vrijdag 24 januari 2020

Sascha

Ik heb het eigenlijk altijd aan mij voorbij laten gaan maar dit jaar hebben wij ons thuis gewaagd aan de kerstpuzzel van een landelijk ochtendblad.
De uitdaging was om een honderdtal citaten aan bekende en minder bekende mensen toe te schrijven.
Wie heeft wat gezegd?
Gelukkig zaten er een paar eenvoudige bij en met zijn allen kom je een heel eind maar in de buurt van een oplossing zijn we toch niet gekomen. We zullen wachten totdat de uitslag gepubliceerd gaat worden. Ik kan niet zeggen dat ik er goed in ben maar het was leuker dan ik had gedacht,
Deze week zitten we bij het orkest ook met een soort citatenkwis in de vorm van een symfonie:
Sjostakovitsj' Vijftiende, tevens laatste.
Het is niet een stuk dat we vaak spelen.
Veertien jaar en een groot aantal andere symfonieën geleden voor het laatst in Rotterdam, met James Conlon.
Hetzelfde jaar, 2006, namen we de symfonie mee naar de VS, waar we met Gergiev een viertal symfonieën van Sjostakovitsj speelden, als onderdeel van de viering van zijn honderdste geboortejaar.
Het stuk verdient zeker meer aandacht.
Dan maar eens wat minder vaak de Vijfde, of de Tiende.
Een citatenkwis dus.
We kennen Sjostakovitsj wel als iemand die regelmatig met passages uit eigen werk strooit.
Zijn Achtste strijkkwartet, ofwel de Kammersinfonie, is natuurlijk bekend, met zeer prominent en veelvuldig zijn initialen DSCH.
Die handtekening heb ik nog niet in deze symfonie ontdekt maar misschien zit ie wel ergens.
Er zijn mensen die zeggen dat wel al zijn eerdere symfonieën geciteerd zijn en dat geloof ik graag.
Van dat strijkkwartet is bekend dat hij het als terugblik op zijn leven beschouwde, vast van plan daar een einde aan te maken. Die terugblik op zijn leven, nu vele jaren later kan ook op deze symfonie van toepassing zijn.
Het verrassende van deze symfonie is wel het aantal citaten uit andermans werk en de manier waarop ze allerminst verborgen zijn. Willem Tell in het eerste deel, Wagners Walküre en Tristan in de finale.
Uit Walküre komt de Todesverkündigung: het motief dat klinkt als Siegmund, de voor en door Wotan gecreëerde held, hoort dat hij moet sterven. De oppergod had in een meningsverschil met zijn vrouw het onderspit moeten delven.
Sjostakovitsj zelf heeft nog enkele jaren te leven als hij deze passages componeert maar heeft de dood al wel enkele malen in de ogen gekeken, zowel als hartpatiënt als als kunstenaar overgeleverd aan de grillen van Stalin.
Zulke overduidelijke verwijzingen naar wat dan ook nodigen nadrukkelijk uit om ze in het grotere geheel te plaatsen, het achterliggende verhaal te construeren.
Zonder dat blijft er een volkomen originele partituur over, vol verrassende en bevreemdende details.
Het oplossen van de puzzel is absoluut niet nodig, dus.
Maar er is één aanwijzing die mij bijzonder intrigeert en waarvoor ik nog nergens een bevredigende verklaring heb kunnen vinden.
Het karakteristieke motief in de fluit waar het stuk mee begint en wat gedurende het eerste deel talloze malen herhaald wordt bestaat uit vijf noten: es, as, c, b, a.
Als je de b als h spelt, het Duitse systeem dat hij ook voor zijn initialen DSCH gebruikt, ontstaat overduidelijk de naam Sascha.
Maar wie is Sascha?
Misschien dat een bevredigend antwoord op deze vraag nog eens voor een dieper inzicht in het stuk kan zorgen, waarbij alle puzzelstukjes op hun plaats vallen.


zondag 12 januari 2020

Bester Freund 2



Op 19 april 1818 schrijft Maelzel vanuit Parijs een brief aan Beethoven in Wenen: 'Bester Freund, ..'

