woensdag 14 september 2011

Eeuwigheid zonder hoop?

Een dirigent moet zijn visie op een stuk in de eerste plaats aan het orkest overbrengen en via het orkest in het klinkend resultaat aan het publiek.
Toch kan het ook wel interessant zijn om te horen wat ze nog over de muziek te melden hebben.
Niet allemaal kunnen ze dat goed verwoorden maar voor Yannick is dat geen probleem.
Op de website van het Gergiev Festival spreekt hij over de Achtste van Bruckner.
En wat bedoelt hij dan als hij het over de finale heeft, waar sprake is van eeuwigheid maar niet noodzakelijkerwijs van hoop? Een samenvatting van alles wat hij gecomponeerd heeft, een afsluiting, maar dan met gemengde gevoelens?



De Achtste is een van die stukken die begint in c mineur en eindigt in C majeur. Net als de Vijfde van Beethoven, maar die maakt de overgang naar majeur al bij de overgang naar het laatste deel en niet pas op het eind.
'Per aspera ad astra' heet dat dan. Door de moeilijkheden naar de sterren. Luctor et emergo zeggen we in Zeeland.
Maar blijkbaar is er bij Bruckner weinig reden tot blijdschap, geen overwinningsroes, althans volgens Yannick, als ik hem goed begrijp.

Er zit altijd veel Beethoven in Bruckner, ook in deze Achtste. Hij begint in de toonsoort van de Vijfde met het ritme van de Negende. Maar een Ode an die Freude wordt het niet. Wel krijgen we een prachtig Adagio, misschien wel zijn allermooiste, met veel Wagner-klanken en ritmes, vooral Tristan, voordat de Finale losbarst.
Het doet mij denken aan aanstormende legers te paard, zoals in Russische films uit de dertiger jaren. En dat blijkt niet ver naast de waarheid te zitten, zoals Bruckner die verwoord heeft. Hij had het stuk geschreven voor zijn keizer, Franz Joseph, 'Eure Kaiserliche und Königliche/Apostolische Majestät'. Een ontmoeting van de keizer met de Russische tsaar in Olmütz. Voor de strijkers componeerde hij een Kozakkenrit, in het koper klinkt militaire muziek en voor de trompetten had hij een fanfare in petto, voor het moment dat de vorsten elkaar treffen. Aan het eind komt nog een dodenmars en een 'verheerlijking'.
Het is zeldzame informatie die de componist in een brief aan dirigent Weingartner stuurt.
Maar het verandert niets aan de partituur.
Ik kan me ook nauwelijks voorstellen dat Bruckner zich bij het componeren van zo'n gigantische compositie heeft laten leiden door een dergelijk voorval, hoe 'apostolisch' hij zijn keizer ook vindt.

De waarheid staat in de noten en die zal moeten blijken tijdens een concert.
Wat voor elk stuk geldt, maar zeker voor een symfonie van Bruckner, is dat de spanningsboog moet kloppen.
Die begint al voor de eerste noot, voor de fluisterende klank van de violen in tremolo en twee hoorns.
Het vraagt om een heel specifiek vermogen aan een dirigent om een Bruckner-symfonie in gang te zetten, te laten beginnen. Als het ware meer een loslaten dan een activiteit.
De kwaliteit van dat begin, en van alles wat daaruit volgt, komt tot ontlading in de coda van de finale.
Als dat goed gaat is het een ongelooflijk moment, een emotioneel hoogtepunt. En wat heeft Bruckner dat geniaal geschreven! Een koraal in de strijkers eindigt met een paar fluitnoten en lost op met losse paukenslagen, voordat de coda inzet, Ruhig, pianissimo, mineur.
En bij de dirigenten en concerten waar het niet lukt, waar de opbouw niet klopt, de spanningsboog niet volgehouden is, is dat het dieptepunt, de grote teleurstelling. Ook dan kunnen er nog vele prachtige passages gepasseerd zijn. Ter illustratie een stukje youtube, waar de coda rond de elfde minuut begint, hoewel het bij zo'n kort fragment niet goed kan werken.

Celibidache is zo'n dirigent die met Bruckner naam heeft gemaakt.Curieus is dat de concertmeester op dat moment tijdelijk afhaakt. Snaar gesprongen?

