We waren vorige week bij de overburen op bezoek.
In de Rotterdamse Schouwburg werd de aftrap gegeven voor het fusiegezelschap met het Ro Theater en Productiehuis Rotterdam: Theater Rotterdam.
Ze presenteren zich op hun website als grensverleggend, vaak interdisciplinair theater en noemen o.a. spelers, dansers, vertellers en journalisten om ontmoetingen te realiseren.
Dat belooft veel goeds, maar musici ontbreken in de opsomming, hoewel je zou kunnen zeggen dat dat ook spelers zijn, of zelfs vertellers.
En we waren als musici van Domestica Rotterdam afgelopen week wel actief bij de doopplechtigheid.
Wat mij betreft zou het goed zou zijn als we ons als overburen aan het schouwburgplein, of dat nu Domestica of het Rotterdams Philharmonisch is, wat vaker door elkaar laten inspireren.
Met dank voor de uitnodiging van Theater Rotterdam.
Voor deze opening speelden we Messiaens beroemde Quatuor pour la fin du temps, als verbinding tussen verschillende teksten rond de thematiek uit In Europa van Geert Mak, samengesteld en geregisseerd door Johan Simons.
Een kwartet 'voor het einde der tijden', door de componist specifiek verbonden met het laatste bijbelboek, lijkt misschien niet het meest toepasselijk voor zo'n feestelijke gelegenheid, maar je kunt het ook als afsluiting van een periode zien. Bovendien is het ijzersterke muziek, een voorrecht om te mogen spelen, en het paste mooi in het verhaal dat verteld werd.
Verteld door een indrukwekkende line up van acteurs en actrices als Pierre Bokma, Jacob Derwig, Elsie de Brauw en de mensen van Wunderbaum. En niet te vergeten de burgemeester.
Aboutaleb toonde zijn redenaarskunsten in een tekst van Ramsey Nasr.
Het is altijd weer bemoedigend om te merken dat er in de politiek ook nog mensen rondlopen die kunst hoog in het vaandel hebben staan en laten zien hoe belangrijk het kan zijn voor de maatschappij en het persoonlijke leven. Een burgemeester om van te houden.
Maar zeker ook de samenwerking met Johan Simons maakte dit voor mij een waardevolle ervaring. We hebben bij Domestica in de loop der jaren al veel ervaring opgedaan met het combineren van tekst en muziek, de laatste tijd vooral in onze serie in de Laurenskerk.
Daar hadden we vandaag nog boeiende discussies met Kaat Haest, die komende woensdag met ons haar tekst gaat voordragen tussen muziek van onder meer Telemann en Kurtag.
En om dan te zien hoe een regisseur van het niveau Simons daarmee omgaat is uiterst leerzaam en inspirerend.
Waar wij meestal van de muziek uitgaan was bij hem nu het uitgangspunt de tekst, waar tot op het laatste moment in gesneden werd. En het mooie was dat veel nog open stond voor discussie en dat de muziek uiteindelijk het laatste woord kreeg.
Tot het moment dat het grote feest begon. Met dj, band, een lichtshow en wat er allemaal bijhoort.
Leuk om daar Mirjam Koen nog even te spreken. Met haar Onafhankelijk Toneel hebben we in het verleden verschillende mooie muziektheaterproducties mogen maken, maar zij zijn helaas bij de bezuinigingen en fusies buiten de boot gevallen. Toch doen ze nog steeds spannende dingen aan de Coolhaven. Extra leuk om dan vandaag te lezen dat ze de ACT-award heeft gekregen.
Gefeliciteerd, Mirjam!
maandag 18 september 2017
dinsdag 29 augustus 2017
Beantwoorde vragen
En we hebben elkaar de afgelopen weken inderdaad beter leren kennen.
Met elkaar gerepeteerd, gereisd, onder zeer uiteenlopende omstandigheden concerten gegeven en met elkaar gespeeld. Want met de pianist Lahav Shani krijgen we als musici op een andere manier contact dan met de dirigent. Een extra dimensie in het naar elkaar toegroeien van orkest en toekomstig chef-dirigent.
Het doet wel een beetje denken aan een jaar of tien geleden toen we met Yannick begonnen.
En toen ook zijn naam nog niet overal een bel deed rinkelen.
Inmiddels staan ze overal voor hem in de rij.
Het zou kunnen dat Shani wat dat betreft, althans in Europa, een stukje verder is, hoewel de presentator van het concert in Amsterdam het presteerde om herhaaldelijk de naam te verbasteren tot Shahav Lani. Het zal Shani zeker niet vaak meer gebeuren. En die arme presentator waarschijnlijk ook niet.
Het publiek in Rotterdam, Amsterdam en Ravello heeft hem in hun armen gesloten en ook de pers liet zich niet onbetuigd. Er konden heel wat ballen verzameld worden.