Ik had ooit een celloleraar die de metronoom beschouwde als belangrijk hulpmiddel bij het studeren.
Vanaf die tijd heb ik vele uren met het mechanische apparaat doorgebracht en vele versies daarvan versleten.
Inmiddels is er wat meer afstand en is de metronoom geëvolueerd in een app op mijn smartphone maar ik kan het nog steeds goed met hem vinden.
In tegenstelling tot de traditionele metronoom kun je in zo'n app, tussen bepaalde grenzen, alle mogelijke snelheden vinden. Dat leidt tot getallen die voor mij nog steeds vreemd overkomen. Vroeger ging je van 126 naar 132. De volgende was dan 138. Die cijfers kende je, ken ik nog steeds Nu kan alles daar tussenin ook. Een verbetering zou je zeggen, maar het voelt ook een beetje als een verlies. Dat zal de leeftijd wel zijn.
Ooit zijn die getallen en is die metronoom geïntroduceerd.
Dat was door Johann Nepomuk Maelzel, vriend van Beethoven.
Of eigenlijk was het Dietrich Nikolaus Winkel, een uitvinder uit Amsterdam, wiens ontwerp Maelzel verder uitwerkte, maar die naam is vergeten. Het was Maelzel die in 1815 in Parijs patent aanvroeg als Maelzels metronoom.
Die m.m. staat nog vaak bij de tempo-aanduidingen.
Voor die tijd woonde Maelzel in Wenen, waar hij als mechanicus aan het hof werkzaam was.
Hij kende Beethoven goed en voorzag hem met enige regelmaat van een nieuw gehoorapparaat.
Daar gaat de brief die Maelzel op 19 april 1818 vanuit Parijs schreef ook over. De vriendschap moet hartelijk geweest zijn: de aanhef is 'Bester Freund' en halverwege wordt het zelfs 'Freundchen'.
Er is een nieuw apparaat klaar, waarmee hij ook kan dirigeren. Er moet alleen nog gewerkt worden aan het design, maar Beethoven kan hem eerst uitproberen als hij naar Parijs komt voor een gezamenlijke tournee.
Daar is het nooit van gekomen.
Maar Maelzel schrijft nog over andere belangwekkender zaken. Hij had in Parijs onder de plaatselijke componisten een brief van Beethoven, vertaald in het Frans, verspreid over het gebruik van de metronoom, een jaar eerder geschreven aan Ignaz Mosel en heeft inmiddels hun reacties binnen. Beethoven had geschreven hoe misleidend Italiaanse termen als Allegro, Andante, Adagio en Presto eigenlijk zijn en of ze daar niet vanaf moeten. Allegro betekent dan wel vrolijk maar staat vaak voor een tempo dat helemaal niet vrolijk is. Hij belooft zelfs deze termen voortaan niet meer te gebruiken als tempo-aanduiding en op metronoomgetallen over te stappen. En elke dorpsonderwijzer zou  gestimuleerd moeten worden een metronoom te gebruiken.
Goede reclame voor Maelzel dus.
De Beethoven-brief had een enorme uitwerking gehad: de Franse componisten verklaarden voortaan uitsluitend nog hun tempi te duiden aan de hand van de metronoom.
Bijgevoegd door Maelzel was een overzicht waarop componisten als Clementi, Cherubini, Cramer en Viotti hun Italiaanse aanduidingen hadden omgezet in metronoomgetallen wat, ook binnen het werk van een enkele componist tot zeer uiteenlopende resultaten leidde.
In Beethovens bezit is de achterkant van dit papier overigens later ook nog voor andere doeleinden gebruikt. Het is volgekalkt met opmerkingen van zijn toen elfjarige neef Karl die op die manier met zijn al te dove oom communiceerde.
Verder informeert Maelzel nog naar de twee nieuwe symfonieën is die Beethoven voor hun gezamenlijke tour zou componeren. De enige symfonie die nog zou verschijnen was de Negende, waarvoor de Philharmonic Society of London een jaar eerder een opdracht had verstrekt, maar die zou pas in 1824 voltooid worden.
Wellingtons Sieg had Beethoven voor Maelzel en zijn panharmonicon geschreven. Dat was uitgevoerd op concerten in 1813 en 1814 waarbij de Zevende en Achtste symfonie in première gingen. Die waren natuurlijk niet voor dat rare apparaat van Maelzel maar het tweede deel van de Achtste lijkt toch wel heel erg op een knipoog naar de metronoom:





Beethoven 8

donderdag 2 januari 2020

Bester Freund 1

Het nieuwe jaar is begonnen.
2020.
Beethovenjaar!
Ik heb er zin in.
Er kan natuurlijk gebeuren dat we met Beethoven, zijn muziek en wat er omheen zit, overvoerd gaan worden, maar zolang dat nog niet het geval is wil ik het jaar gebruiken om dieper in de materie te graven. Nieuwe ontdekkingen te doen.
Luisteren, lezen, schrijven.
Een belangrijke en directe bron zijn de brieven.
Brieven van en brieven aan Beethoven.
Daar zijn er heel veel van.
De Konversationshefte kunnen daar ook nog aan toegevoegd worden.
'Bester Freund' heb ik als motto gekozen. Het is de aanhef die Maelzel, de uitvinder van de metronoom, gebruikt als hij in april 1818 een brief aan de componist schrijft. Daarin heeft hij het over het vastleggen van tempi, waarin Beethoven een initiërende rol vervulde. Interessante lectuur, maar daarover later.
Johann Nepomuk Maelzel, niet alleen uitvinder maar ook ingenieur en artiest, was belangrijk bij het ontstaan van Wellingtons Sieg, oder die Schlacht bei Vittoria.
Dat werk wordt het opzienbarende sluitstuk van het nieuwjaarsprogramma bij het Rotterdams Philharmonisch. Opzienbarend niet alleen vanwege de vorm van het stuk, met volksliederen en oorlogsmuziek, maar ook omdat we het nog nooit hebben gespeeld.
Jos van der Zanden noemt het in zijn lezenswaardige boek Beethoven in zijn brieven 'een toevalstreffer' die Beethoven 'onverwacht meer roem heeft bezorgd dan welk ander werk ook'.
Dat vraagt, nee smeekt dan in een Beethovenjaar toch om een uitvoering!
Het stuk was op 8 december 1813, samen met de Zevende symfonie, in première gegaan, herhaald op 12 december en 2 januari en klonk tenslotte nog op 27 februari 1814 in de Weense Redoutenzaal. Weer met de Zevende maar het was de Achtste, die toen ten doop werd gehouden.
Zulke openbare concerten moesten geld in het laatje brengen maar de musici, voor zover ze professioneel waren, moesten natuurlijk ook betaald worden. Een overzicht van die betalingen is te vinden in een brief van Anton Brunner aan Beethoven. Meer een verantwoording dan een brief eigenlijk.
Brunner staat zelf op de lijst als degene die de musici moest organiseren en vraagt daarvoor 10 florijnen.
De florijn stond gelijk aan de gulden en was 60 kreuzer waard.
De meeste musici kregen de helft, tenzij ze ook de vrijdagrepetitie hadden meegemaakt. Maar dat waren er slechts negen, een bassist, een hoboïst, twee klarinettisten, een fagottist en een viertal hoornisten die 7 florijnen kregen.
Dat betekende niet dat die repetitie met zo'n klein clubje gehouden werd, want een groot deel bestond uit amateurs. In totaal speelden er het grote aantal van bijna zeventig strijkers mee, waarvan minder dan de helft betaald werd. Die betaalde musici staan allemaal met hun achternaam op de lijst.
Opvallend in het overzicht is de vermelding van twee contrafagottisten, terwijl ze nergens in de partituur staan. Hun aandeel was blijkbaar toch gewenst waarschijnlijk vooral in Wellingtons Sieg.
Hoeveel sopraan Anna Milder-Hauptmann voor haar aandeel betaald kreeg staat niet vermeld, wel de kosten voor een rijtuig (alleen voor de repetitie) en een bediende (voor repetitie en concert) waaraan 10 fl.  besteed zou moeten worden. Dat bedrag werd er uiteindelijk weer afgetrokken dus waarschijnlijk heeft zij haar geld niet gekregen. Was Beethoven het er niet mee eens? Een enkele florijn moest nog wel betaald worden voor het vervoer van de contrabas van meneer Grams.
321 florijnen was het totaal voor dit concert.
Het zal Beethoven vast veel meer hebben opgeleverd, als je rekent dat de concerten van 8 en 12 december een recette hadden van 4006 florijnen, maar dat geld was voor de oorlogsgewonden.


