Ik weet het nooit, als mensen me vragen met hoeveel musici we op het podium zitten.
Ik geloof, dat ik 'honderd' antwoordde, tegen het koorlid uit Toulouse. Wat ruim geschat.
'Nog meer dan wij!', want zij waren met tachtig.
'En komen jullie daarmee helemaal naar hier?'
Zo vanzelfsprekend is dat inderdaad niet.
Waarom zou een orkest uit Rotterdam in Toulouse gaan spelen, of in Ljubljana en Wenen?
In Toulouse hebben ze ook een orkest.
Ik heb het nooit gehoord maar Yannick had hen al gedirigeerd voordat hij naar Rotterdam kwam.
Ook Daphnis en La Mer in één programma, als ik het goed begrepen heb.
Nu kon hij laten horen hoe hij gegroeid is.
En hoe het klinkt als hij het met een orkest uitvoert dat hij kent.
De zaal zat vol en reageerde zeer enthousiast.
Ook Tugan Sokhiev. Hij is dirigent van het orkest daar, en wordt als een van de jonge talenten van dit moment beschouwd. Komend seizoen staat hij ook weer voor ons orkest.
Het eerste concert, met muziek van Beethoven en Mendelssohn, had Yannick opgedragen aan de slachtoffers van de terroristische aanslag op een Joodse school. De dader hield op dat moment nog de aandacht van de hele wereld op zich gericht, maar zou de volgende dag, tijdens onze Daphnis-repetitie, het leven laten.
Het is me vaker opgevallen dat Yannick een bijzonder vermogen heeft om direct een band met zijn publiek te bewerkstelligen. Een paar gemeende woorden in dergelijke uitzonderlijke omstandigheden versterken dat effect nog aanzienlijk.
Een uitnodiging om terug te komen ligt er al.
Met het weer hadden we pech.
In Toulouse verwacht je de zon, het is tenslotte Zuid-Frankrijk, maar de regen huilde mee.
Het mooie weer troffen we in Ljubljana, een charmante stad, waar de Habsburgse geschiedenis je toelacht. Collega's vergeleken het met Praag, maar dan in het klein. Een smalle rivier, omzoomd met talloze terrasjes, doorklieft het centrum, met bovenop de rots een imposante burcht.
Tussen het hotel en de (nieuwe) zaal, stond nog een oud operatheater, waar de jonge Gustav Mahler zijn Zauberflöte en Trovatore dirigeerde. Toen heette het nog Laibach en sprak men Duits.
Je voelt dat Wenen niet ver weg kan zijn.
Daar zouden we deze korte tournee afsluiten met twee concerten in het Konzerthaus. Minder beroemd, maar, zeker voor de Daphnis, niet minder geschikte zaal dan de Musikverein. Die 'gouden zaal' bezoeken we komende december weer, voor twee concerten met Beethoven en Mahler.
Yannick is meer en meer kind aan huis in Wenen, kort geleden nog met Tsjaikovski's Pathétique bij de Philharmoniker. De zaal zat nu beide avonden praktisch vol en een ook hier zijn we weer teruggevraagd.
Ook dat is een bevestiging van de waarde van de combinatie van Yannick met het RPhO als zijn eigen orkest en een reden om dit soort reizen te maken.
Het is ook goed voor het orkest, de kwaliteit, de onderlinge band tussen de collega's, de flexibiliteit van het spelen in verschillende zalen, de uitdaging om steeds het beste van jezelf te laten horen en de waardering van publiek in het buitenland te ervaren.
Overigens waren in Wenen een aantal van onze eigen Vrienden aanwezig, wat ook een goed gevoel geeft.
Wenen staat dit jaar in het teken van Gustav Klimt, maar ik heb me beperkt tot een expositie van tekeningen in studies in het Albertina. Fascinerend hoe met een paar potloodstrepen een wereld van gevoel of het karakter van een persoon kan worden vastgelegd. En hoe zal de vaak sterke erotische lading in het Wenen van Freud zijn aangekomen?
Na het verlaten van het museum komen we al spoedig langs het stadspaleis van Lobkowitz, het gebouw waar Beethovens Eroica voor het eerst tot klinken kwam. En zo is de cirkel rond, want dat stuk speelden we op het eerste en laatste concert van de tour .
Toevallig is het ook nog een Airbus waarmee we tenslotte weer op Zestienhoven landen, gemaakt in de fabrieken bij Toulouse.
donderdag 29 maart 2012
dinsdag 20 maart 2012
Toulouse
Morgen vertrekken we naar Toulouse.
We zijn er wel eens eerder geweest met het orkest.
Ik herinner me een halfronde zaal, beetje droog.
En ik herinner me een vriendelijke stad, smalle straatjes, mooie oude kerken, leuke winkeltjes, lekker eten.
Nu heeft Toulouse een andere klank gekregen, een andere lading.
De terrorismedreiging staat daar nu op het hoogste niveau, de politie heeft wapens gekregen op jacht naar de dader van waarschijnlijk drie racistische aanslagen.
En wij gaan erheen om Beethovens Eroica te spelen.
Je kunt hier het nieuws op het journaal volgen, maar misschien merken we weinig als we daar zijn.
Hoeveel mensen zouden er angstiger zijn geworden, hoeveel van de mensen in de zaal luisteren daardoor anders naar de muziek die gespeeld wordt?
Er gebeurt zoveel in de wereld, dat allemaal onze huiskamer binnenkomt.
Morgen is de aandacht waarschijnlijk alweer gericht op ander nieuws.
En wij spelen nog steeds Beethoven.
Muziek met een boodschap aan de mensheid, als je dat wilt horen.
Ik hoop dat het mensen bereikt die dat nodig hebben.
We zijn er wel eens eerder geweest met het orkest.
Ik herinner me een halfronde zaal, beetje droog.
En ik herinner me een vriendelijke stad, smalle straatjes, mooie oude kerken, leuke winkeltjes, lekker eten.
Nu heeft Toulouse een andere klank gekregen, een andere lading.