En natuurlijk wordt Lahav ook door ons vergeleken met zijn voorganger, maar eigenlijk lijken ze helemaal niet zo op elkaar. De techniek van dirigeren doet eerder aan Valery denken, minder energiek, in zekere zin soberder, maar heel efficiënt. Hij biedt ruimte, diepte en duidelijkheid.
En zo zijn ook de repetities. Zelfs voor de openluchtconcerten wordt nog op details gewerkt die toch gedeeltelijk zullen vervliegen in de omgeving. Maar het levert een prachtig resultaat op.
Een investering in de kwaliteit van zijn toekomstige orkest.
Vooral zijn aandacht voor ritme is opvallend.
Wellicht is het een en ander terug te voeren op zijn mentor Daniel Barenboim, maar die ken ik niet goed als dirigent. Het meeste zal zuiver Shani zijn.
In de keuze van het lichtere Amerikaanse repertoire, met een intrigerende symfonie van Weill als meest serieuze element, heeft hij ook al snel voor de hand liggende kwalificaties onderuit gehaald.
Ik zag hem in de eerste plaats als dirigent voor het diepzinnige Duitse repertoire, Brahms, Bruckner, Mahler, Beethoven en in de toekomst vast ook een zinderende Wagner, maar zijn Gershwin en Bernstein blijken ook onweerstaanbaar.
Spannend bovendien om dan te openen met een iconisch Ives: The unanswered question.
En met gevoel voor humor kwam die onbeantwoorde vraag, het trompetthema, in Rotterdam nog even tijdens de cadens van Gershwin om de hoek kijken.
Een aantal vragen zijn met deze reeks concerten wel beantwoord.
De dialoog wordt in november voortgezet met Brahms en Ravel.
Een must voor degenen die de opkomst van dit bijzondere talent niet willen missen.
Met elkaar gerepeteerd, gereisd, onder zeer uiteenlopende omstandigheden concerten gegeven en met elkaar gespeeld. Want met de pianist Lahav Shani krijgen we als musici op een andere manier contact dan met de dirigent. Een extra dimensie in het naar elkaar toegroeien van orkest en toekomstig chef-dirigent.
Het doet wel een beetje denken aan een jaar of tien geleden toen we met Yannick begonnen.
En toen ook zijn naam nog niet overal een bel deed rinkelen.
Inmiddels staan ze overal voor hem in de rij.
Het zou kunnen dat Shani wat dat betreft, althans in Europa, een stukje verder is, hoewel de presentator van het concert in Amsterdam het presteerde om herhaaldelijk de naam te verbasteren tot Shahav Lani. Het zal Shani zeker niet vaak meer gebeuren. En die arme presentator waarschijnlijk ook niet.
Het publiek in Rotterdam, Amsterdam en Ravello heeft hem in hun armen gesloten en ook de pers liet zich niet onbetuigd. Er konden heel wat ballen verzameld worden.
En natuurlijk wordt Lahav ook door ons vergeleken met zijn voorganger, maar eigenlijk lijken ze helemaal niet zo op elkaar. De techniek van dirigeren doet eerder aan Valery denken, minder energiek, in zekere zin soberder, maar heel efficiënt. Hij biedt ruimte, diepte en duidelijkheid.
En zo zijn ook de repetities. Zelfs voor de openluchtconcerten wordt nog op details gewerkt die toch gedeeltelijk zullen vervliegen in de omgeving. Maar het levert een prachtig resultaat op.
Een investering in de kwaliteit van zijn toekomstige orkest.
Vooral zijn aandacht voor ritme is opvallend.
Wellicht is het een en ander terug te voeren op zijn mentor Daniel Barenboim, maar die ken ik niet goed als dirigent. Het meeste zal zuiver Shani zijn.
In de keuze van het lichtere Amerikaanse repertoire, met een intrigerende symfonie van Weill als meest serieuze element, heeft hij ook al snel voor de hand liggende kwalificaties onderuit gehaald.
Ik zag hem in de eerste plaats als dirigent voor het diepzinnige Duitse repertoire, Brahms, Bruckner, Mahler, Beethoven en in de toekomst vast ook een zinderende Wagner, maar zijn Gershwin en Bernstein blijken ook onweerstaanbaar.
Spannend bovendien om dan te openen met een iconisch Ives: The unanswered question.
En met gevoel voor humor kwam die onbeantwoorde vraag, het trompetthema, in Rotterdam nog even tijdens de cadens van Gershwin om de hoek kijken.
Een aantal vragen zijn met deze reeks concerten wel beantwoord.
De dialoog wordt in november voortgezet met Brahms en Ravel.