Net zomin als een video de beleving kan overbrengen blijft dat op cd en radio ook beperkt. De echte beleving van de ontwikkeling van zo'n symfonie vindt plaats in de concertzaal. En dan kun je misschien de vraag beantwoorden of Bruckner een hoopvolle toekomst gezien heeft.
Ik weet het nog niet.

vrijdag 9 september 2011

Britten and the Sea

Met de zee als thema van het Rotterdam Philharmonic Gergiev Festival is het niet meer dan gerechtvaardigd dat daar muziek van Benjamin Britten klinkt.
Een twintigste-eeuwse componist die nog steeds ondergewaardeerd wordt.
Niet omdat hij nu zo modern componeerde, misschien juist omdat hij dat niet deed.
Hij werd nooit gerekend tot de avant-garde, maar ontwikkelde een hele eigen stem, een taal die vooral vocale wortels heeft. Natuurlijk en menselijk.



Als Engelsman die hield van de zee, de kust en de mensen die er wonen, verwerkte hij die liefde in veel van zijn opera's. Opera's die zelden in Nederland geklonken hebben. Alleen Peter Grimes misschien.
Billy Budd ging gelukkig afgelopen seizoen in Amsterdam, maar dat zou best eens voor het eerst geweest kunnen zijn.
Of Death in Venice hier ooit te zien was, weet ik niet, maar zo niet, dan wordt het hoog tijd.

Gergiev dirigeerde gisteren een suite uit deze laatste opera van Britten.
Instrumentale suites uit opera's hebben altijd iets problematisch, maar het is wel een manier om deze krachtige muziek, althans gedeeltelijk, vaker uitgevoerd te krijgen.
En hoe fascinerend is het dan om mee te maken hoe Gergiev zo'n partituur, voor ons en voor hem nog nieuw, benadert! Tijdens een zeer geconcentreerde repetitie duidt hij alle klankeffecten, ritmes (veel prominent slagwerk!) en balanskwesties en bereikt een expressief en uitgesproken verhaal.
Het zal moeilijk te vatten geweest zijn voor de mensen die niet weten waar de muziek in het verhaal past, de meesten zonder twijfel, maar ik ben blij dat het stuk op het, toch al lange, programma stond.



Ik verwacht dat Gergiev een belangrijke rol kan gaan spelen in de uitvoeringspraktijk van Brittens werk. Afgelopen seizoen klonk al Midsummernightsdream bij Mariinsky en er zullen er vast meer volgen. Britten had zelf een belangrijke band met de Russische muzikale cultuur, en dan vooral Sjostakovitsj, Rostropovitsj en zijn vrouw Vishnevskaja. Een passend eerbetoon als het belangrijkste operahuis van Rusland zijn mooiste werken op het repertoire gaat zetten.
Ik kan me overigens goed voorstellen dat ook Yannick op dat gebied mooie dingen kan gaan doen. Een eerste proef maken we zondag mee als hij het Festival afsluit met de Four Sea Interludes. Eigenlijk een soort
Peter Grimes suite, maar dan met vier zelfstandige delen. Waarmee Britten, als ideale zee-componist, het begin en het einde vormt.  


De combinatie met Mahler Negen, gisteravond, was een gelukkige.
Het zijn beide werken van kunstenaars die weten dat ze niet lang meer te leven hebben, met een zwak hart en een sterke geest. Britten heeft zich als dirigent en componist intensief met Mahler bezig gehouden, in een tijd dat dat nog niet erg vanzelfsprekend was. Na het horen van Das Lied von der Erde, toch een soort zusterwerk van de Negende, schreef hij: 'It is cruel, you know, that music should be so beautiful.'
En dat is zeker een thema uit Death in Venice, het wrede van schoonheid. Dat kan voor Visconti, bij zijn verfilming van het verhaal van Thomas Mann, ook het gevoel geweest zijn, toen hij voor Mahler en zijn adagietto koos. Britten specificeert de verschillende schoonheden als: loneliness & pain, strength & freedom, disappointment & neversatisfied love.
Het zit allemaal in zijn opera en het zit in die ongelooflijke symfonie van Mahler.
En het was Gergiev die ons daarin gisteren weergaloos de weg wees.

dinsdag 6 september 2011

Elf

Komend weekend is het tien jaar geleden.
Nine eleven.
Wie het meegemaakt heeft weet nog waar hij was toen hij het hoorde, 11 september 2001.

Wij werden er, de dagen erna, in het Gergiev Festival op een merkwaardige manier mee geconfronteerd.
Valery zat in Los Angelos en kon, vanwege het gesloten luchtruim, niet naar Europa vliegen.
Met hulp van Placido Domingo wist hij Mexico te bereiken en vanaf daar, een paar dagen te laat, uiteindelijk Rotterdam. Het is een van de kleine verhalen rond het drama dat de wereld schokte.