vrijdag 13 december 2019

Mariss

Het is inmiddels alweer bijna twee weken geleden maar het ging als een schok door de klassieke muziekwereld. Terwijl men wist dat het er aan zat te komen.
Het overlijden van Mariss Jansons.
En zelden zal er zo met superlatieven en warme woorden zijn gereageerd door collega's als in dit geval.
En dat verbaast me niet.
Ik herinner me dat Concertgebouworkest hem als chef koos en hoe goed dat voelde.
Je wist dat ze een mooie periode tegemoet zouden gaan, ook al was zijn gezondheid toen al een punt en moesten ze hem delen met de Bayerische Rundfunk in München.
Het was een dirigent die zijn vak serieus nam. Misschien weleens te serieus. Hij heeft, met de beste bedoelingen, het leven van zijn orkestmusici niet altijd makkelijk gemaakt. Maar hij bleef studeren in zijn partituren, wilde zijn interpretatie nog beter maken.
Hij had het vak van en bij zijn vader geleerd. Van jongs af veel kijken bij repetities. En dat bleef hij doen. Ik weet nog dat we, in een periode dat hij in Nederland was, met Kurt Sanderling, de oude maestro aan het repeteren waren en hij luisterend in de zaal zat.
Waarschijnlijk kenden ze elkaar uit hun tijd in Leningrad, maar ik vond een mooi en respectvol gebaar. En tekenend voor zijn houding.
In Leningrad heb ik hem voor het eerst meegemaakt, eind tachtiger jaren, waar ik met een kamerorkest op tournee was. Op een vrije avond gingen we naar zijn orkest in de Filharmonie luisteren. Een prachtige Mahler 3. In een bijzondere zaal. Zijn zaal. De zaal waar hij vorige week ook opgebaard lag.
Later speelde ik een aantal producties die hij bij ons in Rotterdam dirigeerde.
Alpensymfonie, Wonderbaarlijke Mandarijn, Tijl Eulenspiegel, dat soort repertoire.
Een belevenis. En het leek erop dat er nog veel zou volgen.
Concerten met Mahler 5 en met Bruckner 4 stonden gepland.
Toen kwam een ernstige hartaanval, april 1996, en moest hij heel veel afzeggen.
Rotterdam zou niet meer in zijn agenda terugkeren, helaas.
Maar ik voel me bevoorrecht met hem te hebben mogen spelen.
In Amsterdam heb ik hem weinig in de zaal beluisterd. Daar komt het dan weer veel te weinig van. Maar wat veel indruk maakte was een productie van Sjostakovitsj' Lady Macbeth bij DNO.
Natuurlijk vanwege de prestatie van Eva Maria Westbroek maar zeker ook van de intensiteit uit de orkestbak. Eigenlijk wel jammer dat hij relatief zo weinig in het theater heeft gedirigeerd.
Hij zal herinnerd worden als de man die in het begin van zijn carrière het orkest van Oslo groot heeft gemaakt, voor zijn aandacht voor detail en zijn enorme energie en passie, niet afgeremd door zijn lichaam.
Een kort afscheidsportret van de Bayerische Rundfunk:

woensdag 27 november 2019

Kan beter

Het was geen goed verhaal, mijn vorige bijdrage.
Er zat geen lijn in, losse eindjes samengevoegd.
Gelukkig waren er nog mooie plaatjes te genieten.
Toch laat ik 'm gewoon staan.
Dan kan ik er nog even rustig op reflecteren.
Misschien was het haast, tijdsdruk.
Soms wil je iets gewoon af hebben en door naar een volgend verhaal.

Er was een mooie tentoonstelling in Amsterdam en kunst heeft voor mij vele raakvlakken.
Ik had vanuit de schilderkunst naar de muziek willen gaan.
Daar zou Philharmonische notities uiteindelijk over moeten gaan.
Het combineren van twee grote kunstenaars en hun meesterwerken gebeurt tenslotte ook vaak in de concertzaal. Ook al werkt het daar natuurlijk anders. Daar kun je niet heen en weer kijken, nog eens teruglopen, in je eigen tempo de indrukken verwerken.
Muziek speelt zich af in de tijd, het ene stuk is afgelopen voordat het andere begint.
De volgorde, bepaald door de musici of de programmeur, is een factor in de beleving van de muziek.
Het programma met Savall hadden we vier componisten maar zijn Bach en Händel misschien wel vergelijkbare grootheden. En daar profiteerde de Vuurwerk-muziek, als laatste stuk van het programma, waarschijnlijk meer van dan het openingsnummer, Bachs Vierde orkestsuite.
Maar voor mij was Rameau's Boreades de grootste openbaring.
Misschien omdat we zoiets helemaal nooit spelen.
Luister bijvoorbeeld naar zo'n Contredanse en rondeau:
Het begin komt eindeloos terug en het verveelt nooit.
Niet pretentieus, juist niet, maar het raakt.
Net als zo'n prachtig stilleven van Adriaen Coorte in het Rijksmuseum.
Ook op de tentoonstelling.
Het zijn gewoon asperges....
Daar kan geen Spanjaard tegenop.
En dan moet ik me ook nog tegenover maestro Savall verontschuldigen.
Met een voornaam als Jordi ben je geen Spanjaard maar Catalaan.
En in hart en nieren, heb ik me laten vertellen.