Een must voor degenen die de opkomst van dit bijzondere talent niet willen missen.
donderdag 17 augustus 2017
Swingend het seizoen in
De zomerstop is weer voorbij.
Het orkest verzamelt zich voor de eerste repetities in de Doelen.
Een vertrouwde omgeving, maar het heeft elk jaar toch iets onwennigs.
Ieder komt uit zijn eigen biotoop.
Vaak met de familie op vakantie geweest, soms ook nog elders muziek gemaakt.
En dan vind je weer je eigen plek in de machine die symfonieorkest heet.
Je zoekt collega's op om bij te praten, met de een wat uitgebreider dan met de ander.
En dan gaat het spoedig weer als vanouds, alsof er geen vakantie is geweest.
Maar dit wordt niet een jaar als alle andere.
We nemen een aanloop naar ons jubileumseizoen, naar de viering van een eeuwlang Rotterdams Philharmonisch Orkest. En die aanloop wordt gestuurd door onze toekomstige chef, niet alleen in de Doelen, maar hij vergezelt ons ook naar Italië, naar Amsterdam en naar de Veerhaven.
Dat ziet er uit als een passend begin.
Lahav Shani gaat het jubileumjaar 2018 ook van start met een serie Nieuwjaarconcerten, dus tegen de tijd dat zijn officiële aanstelling begint zullen we elkaar alweer wat beter kennen.
De verwachtingen binnen het orkest zijn hooggespannen en gisteravond in het Concertgebouw weer extra gevoed. Wat een (dubbel)talent!
Maar de rest van het seizoen is het vooral Yannick die in zijn laatste jaar als chef een bijzonder spectrum gaat laten horen.
De Eroica komt terug.
Was het zijn eerste seizoen, dat we die speelden? Alweer bijna tien jaar geleden, dus.
Een prachtig revolutionair werk, ideaal om te ervaren hoe Yannick gerijpt is, hoe de samenwerking zich ontwikkeld heeft, welke nieuwe geheimen er in Beethoven kunnen worden onthuld.
Want Beethoven is een toetssteen, een niet aflatende uitdaging, een lakmoesproef.
Maar er zijn meer lakmoesproeven die zeker voor hoogtepunten gaan zorgen.
Turangalila.
De naam is al een wonder. En wanneer hoor je dit meesterwerk van Messiaen in de concertzaal?
Nou ja, toevallig ook bij het Radio Filharmonisch Orkest en hun chef in november.
Misschien geen ideale spreiding, maar liefhebbers zullen er waarschijnlijk blij mee zijn.
En dan Mahler 8, natuurlijk.
Niet zijn meest favoriete symfonie en (te) vaak gebruikt om op speciale gelegenheden groots uit te pakken. Groots, duur en meeslepend wordt het al snel, met zoveel musici, solisten en koren.
Maar na de recente Mahler-ervaringen met nummer 1 en vooral 10 verwacht ik een diepgaande, bij tijd en wijle intieme en verstilde, versie van een uniek niveau.
Een concert waar je bij moet zijn geweest.
Maar komend weekend nog even op reis.
Eerst Napels zien, of eigenlijk Ravenna, dan presenteren we ons volop aan ons Rotterdamse publiek.
Swingend tussen de Mambo en Cha-cha uit Puerto Ricaans New York naar de Samba uit Rio en terug het nieuwe seizoen in.
Het orkest verzamelt zich voor de eerste repetities in de Doelen.
Een vertrouwde omgeving, maar het heeft elk jaar toch iets onwennigs.
Ieder komt uit zijn eigen biotoop.
Vaak met de familie op vakantie geweest, soms ook nog elders muziek gemaakt.
En dan vind je weer je eigen plek in de machine die symfonieorkest heet.
Je zoekt collega's op om bij te praten, met de een wat uitgebreider dan met de ander.
En dan gaat het spoedig weer als vanouds, alsof er geen vakantie is geweest.
Maar dit wordt niet een jaar als alle andere.
We nemen een aanloop naar ons jubileumseizoen, naar de viering van een eeuwlang Rotterdams Philharmonisch Orkest. En die aanloop wordt gestuurd door onze toekomstige chef, niet alleen in de Doelen, maar hij vergezelt ons ook naar Italië, naar Amsterdam en naar de Veerhaven.
Dat ziet er uit als een passend begin.
Lahav Shani gaat het jubileumjaar 2018 ook van start met een serie Nieuwjaarconcerten, dus tegen de tijd dat zijn officiële aanstelling begint zullen we elkaar alweer wat beter kennen.
De verwachtingen binnen het orkest zijn hooggespannen en gisteravond in het Concertgebouw weer extra gevoed. Wat een (dubbel)talent!
Maar de rest van het seizoen is het vooral Yannick die in zijn laatste jaar als chef een bijzonder spectrum gaat laten horen.