Vandaag vertelde mijn (Russische) buurman cellist mij over een andere associatie met het getal elf.
We repeteerden Sadko, de opera van Rimsky-Korsakov. Tussen alle 4/4, 3/4 en 6/8 maten dook opeens een 11/4-maat op. Een zeldzaamheid, zeker in het romantische repertoire, en altijd een beetje onhandig tellen.
Wladi kende de muziek niet, maar herinnerde zich dat ze in Rusland een rijmpje hadden om een elfkwartsmaat te kunnen tellen, met als strekking 'Rimsky-Korsakov, helemaal gek geworden'. Ik herinner me de Russische tekst niet meer, maar het telde elf lettergrepen. En misschien was deze opera wel de aanleiding.
Het gebruik van woorden om lastige ritmes goed uit te voeren, kan handig zijn. Ik vertaal een kwintool vaak in 'sinaasappeltje'. En dat kwam later weer van pas in de opera, bij het 'onderwater-ballet'.

Het is een mooie partituur. Russische sprookjesmuziek. Het verhaal raakt de kern van de Russische ziel. Volgens Orlando Figes, toch een autoriteit, 'was Sadko als mythe even belangrijk voor de Russen als Beowulf is voor de Engelsen en Kalevala voor de Finnen. Rimsky-Korsakov had overigens veel gemeen met Sadko: beiden waren zeeman en musicus en bovendien afkomstig uit Novgorod. Hij heeft de partituur zeer kleurrijk en fantastisch geïnstrumenteerd. Weinig componisten die dat vak zo beheersten als Rimsky-Korsakov.



Voor ons is het ideaal om dit te kunnen spelen met de zangers van het Mariinsky Theater. Als Gergiev over honderd jaar nog ergens voor herinnerd wordt, dan zal het in de eerste plaats door zijn werk in Sint-Petersburg zijn, waar hij niet alleen een operahuis tot hoge kwaliteit weet te brengen, maar vooral ook door het koesteren van de traditie van de Russische opera. Talrijke vergeten meesterwerken staan daar weer op het repertoire. Sommige daarvan hebben we in de loop der jaren ook in Rotterdam kunnen horen.
Wat mij betreft mogen we die bijzondere samenwerking nog jaren voortzetten.
En voor de liefhebber is komende zaterdagavond dus een must!

vrijdag 2 september 2011

Esthetisch?

Partituren van grote meesterwerken zijn er om tot klinken gebracht te worden.
De schoonheid komt via de oren.
Maar er zijn ook partituren die de ogen laten genieten.

Ik had ooit het plan een van de muren van mijn studentenkamer te behangen met de mooiste bladzijden muziek. Het is er nooit van gekomen, zoals het met de meeste plannen gaat.
Maar de laatste bladzijde van Mahler 9 was een belangrijke kandidaat. 
Kijk en geniet!

Overigens trof ik op zoek naar deze pagina op internet een intrigerende blog over de symfonie:

Met Conlon speelde ik ooit Mahler 8 in Rotterdam, Bernstein heb ik met Mahler 9 in Amsterdam meegemaakt: een van mijn meest indrukwekkende concertervaringen. 

En laten we hopen op een gepaste lange stilte na het slotaccoord, volgende week.

woensdag 31 augustus 2011

Bijzondere band

Over de band tussen een dirigent en zijn orkest, zoals in Berlijn, valt veel te melden.
De muziekwereld is vol mooie voorbeelden maar kent ook vele mislukkingen. En zelfs waar het goed gaat is het nog een kunst zo'n relatie tenslotte bevredigend te beëindigen.

De geschiedenis van Herbert von Karajan en de Berliner Philharmoniker is een bijzonder geval. In 1955 werd hij daar benoemd tot dirigent voor het leven en dat heeft hij vrij probleemloos, zeg maar: succesvol en winstgevend, volgehouden, tot in de jaren 80, toen een conflict over de benoeming van een vrouwelijk orkestlid uit de hand liep. Toch heeft dat niet geleid tot een definitief afscheid en stierf hij in 1989 als chef van de Berliner Philharmoniker. Een samenwerking van 34 jaar dus.
Dat komt niet vaak meer voor.
James Levine, die in 1973 tot chefdirigent bij de Met werd benoemd, is een zeldzaam voorbeeld, maar zijn gezondheidsproblemen zorgen voor veel speculaties over zijn opvolging.
Het past meer bij het verleden, toen dirigenten nog niet zo makkelijk en snel de wereld over reisden.
Ormandy in Philadelphia (44 jaar), Mengelberg in Amsterdam (50 jaar), en natuurlijk Eduard Flipse in Rotterdam ( 36 jaar).