De terrorismedreiging staat daar nu op het hoogste niveau, de politie heeft wapens gekregen op jacht naar de dader van waarschijnlijk drie racistische aanslagen.
En wij gaan erheen om Beethovens Eroica te spelen.
Je kunt hier het nieuws op het journaal volgen, maar misschien merken we weinig als we daar zijn.
Hoeveel mensen zouden er angstiger zijn geworden, hoeveel van de mensen in de zaal luisteren daardoor anders naar de muziek die gespeeld wordt?
Er gebeurt zoveel in de wereld, dat allemaal onze huiskamer binnenkomt.
Morgen is de aandacht waarschijnlijk alweer gericht op ander nieuws.
En wij spelen nog steeds Beethoven.
Muziek met een boodschap aan de mensheid, als je dat wilt horen.
Ik hoop dat het mensen bereikt die dat nodig hebben.
woensdag 14 maart 2012
Vrouwendag
Afgelopen week vierde de wereld Internationale Vrouwendag.
Honderd jaar geleden, in 1912, gebeurde dat voor het eerst in Nederland, maar pas in de 20er jaren werd de datum van 8 maart gekozen. Op die dag in 1917 kwam in Sint Petersburg vooral het vrouwelijk gedeelte van de bevolking in opstand.
Ik moet eerlijk zeggen dat het fenomeen en de datum tot nu toe ongemerkt aan me voorbij zijn gegaan. Misschien is de noodzaak voor emancipatie inmiddels in Nederland ook wat afgezwakt, hoewel ik me verbaas om te horen dat bijvoorbeeld op het gebied van salaris vaak nog steeds een ongelijkheid bestaat.
Niet bij musici, voor zover ik weet.
Eigenlijk werd mijn aandacht vorige week getrokken door een initiatief van Reinhild Mees, pianiste, vooral liedbegeleidster, en onvermoeibare motor van de 'Stichting het 20e-eeuwse Lied'.
Een Vrouwenmuziekmarathon in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw.
Vier zangeressen vulden de avond met liederen van vrouwelijke componisten.
Een prachtig initiatief waarvan ik via de autoradio, op weg naar de Doelen, heb kunnen meegenieten.
Het was een mooie aanleiding om interessant onbekend repertoire onder de aandacht te brengen maar over het algemeen heb ik niet zoveel met het onderscheid.
Er is goede muziek en minder goede muziek. En componeert een vrouw anders?
Vrouwen zullen het in vroeger eeuwen vast een stuk moeilijker hebben gehad dan mannen, meer dan eens zal het componeren hen onmogelijk gemaakt zijn (Alma Mahler, Fanny Mendelssohn). Maar ook voor mannen was het niet altijd makkelijk.
Michael Fine, onze vorige artistiek manager, heeft weleens een vrouwen-avond geprogrammeerd. Hij nam vorige week, toevallig ook op 8 maart, afscheid van het orkest. Vanuit zijn werk als platenproducer - wat hij nu weer meer zal gaan doen - kende hij veel van het repertoire en de (vrouwelijke) dirigenten die daarmee aan de slag willen.
Ik herinner me het Pianoconcert van Clara Schumann en muziek van Zwillig. Joan Faletta was de dirigent, geloof ik. Mooie muziek, maar geen namen waar je een zaal mee vult.
In Amerika werd ruim dertig jaar geleden de 'Women's Philharmonic' opgericht. Inmiddels is het weer opgeheven maar er is nog een organisatie overgebleven die zich met de promotie van vrouwelijke componisten en dirigenten bezig houdt is: http://www.wophil.org/
Componiste Jennifer Higdon is tegenwoordig een grote naam. Marin Alsop programmeert haar werk regelmatig bij haar orkest in Baltimore, maar ook Robert Spano heeft veel van haar gedirigeerd.
Alsop is een van de belangrijkste vrouwelijk dirigenten, ook een groep die het niet makkelijk heeft.
Maar weinigen dringen door tot de toporkesten.
Simone Young doet het bij de opera in Hamburg wel goed, en vanuit China en Korea komen de laatste jaren ook vrouwelijke talenten. Shi-Yeon Sung, Koreaanse, keert deze week terug bij ons orkest met uitverkochte concerten. Dat zal de vrouwenemancipatie op de dirigentenbok vast goed doen.
Honderd jaar geleden, in 1912, gebeurde dat voor het eerst in Nederland, maar pas in de 20er jaren werd de datum van 8 maart gekozen. Op die dag in 1917 kwam in Sint Petersburg vooral het vrouwelijk gedeelte van de bevolking in opstand.
Ik moet eerlijk zeggen dat het fenomeen en de datum tot nu toe ongemerkt aan me voorbij zijn gegaan. Misschien is de noodzaak voor emancipatie inmiddels in Nederland ook wat afgezwakt, hoewel ik me verbaas om te horen dat bijvoorbeeld op het gebied van salaris vaak nog steeds een ongelijkheid bestaat.
Niet bij musici, voor zover ik weet.
Eigenlijk werd mijn aandacht vorige week getrokken door een initiatief van Reinhild Mees, pianiste, vooral liedbegeleidster, en onvermoeibare motor van de 'Stichting het 20e-eeuwse Lied'.
Een Vrouwenmuziekmarathon in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw.
Vier zangeressen vulden de avond met liederen van vrouwelijke componisten.
Een prachtig initiatief waarvan ik via de autoradio, op weg naar de Doelen, heb kunnen meegenieten.
Het was een mooie aanleiding om interessant onbekend repertoire onder de aandacht te brengen maar over het algemeen heb ik niet zoveel met het onderscheid.
Er is goede muziek en minder goede muziek. En componeert een vrouw anders?
Vrouwen zullen het in vroeger eeuwen vast een stuk moeilijker hebben gehad dan mannen, meer dan eens zal het componeren hen onmogelijk gemaakt zijn (Alma Mahler, Fanny Mendelssohn). Maar ook voor mannen was het niet altijd makkelijk.
