergiev in Rotterdam is dat prima verlopen, en daar plukken wij en ons publiek nog steeds de vruchten van.
Dat geldt, wat mij betreft, ook voor het aantrekken van een opvolger.
Als lid van de artistieke commissie, en daarmee ook de zoekcommissie, heb ik toen vele discussies meegemaakt en gevoerd. Aanvankelijk over het profiel maar uiteindelijk toch vooral over namen.
Je verzamelt informatie en ervaringen van collega's in binnen- en buitenland, luistert naar opnames en gaat concerten bezoeken. Een longlist wordt uitgedund tot shortlist en het aantal serieuze kandidaten, dat beschikbaar is en aansluit op onze wensen, blijkt tenslotte zeer overzichtelijk.
Ik herinner me dat de naam van Yannick pas halverwege het proces opdook, en meteen na zijn eerste week bij ons (een Fins abonnements-programma en een benefietconcert met o.a. Martha Argerich), met stip bovenaan de lijst kwam. Het talent, de energie, de communicatieve vaardigheden en de enorme aanstekelijke muzikaliteit overtuigden het hele orkest, maar er waren toen ook nog kandidaten waar we nog niet mee gespeeld hadden.
Hoe lang kun je wachten met een beslissing, met al die andere kapers op de kust?
Dat is een delicaat spel, dat toen, gezien het resultaat, goed gespeeld is.
Ook George Wiegel, onze toch nog verse directeur, blijkt dat nu goed in zijn vingers te hebben.
In beide gevallen is de eensgezindheid van het orkest geen onbelangrijke factor.
Als de musici gezamenlijk zo enthousiast zijn over een dirigent is er iets bijzonders aan de hand.
Dat komt zeer zelden voor.
Dan kan de kandidaat nog langs een paar andere meetlatten worden gelegd, maar is de opdracht aan het management duidelijk.
Leg de man vast voordat anderen je voor zijn!
Die man, of vrouw, moet dan natuurlijk ook nog wel zijn hart aan ons orkest verloren hebben, maar Cupido had in beide gevallen raak geschoten. Dat heeft zeker ook, maar niet uitsluitend, met kwaliteit te maken. Blijkbaar zijn we als orkest aantrekkelijk genoeg voor deze mensen.
Toch had dat ook anders kunnen lopen.
Veel orkesten, ook veel goede orkesten, zijn op zoek naar een dirigent.
En er zijn te weinig goede dirigenten voor te veel goede orkesten. De spoeling is dun, en mijn gevoel is dat dat probleem de afgelopen tien jaar alleen nog maar groter is geworden.
Wij vissen dan misschien niet meteen in de vijver waar een Berliner Philharmoniker (Kyrill Petrenko) of een Concertgebouworkest (Daniele Gatti) recentelijk hun chef moesten zien te vangen. Met hun reputatie en financiële mogelijkheden hebben die orkesten grote voordelen, maar tevens het nadeel dat je weinig risico's kunt nemen en je tot gevestigde namen moet beperken.
Daar hoort Lahav Shani nog niet bij.
Maar het zou me niet verbaasd hebben als het orkest van Bamberg, dat vorig jaar Jakub Hrusa vastlegde, of onze collega's in Birmingham, die een half jaar geleden kozen voor Mirga Grazinyte-Tyla als opvolger voor de al vertrokken Andriss Nelsons, ons voor waren geweest.
Misschien hebben we ook wel geluk gehad.
Met de keuze die we tien jaar geleden maakten voor Yannick kunnen we nog steeds heel gelukkig zijn. Zijn benoemingen bij het Philadelphia Orchestra en de Metropolitan Opera, maar ook zijn samenwerkingen met andere toporkesten, hebben ons gelijk bewezen.
Dat succes, en zeker zijn operawerk in New York, zullen het misschien lastig maken om de samenwerking na 2018 inhoud te geven, maar ik heb er vertrouwen in dat we zo'n goede band hebben opgebouwd, dat de relatie stand zal houden.
Daar gaan we komende week op tournee weer verder aan bouwen.
En met de komst van Lahav Shani voelen we ons net zo gelukkig.
In de twee programma's die hij bij ons gedaan heeft, ook als pianist, heeft hij een overweldigende indruk gemaakt als muzikale persoonlijkheid, met een heel eigen stijl, prachtige handen en een, voor zijn leeftijd, verrassend rijp inzicht in de structuur van de muziek.
De samenwerking moet zich nog bewijzen maar ik zie met hem, en de voortgaande relaties met Valery en Yannick, artistiek een hele mooie toekomst voor ons.