En toen ik schreef over de unieke waarde van het bezoeken van live concerten en het van nabij ervaren van beeldende kunst had ik de verbinding kunnen maken met dat project rond De Nachtwacht.
Dat is weliswaar een extreem geval waar ze met de meest geavanceerde techniek ongelooflijk veel nieuwe ontdekkingen doen, maar je ziet zonder dat ook al zoveel meer wanneer je dicht bij het origineel kunt komen.
Het schrijven van dit stukje doet me denken aan de talloze keren dat je een discussie gevoerd hebt met iemand en een paar uur later nog veel beter weet wat je had moeten zeggen.
Daarom laat ik het vorige verhaal ook gewoon staan.
Zo'n blog is van nature toch vluchtig, een reactie op waar ik mee bezig ben.
Soms heb ik daar meer tijd voor, soms minder.
Soms verdwijnt het in de prullenbak, soms brei ik er snel een eind aan om nog op tijd gelezen te kunnen worden.
Misschien wordt het weer eens tijd om een langere serie rond een thema te maken.
Beethoven voor 2020?
Frau ohne Schatten zou ook kunnen.
Dat is pas in februari, maar vergt wel grondige voorbereiding.
Ik heb al wel gezien dat als we die in Parijs spelen de grote tentoonstelling in het Louvre rond Leonardo da Vinci nog niet is afgelopen.
Dat moet te combineren zijn. Dan kan daar ook weer over geschreven worden.

donderdag 21 november 2019

Dialoog

Het was alweer een tijdje geleden dat ik naar een tentoonstelling geweest was maar Velázquez in het Rijks wilde ik niet missen. Een van de grote schilders uit de 17e eeuw die ik eigenlijk nog te weinig ben tegengekomen.
In Nederland hangt niets, voor zover ik weet, en mijn laatste bezoek aan Madrid was in de vorige eeuw. Dan is het een luxe dat een Nederlands museum het voor elkaar krijgt om een paar prachtige schilderijen enkele maanden te kunnen tonen.
Want, net als bij muziek, je moet zulke schilderijen van dichtbij kunnen zien, vanuit verschillende hoeken en afstanden, er zelf bij aanwezig zijn om ze tot je te laten doordringen.
En dat hadden ze mooi gedaan in Amsterdam, waar niet alleen twee grote meesters naast elkaar hingen maar ook twee werelden met elkaar werden vergeleken.
Niet als een wedstrijd.
Meer als een dialoog.
Een dialoog die tot verdieping leidt.
Zo hangen twee rijke echtparen naast elkaar aan één wand, ten voeten uit geschilderd.
Vier grote schilderijen.
De vrouwen aan de buitenkant, de mannen in het midden.
De man staat eigenlijk altijd rechts, voor de kijkers links, als dominante factor boven de vrouw.
Niet bij dit echtpaar aan het Spaanse hof. Zij was blijkbaar belangrijker als gouvernante of vanwege afkomst. En dat was een serieuze wereld daar aan het hof in Madrid.
Veel losser ging het eraan toe bij de gegoede burgerij in Amsterdam, die meer hun rijkdom wilde tonen dan hun positie en afkomst, zoals Marten en Oopjen.
Bij ons zat het geld bij de burgers, in Spanje was het de kerk en de adel.
Een hele katholieke wereld vol regels en protocollen.
De koning lachte nooit
Maar wat doen al die hofnarren, die dwergen, waarvan Velàzquez er een aantal schilderde, daar dan?
Dat had ik nooit zo gezien, maar hij portretteerde ze als mensen die hij serieus nam, gaf ze een waardigheid die misschien niet voor iedereen vanzelfsprekend was.
En dat is meteen een grote overeenkomst tussen beide meesterschilders. Je ziet echte mensen, mensen met gevoelens en met een verhaal.
Dat is natuurlijk bij Rembrandt een grote kracht van zijn groepsportretten zoals de Nachtwacht, die elders in het museum intensief onder handen genomen wordt. Dat is best spectaculair en voor iedereen via het internet te volgen.
Op de tentoonstelling hangt De Staalmeesters die wat intiemer van karakter is, die de kijker er meer persoonlijk in betrekt, alsof je met de heren in gesprek kunt gaan. Maar het is de interactie, zoals ze die met elkaar hebben, die nog meer inhoud krijgt in de vergelijking met een mythologische voorstelling van Velàzques. Bij hem geen keurige heren, zelfs geen goden, behalve Apollo misschien, maar halfnaakte arbeiders in een smederij. De baas, Vulcanus, krijgt te horen dat zijn vrouw vreemd is gegaan. Allemaal reageren ze anders op de mededeling, de een wil het niet horen, de ander kan het niet geloven, en hoe schijnheilig staat de boodschapper daartussen.
Grappig detail is dan het breekbare vaasje op de schoorsteenmantel. Hollands aardewerk?
Ook hier mensen en emoties die je nu zo op straat of in een televisieserie kan tegenkomen.
En ondertussen hebben we een Spaans-Nederlandse ontmoeting in de Doelen met dirigent Jordi Savall. Hij heeft de uitstraling van een edelman en de wijsheid van een filosoof.
En hij is musicus in hart en nieren en gaat er een aanstekelijk feestje van maken.