Michael Fine, onze vorige artistiek manager, heeft weleens een vrouwen-avond geprogrammeerd. Hij nam vorige week, toevallig ook op 8 maart, afscheid van het orkest. Vanuit zijn werk als platenproducer - wat hij nu weer meer zal gaan doen - kende hij veel van het repertoire en de (vrouwelijke) dirigenten die daarmee aan de slag willen.
Ik herinner me het Pianoconcert van Clara Schumann en muziek van Zwillig. Joan Faletta was de dirigent, geloof ik. Mooie muziek, maar geen namen waar je een zaal mee vult.
In Amerika werd ruim dertig jaar geleden de 'Women's Philharmonic' opgericht. Inmiddels is het weer opgeheven maar er is nog een organisatie overgebleven die zich met de promotie van vrouwelijke componisten en dirigenten bezig houdt is: http://www.wophil.org/
Componiste Jennifer Higdon is tegenwoordig een grote naam. Marin Alsop programmeert haar werk regelmatig bij haar orkest in Baltimore, maar ook Robert Spano heeft veel van haar gedirigeerd.
Alsop is een van de belangrijkste vrouwelijk dirigenten, ook een groep die het niet makkelijk heeft.
Maar weinigen dringen door tot de toporkesten.
Simone Young doet het bij de opera in Hamburg wel goed, en vanuit China en Korea komen de laatste jaren ook vrouwelijke talenten. Shi-Yeon Sung, Koreaanse, keert deze week terug bij ons orkest met uitverkochte concerten. Dat zal de vrouwenemancipatie op de dirigentenbok vast goed doen.
Ik zal er niet bij zijn, overigens.
Wel morgen Soeraki in de Kindermuziekweek.
Met spannende muziek van een van Neerlands componistes: Monique Krüs.
En als toegift een van mijn favorieten, Barbara Strozzi
woensdag 7 maart 2012
Toch de euro
De Vrienden hadden geluk, vanochtend.
Een paar keer per jaar krijgen ze de kans bij een repetitie van het orkest aanwezig te zijn, in de keuken te kijken, maar het is altijd weer afwachten hoe die tijd door de dirigent en het orkest worden ingevuld.
In dit geval stond een van de mooiste soloconcerten uit het repertoire, Beethovens Vierde pianoconcert, op de lessenaars. En solist Lars Vogt is een kei in dit repertoire. Een vorige keer was hij hier met het Derde pianoconcert, maar die week herinneren we ons vooral vanwege dirigent Slatkin, die toen met een hartaanval in het ziekenhuis werd opgenomen.
Maar we hebben hem ook al weleens met een prachtige Brahms gehad.
En hij vindt het belangrijk om voor de jeugd op te treden. Rhapsody in School heet zijn initiatief waar hij in Duitsland furore mee maakt (http://www.larsvogt.com/%22Rhapsody_in_School%22.html). Hij wil het ook graag meenemen naar het buitenland. Misschien ooit nog eens in Rotterdam?
Vogt beperkt zich tijdens de repetitie niet tot het spelen van zijn partij maar bemoeit zich ook intensief met de bijdrage van het orkest. Dat maakt het vast leuk om naar te luisteren.
Ik kon zelf niet alles verstaan van wat hij te berde bracht, dus dat zal in de zaal niet veel beter geweest zijn, maar het effect was vast wel duidelijk. Tempo, dynamiek, balans, karakter, het zijn allemaal zaken waarover overeenstemming moet worden gevonden.
En Beethoven maakt het ons niet makkelijk.
Zoals met zo'n eerste inzet van het orkest; na een quasi improviserende frase van de solist, meteen de juiste klank treffen, passend bij de verrassende harmonie, enigszins mysterieus wellicht, en uiterst zacht. En dan uitkijken dat het niet te langzaam wordt of te zwaar.
Grotere tegenstellingen wilde Vogt in het middendeel. Er zijn wel verhalen bedacht bij deze muziek, die Beethoven mogelijk ook in zijn hoofd had. Zoals over Orpheus, die met zijn harpspel de wilde beesten temt. Daarover ging het vandaag niet. De twee andere stukken, Enigma-variaties en Benvenuto Cellini, bieden al genoeg beschrijvende passages.
Waar ik me zelf steeds weer over verbaas zijn de passages voor cello-solo in dit pianoconcert.
Er zijn andere componisten die in hun pianoconcerten prachtige lyrische melodieën aan de solocello toebedelen, met voorop natuurlijk Johannes Brahms, maar bij Beethoven gaat het eigenlijk steeds om een begeleiding. Een korte passage in het eerste deel vind ik twijfelachtig, maar in de finale vult de cello de piano vaak aan met een soort pedaaltoon en andere versterkingen van de baslijn. Alsof de componist op zoek is naar extra mogelijkheden voor de piano als instrument.
En het mooiste is dan misschien nog wel de baslijn onder de tweestemmige melodie in de altviolen.
Je kunt je afvragen hoe het destijds bij de eerste uitvoering geklonken heeft, met een hammerklavier en een klein orkest. Als we er tenminste van uit gaan dat op die lange koude decemberavond in 1808 het orkest van het Theater an der Wien speelde. Met 22 strijkers (6, 6, 4, 3, 3) geeft dat een andere balans.
Op dezelfde avond ging overigens ook de Pastorale in premiere. En ook daarin maakt Beethoven originele combinaties. In de Szene am Bach zijn het twee solocello's die, met demper, het murmelen van de beek in de tweede violen en alten versterken.
In de Enigma-variaties zit wel een mooi romantisch moment voor de solocello. Het zijn maar weinig noten maar het mist zijn effect niet, aan het begin en eind van de twaalfde variatie, waarin Elgar zijn vriend Nevison portretteert. Nevison was amateurcellist en volgens dirigent Gardner ook inspirator voor het beroemde celloconcert.