Welkom Lahav!

maandag 15 augustus 2016

Opmaat

Is het de mooiste opmaat als opening binnen het symfonische repertoire?

Voor mij staat hij zeker heel hoog op de lijst.
Het is niet de beroemdste.
Dat moet de Vijfde van Beethoven zijn.
Het noodlotsmotief dat iedereen zo kan zingen.
En misschien dat Mahler met zijn Vijfde inmiddels ook een heel eind komt.
Een soortgelijk ritme in een eenzame trompet, maar eerder de dood dan het noodlot dat aan de deur klopt.
Niets van dat al in de Vierde van Brahms.
Een enkele noot gespeeld door beide vioolgroepen, een octaaf van elkaar verwijderd en, bij ons deze week, verspreid over beide zijden van het podium.
Een b.
De b van Brahms, zou je kunnen zeggen, ware het niet dat hij die noot 'h' genoemd moet hebben.
Een enkele noot die een wereld van emoties, van klanken, misschien ook wel herinneringen in gang zet.
Men noemt het een opmaat, maar eigenlijk is dat een wat merkwaardige term.
Meestal, ook hier, gaat het maar om een klein gedeelte van een maat.
Als aanloop, als beweging naar de eerste echte maat, waar de nadruk op ligt.
De Duitsers noemen het Auftakt, maar de Engelsen zeggen upbeat.
Dat dekt de lading in dit geval zeker beter.
Maar soms leidt een hele eerste maat naar een zwaardere tweede maat.
Dat is in wezen een echte opmaat, alleen wordt dan die term niet gebruikt.
Een fantastisch en duidelijk voorbeeld is het andere stuk op ons eerste programma van het nieuwe seizoen, het Vioolconcert van Beethoven. 
Vier paukenslagen.
Of eigenlijk vijf, maar de laatste valt samen met de inzet van de melodie in de houtblazers.
En daarmee zijn meteen de belangrijkste bouwstenen van het eerste deel gepresenteerd.
Je moet wel het genie van een Beethoven bezitten om zo'n bij uitstek lyrisch en apollinisch werk te openen met twee paukenstokken.
Ik weet niet of het eenvoudig is om te spelen, maar je hoort meteen de persoonlijkheid van de paukenist, zoals bij verschillende uitvoeringen op internet.
De namen van de spelers ken ik niet, maar de ervaren rot bij de Berliner Philharmoniker bijvoorbeeld, geeft elke noot gewicht en aandacht.
In Frankfurt krijgen de vier noten veel meer richting en energie. Waarschijnlijk komt dat ook van dirigent Herreweghe, of misschien meer nog soliste Kopatchinskaja.
En de paukenist van de New York Philharmonic heeft zo zijn eigen aanpak, met beide stokken in de eerste maat.
Rust of richting lijken de belangrijkste opties.
We zullen horen wat Danny van der Wal er van gaat maken.
En dirigent Lahav Shani natuurlijk.
Een groot talent dat bij ons in juni al veel indruk maakte met een enerverende Pathétique, maar voor dit programma zal hij uit een heel ander vaatje tappen. En dan kun je zo'n begin van Brahms wel een toetssteen noemen.
Hoeveel gewicht leg je op die eerste noot?
Zit daarin al iets van wat nog komen gaat?
Geef je een paar slagen vooraf of neem je de violen in één beweging mee?
Hoe gebruik je de stilte, die ook een wezenlijk onderdeel van de muziek vormt? 
Ook daarvoor biedt youtube een rijk scala aan mogelijkheden.
De eerlijke eenvoud van Haitink, het grote romantische gebaar van Barenboim, de ongelooflijke energie en lichtheid van Kleiber, of Jansons, die de eerste noot niet aan het toeval overlaat en twee duidelijke slagen vooraf geeft.
Stuk voor stuk topdirigenten met allemaal hun eigen visie.
We zullen er deze week met Shani in het Concertgebouw een nieuwe versie aan toevoegen.
Daarmee krijgt Amsterdam de opmaat voor een mooi nieuw RPhO-seizoen, dat meteen daarna stevig begint met een tournee langs onder mee de festivals van Edinburgh en Luzern onder de leiding van onze chef en uiteraard het jaarlijkse Festival met onze eredirigent in Rotterdam.
Maar daarover later meer.