zondag 27 oktober 2019

Oppakken

En dan is het ongemerkt alweer twee maanden geleden dat het laatste item gepost is.
Niets te melden gehad?
Zou ik niet zeggen.
Er gebeurt genoeg waarover geschreven kan worden.
Te druk gehad?
Druk was het zeker maar tijd voor een klein stukje moet altijd te vinden zijn.

Blijkbaar ontbrak de drive.
Maar er zijn ook momenten dat ik het mis.
Met teksten ben ik altijd wel bezig.
Deze dagen moet er een toelichting over de laatste symfonie van Sostakovitsj en de ouverture voor de laatste opera van Rossini worden gemaakt.
Sjostakovitsj roept altijd vragen op. Wat verborg hij in zijn muziek? Deze Vijftiende lijkt echt vol met raadsels te zitten, waar het Rossini-citaat een van de meest opvallende is.
Maar die Guillaume Tell is ook een curieus geval.
Kenners beschouwen het als Rossini's beste opera - geschreven voor Parijs vlak voor de revolutie van 1830 - maar het was meteen ook zijn laatste. En dan dat originele begin met vijf cellosoli.
Er valt veel over te melden, dus de belangrijkste vraag lijkt: wat laat je weg? En ga je vragen beantwoorden of leg je het vooral bij de lezer neer?
Altijd weer een interessante uitdaging.
Zeker omdat het over muziek gaat waar ik van hou, die ik ken.
Of beter: denk te kennen. Want je ontdekt altijd weer zoveel nieuws.
We spelen het eind januari, met Gergiev.
Misschien is er tegen die tijd wel reden om er op deze plek nog wat dieper in te duiken.
Met het orkest hebben we een paar mooie weken achter de rug.
Het Gergiev Festival natuurlijk met een spannende Damnation.
Volop Lahav, waar Moois nog een boeiend item aan heeft gewijd.
Zonde dat dat programma op TV Rijnmond van de buis gaat.
En er was weer eens een mooie compositie voor ons orkest geschreven.
Prélude à une nuit américaine van Mathilde Wantenaar werd door musici en publiek hoog gewaardeerd. Ze is nog jong, dus daar kunnen we nog veel interessants van verwachten.
Tegelijkertijd was er deze week ook het trieste nieuws van Theo Verbeij, zeker nog niet oud, een beetje mijn generatie, die als componist prachtige werken heeft nagelaten maar zelf besloot een punt achter zijn leven te zetten.
Over generaties gesproken, vorige week werd ik met mijn neus op de feiten gedrukt.
Gianandrea Noseda keerde na zestien jaar voor het eerst weer terug bij ons orkest.
En dan behoor je bij de mensen die hem nog hebben meegemaakt, zoals ik, of niet.
Moet ik mij zelf al bij de ouderen gaan rekenen?
Het was een feestelijk weerzien met prachtige concerten.
Zo'n lange afwezigheid van een dirigent, ooit onze vast gast, die het internationaal heel goed doet, betekent toch dat er ergens iets is misgegaan toen of in de tussentijd.
Ik denk dat het herstellen van zo'n relatie ongelooflijk belangrijk voor een orkest kan zijn.
De terugkeer van David Zinman vorig jaar, na een nog veel langere periode, paste ook in die ontwikkeling. Maar toen hoorde ik nog bij de groep die hem nooit had meegemaakt.
Ik ben na meer dan 25 jaar tenslotte pas aan mijn derde chef-dirigent.
En kan nog elk jaar met ze alle drie muziek maken.
Dat is best een unieke situatie.