Die heb ik natuurlijk niet meer meegemaakt, maar misschien dat het goede werk dat hij verricht heeft nog in de genen van het Rotterdams Philharmonisch zit.
Toen ik kwam had Jeffrey Tate net afscheid genomen.
Dat kun je wel een voorbeeld noemen waarbij de samenwerking tussen orkest en dirigent mislukt is en voortijdig werd stopgezet.
In mijn eerste seizoen speelden we daarom elke week met een andere dirigent. Dat had voordelen, maar vooral ook nadelen. Al spoedig volgde de benoeming van Gergiev tot chef-dirigent. In de achttien jaar dat ik nu in het orkest zit heb ik dus nog maar twee chef-dirigenten meegemaakt: Valery zou dertien jaar blijven, tot 2008. En in die jaren is zeker een bijzondere relatie gegroeid. Iets daarvan is te zien en te horen in de registratie van het afscheidsconcert met Ein deutsches Requiem van Brahms, wat ik nog altijd een waardevol document vind.

Maar het grootste deel zit natuurlijk in onze herinnering. En als je over herinneringen gaat praten heb je aan Valery een goeie. Hij weet nog precies welke stukken we waar hebben uitgevoerd en hoe het ging. Ik ken niemand met zo'n fenomenaal geheugen op dat gebied. Het zegt ook iets over de intensiteit waarmee hij elke keer weer een concert beleeft.
Er zijn veel hoogtepunten geweest. Niet alle collega's hebben daarbij dezelfde ervaringen, maar een die velen met me zullen delen was Mahler Negen in Kyoto. Een bijzonder stuk in een bijzondere stad. Een symfonie met een finale waarin de componist alles lijkt los te laten spelen tussen de Japanse Zen-tempels. Maar het was ook een speciale dag, want ver weg in Nederland werd Kees Hillen, onze voormalig artistiek leider, naar zijn laatste rustplaats gebracht.


En komend Festival komt het stuk weer terug.
Het zal zeker anders zijn. Elk concert is anders en al helemaal met een man als Gergiev.
Maar er zal ook worden voortgeborduurd op wat geweest is, wat we ooit hebben opgebouwd en meegemaakt. Hij heeft de partituur sindsdien vele malen gedirigeerd. Vooral met zijn LSO, de cd daarvan komt deze week op de markt. En hij is zeker weer gegroeid in het stuk.
En wij hebben het vorig jaar nog gespeeld met Yannick.
Wat voor concert het gaat worden valt niet te voorspellen, maar ik heb hoge verwachtingen.
Zo'n moment waarop ik me bevoorrecht voel op het podium te mogen zitten.

vrijdag 19 augustus 2011

Liebe und Schönheit

Onze eerste trip dit seizoen zit er al weer op.
Zondagmiddag landden we vanuit San Sebastian op Zestienhoven, sorry Rotterdam The Hague Airport.
Een uur te vroeg, als was het om alle vertraging van de vorige reis te compenseren.

Bijna zou ik nog op tijd thuis gekomen zijn om een documentaire over Herbert von Karajan op de televisie te zien. "Beauty as I see it." 
Karajan is een naam die hoort bij mijn jeugd. Ik luister zelden meer naar zijn opnames, die destijds de platenmarkt domineerden, maar een documentaire over dit fenomeen zie ik graag. En aan de enorme kwaliteiten van de man, op velerlei gebied wil ik ook niets afdoen. Alleen de mooie klank die hij nastreefde en hoogste prioriteit had interesseert me tegenwoordig minder. Toch had ik hem graag een keer live meegemaakt en er zijn opnames, zoals Meistersinger of Mahler 9, die nog steeds favoriet zijn.

De documentaire, die ik gelukkig ook op youtube aantrof, bleek interessante, voor mij onbekende, fragmenten te bevatten. Ze bevestigden het beeld van de 'controlfreak' en de waarde die hij hechtte aan uiterlijke zaken. Hij moest vooral zelf vaak en mooi in beeld zijn. Maar het was ook een eenzame man en op het eind van zijn leven lichamelijk een wrak. De kwetsbaarheid die toen ontstond leidde nog tot bijzondere uitvoeringen, zoals een van de mooiste Nieuwjaarsconcerten die de Wiener Philharmoniker ooit gaf.
Je ziet en hoort hier een diepe emotionele band tussen orkest en dirigent die al heel veel samen hebben meegemaakt. Ieder orkest zal zoiets nastreven, en ik denk dat we in Rotterdam met Valery een eind gekomen zijn. De dvd met Brahms Requiem laat daar zeker iets van zien en horen. En ook met Yannick komen we steeds dichter bij elkaar. San Sebastian was weer een stap in de goede richting.