dinsdag 28 juni 2016

Slotscene

Het seizoen in Rotterdam hebben we met de Pathétique afgesloten.
Onder luide toejuichingen van twee volle zalen.
Het laatste woord is echter niet aan Tsjaikovski maar aan Strauss, Richard wel te verstaan.
Of eigenlijk Oscar Wilde.
De slotscene uit Salome.
'Ah! Du wolltest mich nicht deinen Mund küssen lassen, Jochanaan!'
Geen verwijzing naar een incestueuze relatie deze week.
Maar zo zal Tsjaikovski bij de Pathétique de opdracht aan zijn neef misschien ook niet bedoeld hebben. Hoewel ik niet verbaasd zou zijn als er een citaat uit Wagners Die Walküre, het incestdrama bij uitstek, zou kunnen worden getraceerd. Ik heb het nog niet gevonden.
Dirigent Marc Albrecht vond wel een mooi Wagner-citaat in Salome: ergens halverwege de Dans van de zeven sluiers klinkt het beroemde Tristan-accoord.
Welke gedachte zal daar achter zitten?
In de slotscene overtreft Richard Strauss zijn grote voorbeeld Richard Wagner nog in het doorbreken van taboes. bij het vertonen van seksuele afwijkingen, als Salome zich verlustigt aan het (afgehakte) hoofd van Johannes de Doper.
Daar zal het Amsterdamse publiek niet veel van te zien krijgen.
Weliswaar spelen we de muziek in het Muziektheater, maar regisseur Pierre Audi heeft gekozen voor een 'mise en espace'. Een beetje geënsceneerd, dus.
Het vormt de afsluiting van de vijftigste verjaardag van DNO, in de week dat bekend werd dat Audi, haar artistieke boegbeeld, na dertig jaar het schip zal verlaten en in Aix-en-Provence een nieuw avontuur beginnen.
Hij kan trots zijn op zijn werk en zijn gezelschap, dat onlangs werd geëerd als Opera Comapany of the year 2016.
Zoals we in Nederland ook trots mogen zijn op een zangeres als Eva-Maria Westbroek.
Bij ons orkest is ze nooit geweest, als ik me niet vergis, behalve om haar man tenor Frank van Aken te beluisteren (hij zat nu ook weer bij haar repetities in de zaal), maar DNO heeft haar gelukkig voor verschillende opera's weten te strikken. En voor dit gala.
Hoe feestelijk dat gaat worden is een andere kwestie.
De tekst is sterk. Beeldend, gruwelijk, en, ook in de toneelversie zonder muziek, muzikaal.
Zelfs in de Duitse vertaling van het Franse origineel van Oscar Wilde, dat Strauss gebruikte.
De slotscene begint op het moment dat de beul het afgehakte hoofd aan de verwende prinses presenteert.
Het meisje is verontwaardigd dat de profeet niet voor haar charmes gevallen was, ja, haar zelfs geen blik waardig had gegund. Dat is ze niet gewend. Als dank voor een sensuele dans, waarmee ze haar stiefvader opwindt, had ze gekregen waar ze om vroeg: dat hoofd.
Ze krijgt van Strauss een kwartier de tijd om daarmee te spelen, daartegen te praten, daar wraak op te nemen en tenslotte te kussen, voordat Herodes het bevel geeft haar dood te schieten.
Die laatste zin zul je bij ons, waar alleen Salome zingend wordt opgevoerd, niet horen.
Er mist wel meer in deze 'mise en espace'. Een bloederig hoofd heb ik nog niet gezien en op de dans, die we wel spelen, wordt niet gedanst. Terwijl Salome haar sluiers een voor een zou moeten laten vallen, staat Eva Maria Westbroek vermoedelijk in haar kleedkamer een mooie jurk aan te trekken.
Maar hadden ze misschien een bevallige danseres van het Nationaal Ballet kunnen inhuren?
Uiteindelijk gaat het om haar zingen en de kracht van de muziek, en die zijn beide verpletterend.
Met een gigantisch orkest zitten we in de bak.
Inclusief heckelfoon en orgel, dat even haar laagste tonen mag laten horen: 'und wenn ich dich ansah hörte ich geheimnissvolle Musik....' Over onderbuikgevoelens gesproken.
Toch lukt het Strauss daarbinnen nog subtiele klankcombinaties te maken, vaak met slechts enkele solo-strijkers en wat houtblazers. Dan voel je mee met de componist die achter zijn schrijftafel zit te genieten. En wij ook, ondanks, of ook wel: dankzij de hoge technische eisen die aan alle spelers worden gesteld. Het is muziek die ons orkest graag speelt, wat we afgelopen seizoen betrekkelijk weinig hebben gedaan.
Volgend seizoen worden de Strauss-liefhebbers ook niet rijkelijk door ons bediend, dus zal het jubileum-seizoen 17-18 de balans wel weer rechttrekken.
'Ich dürste nach deine Schönheit.  (.....) Nicht die Fluten, noch die grossen Wasser können dieses brünstige Begehren löschen....' 
Dat wordt, val voor de zomer, nog even genieten van onze Nederlandse diva!