In de daaropvolgende variatie neemt Elgar afscheid van een geheime vriendin die naar Nieuw-Zeeland vertrekt. Met een citaat van Mendelssohn (glückliche Fahrt) en het geluid van een scheepsmotor. Daarvoor was het nog even zoeken naar de juiste munten voor op het trommelvel. Engelse ponden, oude Nederlandse rijksdaalders? Uiteindelijk bleek de euro toch het best te voldoen.
Een paar keer per jaar krijgen ze de kans bij een repetitie van het orkest aanwezig te zijn, in de keuken te kijken, maar het is altijd weer afwachten hoe die tijd door de dirigent en het orkest worden ingevuld.
In dit geval stond een van de mooiste soloconcerten uit het repertoire, Beethovens Vierde pianoconcert, op de lessenaars. En solist Lars Vogt is een kei in dit repertoire. Een vorige keer was hij hier met het Derde pianoconcert, maar die week herinneren we ons vooral vanwege dirigent Slatkin, die toen met een hartaanval in het ziekenhuis werd opgenomen.
Maar we hebben hem ook al weleens met een prachtige Brahms gehad.
En hij vindt het belangrijk om voor de jeugd op te treden. Rhapsody in School heet zijn initiatief waar hij in Duitsland furore mee maakt (http://www.larsvogt.com/%22Rhapsody_in_School%22.html). Hij wil het ook graag meenemen naar het buitenland. Misschien ooit nog eens in Rotterdam?
Vogt beperkt zich tijdens de repetitie niet tot het spelen van zijn partij maar bemoeit zich ook intensief met de bijdrage van het orkest. Dat maakt het vast leuk om naar te luisteren.
Ik kon zelf niet alles verstaan van wat hij te berde bracht, dus dat zal in de zaal niet veel beter geweest zijn, maar het effect was vast wel duidelijk. Tempo, dynamiek, balans, karakter, het zijn allemaal zaken waarover overeenstemming moet worden gevonden.
En Beethoven maakt het ons niet makkelijk.
Zoals met zo'n eerste inzet van het orkest; na een quasi improviserende frase van de solist, meteen de juiste klank treffen, passend bij de verrassende harmonie, enigszins mysterieus wellicht, en uiterst zacht. En dan uitkijken dat het niet te langzaam wordt of te zwaar.
Grotere tegenstellingen wilde Vogt in het middendeel. Er zijn wel verhalen bedacht bij deze muziek, die Beethoven mogelijk ook in zijn hoofd had. Zoals over Orpheus, die met zijn harpspel de wilde beesten temt. Daarover ging het vandaag niet. De twee andere stukken, Enigma-variaties en Benvenuto Cellini, bieden al genoeg beschrijvende passages.
Waar ik me zelf steeds weer over verbaas zijn de passages voor cello-solo in dit pianoconcert.
Er zijn andere componisten die in hun pianoconcerten prachtige lyrische melodieën aan de solocello toebedelen, met voorop natuurlijk Johannes Brahms, maar bij Beethoven gaat het eigenlijk steeds om een begeleiding. Een korte passage in het eerste deel vind ik twijfelachtig, maar in de finale vult de cello de piano vaak aan met een soort pedaaltoon en andere versterkingen van de baslijn. Alsof de componist op zoek is naar extra mogelijkheden voor de piano als instrument.
En het mooiste is dan misschien nog wel de baslijn onder de tweestemmige melodie in de altviolen.
Je kunt je afvragen hoe het destijds bij de eerste uitvoering geklonken heeft, met een hammerklavier en een klein orkest. Als we er tenminste van uit gaan dat op die lange koude decemberavond in 1808 het orkest van het Theater an der Wien speelde. Met 22 strijkers (6, 6, 4, 3, 3) geeft dat een andere balans.
Op dezelfde avond ging overigens ook de Pastorale in premiere. En ook daarin maakt Beethoven originele combinaties. In de Szene am Bach zijn het twee solocello's die, met demper, het murmelen van de beek in de tweede violen en alten versterken.
In de Enigma-variaties zit wel een mooi romantisch moment voor de solocello. Het zijn maar weinig noten maar het mist zijn effect niet, aan het begin en eind van de twaalfde variatie, waarin Elgar zijn vriend Nevison portretteert. Nevison was amateurcellist en volgens dirigent Gardner ook inspirator voor het beroemde celloconcert.
woensdag 29 februari 2012
Mahler als soundtrack
Het gebeurt niet vaak en misschien is dat maar goed ook.
De meeste klassieke muziek is niet gecomponeerd om als achtergrond te dienen, om doorheen te praten, om beelden te illustreren.
Maar soms gebeurt het met opvallend resultaat.
Vorige week speelden we een stuk van Ligeti.
György Ligeti (1923-2006) is inmiddels overleden maar geldt als moderne componist. Een van de meest succesvolle, maar geen makkelijke muziek voor de luisteraar.
En dat viel afgelopen week opeens heel erg mee bij zijn Kammersymphonie. Geen wijsjes om onder de douche te zingen, maar hele aansprekende en suggestieve klanken.
Zo bleek ook bij de film 2001: A Space Odyssey, die Stanley Kubrick in 1968 maakte.
Hoeveel mensen moeten die niet gezien hebben zonder te weten dat ze naar moeilijke hedendaagse klassieke muziek aan het luisteren waren. Niet alleen het min of meer bekende Atmosphères maar ook nog drie andere stukken.
http://www.youtube.com/watch?v=BmxMYbjGjfU
Ook Mahler was ooit 'moeilijke muziek'.
Niet alleen in zijn eigen tijd maar tot ver na de oorlog.
Willem Mengelberg en Bruno Walter hebben veel goed werk verricht en Bernstein in de jaren '60.
Maar doorslaggevend voor veel mensen moet Death in Venice geweest zijn, de film die Luchino Visconti in 1971 uitbracht.
Uitgangspunt van de film was de geniale novelle van Thomas Mann, Tod in Venedig, waarin een oude schrijver, Gustav von Aschenbach, naar Venetië reist en daar ten onder gaat, enerzijds aan de cholera, anderzijds aan de obsessie voor een jongen als object van absolute schoonheid.