Een prachtige zaal waarin je heel mooi zacht kunt spelen. En dat hebben we dan ook gedaan, zoals in de finale van de Derde Mahler. Was uns die Liebe erzählt.
Maar ook het eerste deel was al een eensgezind avontuur. Vooral Pierre Volders ging in zijn trombonesolo heel diep. 
Ik had hem die dag nog gefeliciteerd met zijn Mahler-prijs uit Italië, maar hij wist van niets. 
Der Internationale Schallplattenpreis Toblacher Komponierhäuschen werd deze zomer uitgereikt aan Neeme Järvi en het Residentieorkest voor hun cd van de Zevende symfonie van Mahler, waarvoor hulde, maar een belangrijk aandeel daarin is de tenortuba-solo. En ik had gehoord hoe Pierre die toen speelde.
Dus toch ook een beetje een Rotterdamse onderscheiding.
Misschien is dat wel een voorbeeld van de samenwerking die de minister voor zich ziet.

Welke ontwikkeling Karajan veroorzaakt en meegemaakt heeft bij het maken van geluids- en vooral beeldopnames is onderwerp van een andere documentaire, die ik ook op internet aantrof, Maestro for the screen uit 2008. Je ziet daarin hoeveel hij leerde van filmmakers als Clouzot en Niebelung, en er uiteindelijk zijn eigen, wellicht wat egocentrische, draai aan gaf. Een van de opmerkelijkste uitspraken, die ik nauwelijks kan geloven, is hoe Karajan ook aan het uiterlijk van zijn orkestleden extreme eisen stelde. De heren van het orkest, dames telde zijn Berlijnse orkest niet, moesten zorgen dat ze goed geschoren waren, baarden werden niet gewaardeerd, aldus concertmeester Brandis. En kalende mannen kregen pruiken! Voor wie het niet gelooft: (http://www.youtube.com/user/MaestroStark#p/c/649B71775CCCB3A6/3/WlkMoPcc96o) De uitspraken zijn te vinden rond de 3'.Ik weet niet precies in welke periode deze esthetische voorkeur bepalend was, maar ik ga zeker zoeken naar de haarstukjes.

Het is natuurlijk een leuke anecdote in een documentaire die boeiende vragen aan bod laat komen.
Hoe breng je een concert in beeld?
Welke beelden ondersteunen de muziek het beste? 
En in die kunst heeft Karajan een hele belangrijke rol gespeeld.

maandag 11 juli 2011

Zomer

We zijn alweer een paar dagen terug op Nederlandse bodem, na de aswolk-vertraging van twee dagen, maar de vermoeidheid komt nog uit alle poriën.
Het was een boeiende reis maar behoorlijk zwaar.
Niet alleen de gebruikelijke jetlag, maar ook meerdere gemiste, want in vliegtuigen doorgebrachte nachten en vele wacht-uren op luchthavens. En verder moest er natuurlijk gewoon gewerkt worden.

Ik heb, ondanks mijn smartphone, hier weinig van mij laten horen, maar er was een journalist in ons gezelschap die dagelijks zijn verhaal op internet heeft verspreid. Als ik de volgende tournee mijn toestel onder de knie heb zal ik weer een eigen verhaal maken.
Een terugblik is van mij ook niet meer te verwachten want de tent moet snel ingepakt worden om nog lekker met het gezin van een buitenlandse vakantie te gaan genieten. Begin augustus worden we alweer in topvorm in San Sebastian verwacht. En dan mag ik nog blij zijn dat ik niets geboekt had, want verschillende collega's moesten hun vakantievlucht laten schieten.
Anderen vonden na terugkomst hun rekening leeggehaald door criminelen.
Heel vervelend allemaal, maar dat had natuurlijk ook in Europa kunnen gebeuren.
En veel redenen tot klagen hebben we niet, als je daar de ongelooflijke armoede op straat ziet.
Een reis dus die nog lang stof tot nadenken biedt.
Ook over de vele boekhandels in Buenos Aires bijvoorbeeld, waar Jorge Luis Borges een nationale held lijkt.
Na tango-legende Carlos Gardel natuurlijk.

Voor iedereen een mooie zomer toegewenst en de hoop op een inspirerend seizoen met wellicht wat voortschrijdend inzicht in de politiek, waar onze staatssecretaris inmiddels toegeeft met de btw-verhoging niet erg gelukkig te zijn.