maandag 13 juni 2016

Late Tsjaikovski

Is er een mooier stuk om ons seizoen mee af te sluiten?
We hebben de symfonie met Yannick nog niet zo lang geleden voor DG op cd gezet.
Die opname maakte vooral juichende recensies los (this is without question one of the finest Pathétiques to have come my way in the last 30 or so years. Gramophone) .
En we hebben het natuurlijk met Gergiev gespeeld, hoewel pas tijdens het Festival in 2004.
Maar ook Haitink en Saraste hebben ons in het recente verleden door de emotionele uitersten van de partituur geleid.
Russische muziek kleeft aan ons orkest.
De ultieme symfonie, het unieke meesterwerk van de Russische symfonische muziek.
De Pathétique.
Niet alleen een muzikaal meesterwerk, overigens.
Ook een intrigerend onderwerp om over te schrijven.
Speculaties en zinvolle analyses.
En dat heeft allemaal te maken met de omstandigheden en het moment waarop Tsjaikovski zijn laatste adem uitblies.
Te vroeg om ons te kunnen bijpraten over de gedachten en gevoelens achter deze muziek.
De titel lijkt vooral een open deur. Welke muziek van Tsjaikovski is niet pathétisch?
De dedicatie zegt vermoedelijk veel meer. Het is namelijk de naam van zijn neef Vladimir (Bob) Davidov, die op de titelpagina prijkt.
Tsjaikovski dirigeerde zelf de premiere op 28 oktober 1893 in Sint-Petersburg.
Geen mislukking maar zeker ook geen daverend succes.
Negen dagen later was hij dood, onder op zijn minst, twijfelachtige omstandigheden.
En dan beginnen de verhalen.
Er heerste cholera in de stad en toch dronk Pjotr Iljitsj een glas ongekookt water.
Was het zelfmoord? Wilde hij dood, of werd hij ertoe gedwongen?
Wie een beetje op internet zoekt kan er van alles over vinden.
Maar wat is de muzikale boodschap van de muziek? Heeft die er iets mee te maken?
En - voor de laatste keer dit seizoen - past het stuk onder de noemer late style, zoals de Missa Solemnis, de Vierde van Brahms, de Achtste Bruckner, Mahler Tien?
Kenmerken van een 'late style' hebben we niet vastgesteld, maar er is wel wat langsgekomen.
Een hang naar religie, naar contrapunt, naar de muziek van Bach (of Händel) hoorde daarbij, evenals een versobering van de middelen. Daar lijkt bij Tsjaikovski niet echt sprake van.
De melodieën zijn nog net zo romantisch als in zijn Eerste pianoconcert.
Het is meer de vorm waarin hij afwijkt van zijn eerder symfonieën.
Wel weer een wals als middendeel, maar met zijn 5/4-maat onmogelijk om te dansen.
Het derde deel krijgt het karakter van een luidruchtige finale, inclusief een applaus van het publiek, en het langzame deel, het emotionele hoogtepunt, volgt pas als vierde deel, als finale, eindigend in een diepe stilte.