Visconti, die ook een gerenommeerde opera-regisseur was, verandert de schrijver in een componist en verwijst daarmee duidelijk naar de figuur Mahler. Daar zijn wel redenen voor.
Mann heeft in een vertrouwelijke brief toegegeven dat het overlijden van de componist in 1911 een van de aanleidingen voor het schrijven was. De voornaam en de omschrijving van zijn fysiek komen van Mahler.
En zijn muziek past wonderbaarlijk mooi bij de film.
Een geniale vondst van Visconti?
Visconti regisseerde niet alleen films maar ook opera's; hij had een bijzonder gevoel voor de combinatie van muziek en drama.
Er zit meer muziek in de film dan alleen Mahler, maar alle andere muziek wordt door de acteurs gespeeld, als onderdeel van het verhaal.
Für Elise, een Russische liedje, kerkzang, salonmuziek in het hotel, straatmuzikanten.
Als er muziek klinkt, is het vol betekenis en symboliek.
Het Adagietto overheerst en blijft het meeste hangen. Op vier sleutelmomenten verspreid over de film, inclusief het begin en het slot, klinkt het als soundtrack.
En in het midden, als Tadzio rondjes draait om de palen van de ingang van het Lido, kiest Visconti voor het Nachtlied uit de Derde symfonie.
De hele film is op youtube te bekijken:
Ik weet niet hoe succesvol de film was, maar de combinatie van Mahler en Visconti moet beiden veel goed hebben gedaan. En hoeveel dirigenten zouden zich bij het Adagietto niet onbewust hebben laten inspireren door de herinnering aan de beelden van Visconti? Er ontstond wel een tendens om het langzamer dan langzaam te spelen, waarbij zelfs een dubbele lengte van oudere opnames als Mengelberg (http://www.youtube.com/watch?v=YumH_e3dKB0) en Walter, die ruim onder acht minuten bleven, werd bereikt.
Haitink en Bernstein spanden daarbij, in hun plaatopnames, de kroon. Ik ben benieuwd wat Jaap van Zweden, die van beiden veel geleerd zegt te hebben, deze week in Rotterdam met het tempo gaat doen.
Volgend jaar gaan wij bij DNO het verhaal van Thomas Mann in de opera-versie van Benjamin Britten spelen. Een meesterwerk, dat veel te zelden wordt uitgevoerd. Een suite daaruit ging begin dit seizoen al in het Gergiev Festival en ik verheug me enorm op de complete partituur.
Met de dirigent maken we volgende week kennis: Ed Gardner, een jonge Engelsman, die furore maakt bij de Englis National Opera.
De meeste klassieke muziek is niet gecomponeerd om als achtergrond te dienen, om doorheen te praten, om beelden te illustreren.
Maar soms gebeurt het met opvallend resultaat.
Vorige week speelden we een stuk van Ligeti.
György Ligeti (1923-2006) is inmiddels overleden maar geldt als moderne componist. Een van de meest succesvolle, maar geen makkelijke muziek voor de luisteraar.
En dat viel afgelopen week opeens heel erg mee bij zijn Kammersymphonie. Geen wijsjes om onder de douche te zingen, maar hele aansprekende en suggestieve klanken.
Zo bleek ook bij de film 2001: A Space Odyssey, die Stanley Kubrick in 1968 maakte.
Hoeveel mensen moeten die niet gezien hebben zonder te weten dat ze naar moeilijke hedendaagse klassieke muziek aan het luisteren waren. Niet alleen het min of meer bekende Atmosphères maar ook nog drie andere stukken.
http://www.youtube.com/watch?v=BmxMYbjGjfU
Ook Mahler was ooit 'moeilijke muziek'.
Niet alleen in zijn eigen tijd maar tot ver na de oorlog.
Willem Mengelberg en Bruno Walter hebben veel goed werk verricht en Bernstein in de jaren '60.
Maar doorslaggevend voor veel mensen moet Death in Venice geweest zijn, de film die Luchino Visconti in 1971 uitbracht.
Visconti, die ook een gerenommeerde opera-regisseur was, verandert de schrijver in een componist en verwijst daarmee duidelijk naar de figuur Mahler. Daar zijn wel redenen voor.
Mann heeft in een vertrouwelijke brief toegegeven dat het overlijden van de componist in 1911 een van de aanleidingen voor het schrijven was. De voornaam en de omschrijving van zijn fysiek komen van Mahler.
En zijn muziek past wonderbaarlijk mooi bij de film.
Een geniale vondst van Visconti?
Visconti regisseerde niet alleen films maar ook opera's; hij had een bijzonder gevoel voor de combinatie van muziek en drama.
Er zit meer muziek in de film dan alleen Mahler, maar alle andere muziek wordt door de acteurs gespeeld, als onderdeel van het verhaal.
Für Elise, een Russische liedje, kerkzang, salonmuziek in het hotel, straatmuzikanten.
Als er muziek klinkt, is het vol betekenis en symboliek.
Het Adagietto overheerst en blijft het meeste hangen. Op vier sleutelmomenten verspreid over de film, inclusief het begin en het slot, klinkt het als soundtrack.
En in het midden, als Tadzio rondjes draait om de palen van de ingang van het Lido, kiest Visconti voor het Nachtlied uit de Derde symfonie.
De hele film is op youtube te bekijken:
Ik weet niet hoe succesvol de film was, maar de combinatie van Mahler en Visconti moet beiden veel goed hebben gedaan. En hoeveel dirigenten zouden zich bij het Adagietto niet onbewust hebben laten inspireren door de herinnering aan de beelden van Visconti? Er ontstond wel een tendens om het langzamer dan langzaam te spelen, waarbij zelfs een dubbele lengte van oudere opnames als Mengelberg (http://www.youtube.com/watch?v=YumH_e3dKB0) en Walter, die ruim onder acht minuten bleven, werd bereikt.
Haitink en Bernstein spanden daarbij, in hun plaatopnames, de kroon. Ik ben benieuwd wat Jaap van Zweden, die van beiden veel geleerd zegt te hebben, deze week in Rotterdam met het tempo gaat doen.
Volgend jaar gaan wij bij DNO het verhaal van Thomas Mann in de opera-versie van Benjamin Britten spelen. Een meesterwerk, dat veel te zelden wordt uitgevoerd. Een suite daaruit ging begin dit seizoen al in het Gergiev Festival en ik verheug me enorm op de complete partituur.
Met de dirigent maken we volgende week kennis: Ed Gardner, een jonge Engelsman, die furore maakt bij de Englis National Opera.
zaterdag 18 februari 2012
Geen Kreisler, wel Federer
Bij veel solo-concerten uit de klassieke en vroege romantische periode zit tegen het eind van het eerste deel een moment waarop de solist zijn virtuositeit en improvisatiekunst kan tonen. De cadens. Het orkest houdt even zijn mond en wacht totdat, vaak met een triller, duidelijk wordt dat het verhaal is afgelopen en de gecomponeerde en genoteerde noten weer gespeeld gaan worden.
Musici waren toen meestal ook componist en konden goed improviseren, de een natuurlijk wat beter dan de ander. Maar het hoorde er gewoon bij.
Die kunst verdween langzamerhand en componisten begonnen, als er al een cadens was, die zelf uit te schrijven. Beethoven, zelf een meester-improvisator, publiceerde, tegen de tijd dat hij te doof werd om zijn stukken zelf te spelen, een aantal cadensen voor al zijn pianoconcerten. Maar niet voor zijn vioolconcert.
De grote violisten in de 19e eeuw zouden er zelf een cadens voor schrijven,als ze het stuk op hun repertoire hadden. Auer, Flesch, Elman en Joachim, maar ook Busoni en Saint-Saëns publiceerden hun eigen versies.
Maar de meest succesvolle, eigenlijk de standaard is van de hand van Fritz Kreisler.
Ik heb nog weinig uitvoeringen gehoord waarin die niet gespeeld werd. Ook Menuhin speelt hem op de opname die ik de vorige blog meestuurde.
Hier door Kreisler zelf (cadens vanaf 1:10):
De eerste keer dat ik bewust een andere cadens hoorde, was bij een opname van Gidon Kremer. Landgenoot en componist Schnittke had hem gecomponeerd. Schnittke verwerkte vaak elementen uit klassieke en barokmuziek in zijn eigen werken, dus dat leek wel een geschikte keus.
Behalve de moderne, atonale elementen was ook de toevoeging van pauken-passages opvallend; een dialoog tussen solist en een orkestlid dus.
Dat idee was overigens terug te voeren op Beethoven, die van het Vioolconcert een versie met piano had gemaakt, inclusief een cadens met pauken. Tetzlaf speelde nu een eigen cadens die hij op die van Beethoven baseerde. Veel stijlgetrouwer dus dan de beroemde van Kreisler en zeker dan die van Schnittke, hoewel je je kunt afvragen of een cadens in meer eigentijdse stijl niet 'authentieker' is?
Het was niet de enige verrassing van het programma deze week.
De 'Kammersymphonie' van Ligeti oogste opmerkelijk veel succes, zeker de tweede avond, en het is inderdaad een prachtig, oorspronkelijk en zeer effectief stuk. Op donderdag had het publiek zich waarschijnlijk nog laten afschrikken door de naam. Ten onrechte.
Hoe vol zou het gezeten hebben als men geweten had wie zich in het publiek bevond?
Zeker de tennisliefhebbers onder musici en publiek hadden de avond van hun leven bij het zien, en in een enkel geval aanraken, van de levende legende Roger Federer.
Zelfs Norman Lebrecht, op het terrein van de klassieke muziek internationaal waarschijnlijk de meest invloedrijke blogger, vermeldde het in een bericht. Tennisster luistert naar Beethoven.
Misschien volgend jaar een speciaal programma voor deelnemers en publiek van het ABN/AMRO-toernooi?
Musici waren toen meestal ook componist en konden goed improviseren, de een natuurlijk wat beter dan de ander. Maar het hoorde er gewoon bij.
Die kunst verdween langzamerhand en componisten begonnen, als er al een cadens was, die zelf uit te schrijven. Beethoven, zelf een meester-improvisator, publiceerde, tegen de tijd dat hij te doof werd om zijn stukken zelf te spelen, een aantal cadensen voor al zijn pianoconcerten. Maar niet voor zijn vioolconcert.
De grote violisten in de 19e eeuw zouden er zelf een cadens voor schrijven,als ze het stuk op hun repertoire hadden. Auer, Flesch, Elman en Joachim, maar ook Busoni en Saint-Saëns publiceerden hun eigen versies.
Maar de meest succesvolle, eigenlijk de standaard is van de hand van Fritz Kreisler.
Ik heb nog weinig uitvoeringen gehoord waarin die niet gespeeld werd. Ook Menuhin speelt hem op de opname die ik de vorige blog meestuurde.
Hier door Kreisler zelf (cadens vanaf 1:10):
De eerste keer dat ik bewust een andere cadens hoorde, was bij een opname van Gidon Kremer. Landgenoot en componist Schnittke had hem gecomponeerd. Schnittke verwerkte vaak elementen uit klassieke en barokmuziek in zijn eigen werken, dus dat leek wel een geschikte keus.
Behalve de moderne, atonale elementen was ook de toevoeging van pauken-passages opvallend; een dialoog tussen solist en een orkestlid dus.
Dat idee was overigens terug te voeren op Beethoven, die van het Vioolconcert een versie met piano had gemaakt, inclusief een cadens met pauken. Tetzlaf speelde nu een eigen cadens die hij op die van Beethoven baseerde. Veel stijlgetrouwer dus dan de beroemde van Kreisler en zeker dan die van Schnittke, hoewel je je kunt afvragen of een cadens in meer eigentijdse stijl niet 'authentieker' is?
Het was niet de enige verrassing van het programma deze week.