Daarmee heeft Tsjaikovsi een baanbrekend werk geschreven, dat Mahler weinig jaren later bij zijn Negende zal hebben geïnspireerd.
Religie blijft niet helemaal buiten beeld, met het citaat uit de Russische dodenmis in de trombones, halverwege het eerste deel.
Maar het belangrijkste wat deze symfonie voor mij maakt tot Spätstil-werk (ik weet er geen Nederlandse term voor) is eerlijkheid. Recht uit het hart. Jezelf bloot geven zonder je nog te hoeven storen aan de reacties van de (boze) buitenwereld.
Want boos moet die buitenwereld voor Pjotr Iljitsj zeker geweest zijn.
In een tijd en een land waar van je verwacht wordt dat je gaat trouwen en een gezin stichten.
Op homoseksualiteit stonden strenge straffen.
Wat hem er niet van weerhouden heeft om er verschillende relaties met mannen op na te houden.
In een aantal gevallen vast platonisch.
Maar de muze van zijn laatste jaren was niet alleen een man, hij was ook nog familie.
Neef Bob, zoon van zijn zuster.
Hartstochtelijke brieven heeft Tsjaikovski hem geschreven.
Hij bleek na het overlijden een van zijn belangrijkste erfgenamen.
En aan hem werd deze Zesde symfonie opgedragen.
Zouden ze hun verhouding hebben ervaren als incest?
Zou dat teveel geweest zijn voor de gevoelige componist?
We kunnen het hem niet meer vragen.
Bob ook niet. Die maakt in 1906 een eind aan zijn leven.
Wat Pjotr Iljitsj heeft nagelaten is muziek van een ontroerende intensiteit, die geen musicus of toehoorder in de koude kleren gaat zitten.
Maar ook in zijn originaliteit verbluft de partituur nog steeds.
Een van de mooiste vondsten, die alleen zichtbaar maar, indien goed uitgevoerd, nauwelijks hoorbaar is, is het begin van de finale, het Adagio lamentoso.
Wat je hoort is een dalende melodie, zoals Tsjaikovski menige dalende melodie componeerde.
Niets bijzonders, eigenlijk.
Ware het niet dat hij de melodie over beide vioolstemmen verdeelt.
Als twee gelijken die elkaar omarmen......
De tweede violen beginnen met de hoogste noot, die moet meteen de aandacht vangen.
Dat dat niet vanzelfsprekend is bewijst deze opname van de Wiener Philharmoniker met Karajan, toch niet de minsten.
Als je beide groepen tegenover elkaar op het podium zou plaatsen en dichtbij gaat zitten wordt het als het volgen van een potje tennis.

Maar de hele partituur staat vol prachtige vondsten, zoals te volgen is op het volgende youtube-filmpje:
Een uitvoering van Gergiev.
Ik verwacht dat we deze week met Lahav Shani weer een interessante uitvoering aan onze lijst kunnen toevoegen.
Als afsluiting van een mooi seizoen.