De 'Kammersymphonie' van Ligeti oogste opmerkelijk veel succes, zeker de tweede avond, en het is inderdaad een prachtig, oorspronkelijk en zeer effectief stuk. Op donderdag had het publiek zich waarschijnlijk nog laten afschrikken door de naam. Ten onrechte.
Hoe vol zou het gezeten hebben als men geweten had wie zich in het publiek bevond?
Zeker de tennisliefhebbers onder musici en publiek hadden de avond van hun leven bij het zien, en in een enkel geval aanraken, van de levende legende Roger Federer.
Zelfs Norman Lebrecht, op het terrein van de klassieke muziek internationaal waarschijnlijk de meest invloedrijke blogger, vermeldde het in een bericht. Tennisster luistert naar Beethoven.
Misschien volgend jaar een speciaal programma voor deelnemers en publiek van het ABN/AMRO-toernooi?
maandag 13 februari 2012
Top tien
Vroeger was het formeren van hitlijsten toch uitsluitend iets voor de populaire muziekbranche.
De Top 40 of Top 100 waren begrippen waar rekening mee gehouden werd.
Inmiddels zie je dat bij de klassieke muziek ook weleens, maar dan zonder enige consequenties. Vooral voor radio-programma's kan het een handvat bieden.
Het zegt natuurlijk weinig, zo'n rating, maar ik heb me er ook nog weleens mee bezig gehouden.
Lijstjes maken met vrienden; wie is de beste levende dirigent, of wat is je favoriete Mozart-opera?
Welke cellist of violist, 'dead or alive', is de absolute top.
En eigenlijk was het resultaat totaal niet belangrijk, dat kon ook per dag verschillen, maar de discussies die je er over kon voeren, de voorbeelden die je moest aandragen, maakten het boeiend.
Internet is daar een ideaal medium voor.
Wat is nou het mooiste vioolconcert uit het repertoire, of de mooiste tien?
En dan vind je zo twee 'top ten'-lijsten:
http://www.articlesbase.com/music-articles/top-10-violin-concertos-of-all-time-158692.html en http://www.thecultureclub.net/2007/10/24/the-top-ten-best-violin-concertos-of-all-time/.
En er zullen er vast nog veel meer zijn, maar deze twee zijn voldoende illustratief.
Een aantal onmisbare namen staan inderdaad op allebei de lijsten: Beethoven, Brahms, Mozart. Bach staat maar op één van beide, en dan nog met zijn dubbelconcert. Sibelius wordt gedeeld, evenals het Eerste van Sjostakovitsj, wat ik opmerkelijk vind, maar eigenlijk wel leuk. Tsjaikovsky lijkt logisch, maar zou er bij mij niet op staan, net zo min als Elgar, Paganini of Strawinsky. Alban Berg en Bartok 2 staan hoog bij mij. En Mendelssohn zou ik op elke lijst verwachten.
Even uit de losse pols: Beethoven, Brahms, Bach E majeur, Mendelssohn, Mozart G majeur, Berg, Bartok 2, Sibelius, Sjostakovitsj 1, Prokofjev 2.
Beethovens concert heeft voor velen een onaantastbare status. Bij beiden, en bij mij, is hij nummer 1: 'noble, serene and perfectly balanced', 'The Gentle Giant'. Itzhak Perlman noemt het ook het moeilijkste vioolconcert, juist omdat het zo simpel is. Je kunt je nergens achter verschuilen. Mooi van vorm met het zwaartepunt in het eerste deel. Daarin komt de solist, die lang op zijn eerste inzet moet wachten, nauwelijks aan het spelen van thema's toe. Het zijn voornamelijk omspelingen terwijl het orkest de melodieën laat horen. Het concert is niet gericht op virtuositeit en van een wedstrijd tussen solist en orkest is ook geen sprake. Lyriek, grandeur, evenwicht, menselijkheid. Waarin schuilt het geheim van dit meesterwerk?
En de volgende vraag; welke opname is de mooiste?
Sinds lang staat een lp met Menuhin, Furtwängler en het Festivalorkest uit Luzern voor mij bovenaan.
Er zijn de laatste jaren natuurlijk al weer veel opnames uitgebracht, oud en nieuw, misschien wel mooiere dan deze, maar ik wil deze eigenlijk eerst nog eens goed beluisteren.
Op youtube vind ik de versie niet meteen, maar wel een live-uitvoering met het orkest in Berlijn, ook uit 1947:
De Top 40 of Top 100 waren begrippen waar rekening mee gehouden werd.
Inmiddels zie je dat bij de klassieke muziek ook weleens, maar dan zonder enige consequenties. Vooral voor radio-programma's kan het een handvat bieden.
Het zegt natuurlijk weinig, zo'n rating, maar ik heb me er ook nog weleens mee bezig gehouden.
Lijstjes maken met vrienden; wie is de beste levende dirigent, of wat is je favoriete Mozart-opera?
Welke cellist of violist, 'dead or alive', is de absolute top.
En eigenlijk was het resultaat totaal niet belangrijk, dat kon ook per dag verschillen, maar de discussies die je er over kon voeren, de voorbeelden die je moest aandragen, maakten het boeiend.
Internet is daar een ideaal medium voor.
Wat is nou het mooiste vioolconcert uit het repertoire, of de mooiste tien?
En dan vind je zo twee 'top ten'-lijsten:
http://www.articlesbase.com/music-articles/top-10-violin-concertos-of-all-time-158692.html en http://www.thecultureclub.net/2007/10/24/the-top-ten-best-violin-concertos-of-all-time/.
En er zullen er vast nog veel meer zijn, maar deze twee zijn voldoende illustratief.
Een aantal onmisbare namen staan inderdaad op allebei de lijsten: Beethoven, Brahms, Mozart. Bach staat maar op één van beide, en dan nog met zijn dubbelconcert. Sibelius wordt gedeeld, evenals het Eerste van Sjostakovitsj, wat ik opmerkelijk vind, maar eigenlijk wel leuk. Tsjaikovsky lijkt logisch, maar zou er bij mij niet op staan, net zo min als Elgar, Paganini of Strawinsky. Alban Berg en Bartok 2 staan hoog bij mij. En Mendelssohn zou ik op elke lijst verwachten.
Even uit de losse pols: Beethoven, Brahms, Bach E majeur, Mendelssohn, Mozart G majeur, Berg, Bartok 2, Sibelius, Sjostakovitsj 1, Prokofjev 2.
Beethovens concert heeft voor velen een onaantastbare status. Bij beiden, en bij mij, is hij nummer 1: 'noble, serene and perfectly balanced', 'The Gentle Giant'. Itzhak Perlman noemt het ook het moeilijkste vioolconcert, juist omdat het zo simpel is. Je kunt je nergens achter verschuilen. Mooi van vorm met het zwaartepunt in het eerste deel. Daarin komt de solist, die lang op zijn eerste inzet moet wachten, nauwelijks aan het spelen van thema's toe. Het zijn voornamelijk omspelingen terwijl het orkest de melodieën laat horen. Het concert is niet gericht op virtuositeit en van een wedstrijd tussen solist en orkest is ook geen sprake. Lyriek, grandeur, evenwicht, menselijkheid. Waarin schuilt het geheim van dit meesterwerk?
En de volgende vraag; welke opname is de mooiste?
Sinds lang staat een lp met Menuhin, Furtwängler en het Festivalorkest uit Luzern voor mij bovenaan.
Er zijn de laatste jaren natuurlijk al weer veel opnames uitgebracht, oud en nieuw, misschien wel mooiere dan deze, maar ik wil deze eigenlijk eerst nog eens goed beluisteren.
Op youtube vind ik de versie niet meteen, maar wel een live-uitvoering met het orkest in Berlijn, ook uit 1947:
Ik wist niet dat er een opname van een live-concert bestond, een paar maanden later uitgevoerd, maar hij blijkt zeker zo indrukwekkend te zijn. En misschien als symbool nog wel sterker. Wilhelm Furtwängler was in de nazi-periode in Duitsland blijven dirigeren, wat hem door velen, zeker Joodse musici, is kwalijk genomen. Menuhin heeft zich intensief voor zijn verdediging ingezet, hoewel ze elkaar niet kenden. Dat maakte indruk, want Menuhin was ook Joods en had tijdens de oorlogsjaren veel voor de geallieerde troepen opgetreden.
Na de denazificatie van Furtwängler, in december 1946, was Menuhin de eerste solist die met hem optrad
In de zomer van 1947 spelen ze het Brahms-concert in Salzburg en Beethoven in Luzern. Dat moeten emotionele gebeurtenissen geweest zijn. Maar met de Philharmoniker in Berlijn is toch nog een andere dimensie. Het was niet meer de hoofdstad van het Derde Rijk, maar inmiddels verdeeld in vier internationale zones met hoogoplopende spanningen. En bovendien had de 13-jarige Yehudi hier in 1929 een legendarisch debuut gemaakt met niet alleen Beethoven, maar ook nog de vioolconcerten van Brahms en Bach op één avond. En er speelden in 1947 ongetwijfeld nog musici in het orkest die dat hadden meegemaakt.
Menuhin als verzoener, als vredestichter. Hij zal die rol nog vaker spelen in zijn leven.
En dit Vioolconcert is daarvoor een ideaal medium.
Hoewel het inmiddels al een soort lijfstuk van hem geworden was, was de samenwerking met deze dirigent blijkbaar zo diepgravend en ideaal, dat hij verklaarde het niet meer met een ander te willen spelen.
Ze hebben het nog een keer samen in Londen opgenomen in 1953 en een jaar later overleed de grote Duitser. Sindsdien heeft Menuhin het gelukkig nog vaak en op veel plaatsen gespeeld maar misschien niet meer met dezelfde intensiteit en diepgang als tijdens die eerste naoorlogse Europese tournee.
Wat ik mooi aan de uitvoering vind is niet alleen de ongelooflijke levendige, gevarieerde, sprekende intense toon van de solist, maar ook de vrijheid die de dirigent neemt. Elk motief krijgt een tempo dat voor het karakter en het moment van het stuk passend blijkt. Op een wonderlijke manier ontstaat daardoor spontaniteit, een enorme zeggingskracht, maar ook een gevoel van eenheid. Een logisch verhaal van de paukenslagen in het begin tot na het slotaccoord.
Een voorbeeld uit het laatste deel moet ik er misschien nog even uitlichten. Het rondo-thema keert in deze finale vaak terug, eigenlijk steeds met dezelfde noten. Menuhin doet er niets bijzonders mee, lijkt het, maar toch klinkt het steeds weer als nieuw. Maar mijn lievelingsmoment is het mineur-thema waarin de viool een dialoog aangaat met de fagot. En wat Menuhin daarvan maakt is pure magie:
(en dan rond 3:00).
Zo'n opname kan inspireren, maar ik verheug me ook erg op de concerten deze week in Rotterdam, waar het stuk gaan spelen met Christian Tetzlaff en Robin Ticciati!
Overigens is The Gramophone onlangs met een nieuwe competitie begonnen, The Gramphone Hall of Fame. Er kan gestemd worden op de musici 'who have shaped the music on record'. De grote namen dus, zoals Casals, Horowitz, Heifetz, Callas, Caruso, noem maar op. Menuhin en Furtwängler zitten daar natuurlijk ook bij.
Het tijdschrift levert er ook een podcast bij waarvoor regelmatig musici commentaar op de namen en hun favoriete opnames leveren. Violist Daniel Hope is de eerste. Hij spreekt lovende woorden over Menuhin, maar legt ook uit waarom één enkel accoord van Arthur Rubinstein in een pianokwartet van Brahms zo uniek is. Voor de echte liefhebbers: http://www.gramophone.co.uk/features/focus/the-gramophone-hall-of-fame
Abonneren op:
Posts (Atom)
.jpg)