De Eroica komt terug.
Was het zijn eerste seizoen, dat we die speelden? Alweer bijna tien jaar geleden, dus.
Een prachtig revolutionair werk, ideaal om te ervaren hoe Yannick gerijpt is, hoe de samenwerking zich ontwikkeld heeft, welke nieuwe geheimen er in Beethoven kunnen worden onthuld.
Want Beethoven is een toetssteen, een niet aflatende uitdaging, een lakmoesproef.
Maar er zijn meer lakmoesproeven die zeker voor hoogtepunten gaan zorgen.
Turangalila.
De naam is al een wonder. En wanneer hoor je dit meesterwerk van Messiaen in de concertzaal?
Nou ja, toevallig ook bij het Radio Filharmonisch Orkest en hun chef in november.
Misschien geen ideale spreiding, maar liefhebbers zullen er waarschijnlijk blij mee zijn.
En dan Mahler 8, natuurlijk.
Niet zijn meest favoriete symfonie en (te) vaak gebruikt om op speciale gelegenheden groots uit te pakken. Groots, duur en meeslepend wordt het al snel, met zoveel musici, solisten en koren.
Maar na de recente Mahler-ervaringen met nummer 1 en vooral 10 verwacht ik een diepgaande, bij tijd en wijle intieme en verstilde, versie van een uniek niveau.
Een concert waar je bij moet zijn geweest.
Maar komend weekend nog even op reis.
Eerst Napels zien, of eigenlijk Ravenna, dan presenteren we ons volop aan ons Rotterdamse publiek.
Swingend tussen de Mambo en Cha-cha uit Puerto Ricaans New York naar de Samba uit Rio en terug het nieuwe seizoen in.
woensdag 31 mei 2017
Azië
Het orkest staat weer in de startblokken om op reis te gaan.
Oost-Azië is het reisdoel.
Daar komen we zo eens in de paar jaar.
Ik ken nog niet alle zalen, maar de steden heb ik allemaal al eerder bezocht.
Behalve Jakarta.
Jakarta is geen gebruikelijke halteplaats voor een tournee.
En ik ben zelfs nooit in Indonesië als toerist geweest.
Ondanks dat mijn moeder daar haar eerste levensjaren heeft doorgebracht.
Het staat zeker nog op de verlanglijst.
Dit bezoek aan de hoofdstad wordt dan een voorproefje.
Een voorproefje van een land dat niet bepaald positief in het nieuws komt de laatste weken.
Dat veroorzaakt dan toch wel gemengde gevoelens.
Dat geldt natuurlijk ook voor Korea.
De spanning tussen Noord en Zuid is niets nieuws.
Daar hebben ze mee leren leven.
Misschien is het meer het onberekenbare karakter van Amerika's buitenlandpolitiek dat zorgt voor meer onzekerheid.
Je zou kunnen zeggen dat je dan als bezoekend orkest in zekere zin een positieve rol kunt spelen.
Als steun voor de miljoenen mensen die zo dicht bij de grens met hun noorderburen wonen.
Het lijkt er op dat ze zich er niet erg druk over maken, dus dat zullen wij dan ook maar niet doen.
En dan nog China.
Een mix van oude cultuur, communistische (anti-)cultuur en een inhaalslag die ze de laatste decennia uitvoeren. Mooie zalen in ieder geval, in Shanghai en Beijing.
En het is een land dat er toe doet in de wereld.
Ik kan er nog geen duidelijk beeld van krijgen, maar zo'n bezoek zal daar zeker aan bijdragen.
Met open ogen en een open houding het onbekende tegemoet.
En het bekende van de eigen collega's, waar ook wel wat nieuwe mensen tussen zitten en hoornist Bob Stoel zijn laatste concerten met ons zal spelen. Ook voor het sociale aspect van een orkest is een tournee belangrijk.
Je komt nog eens tot gespreksonderwerpen waar je in de dagelijkse gang van zaken niet snel aan toe komt. En je komt samen weer tot mooie inspirerende concerten.
Voor de thuisblijvers reist Justus Cooiman mee, die dagelijks een videoboodschap de ether in stuurt, ofwel over het internet verspreidt. Hij heeft dat ooit op een Amerikaanse trip gedaan en daar toen een mooie onderscheiding voor gekregen.
Ook voor de aanwezigen is dat overigens een leuke manier om je eigen reis te kunnen volgen.
Ik weet dat de beelden op facebook te zien zullen zijn, maar verwacht dat ook via de website van het orkest het verslag te zien is.
Dan kom ik na thuiskomst wel weer met mijn eigen verhalen.
Oost-Azië is het reisdoel.
Daar komen we zo eens in de paar jaar.
Ik ken nog niet alle zalen, maar de steden heb ik allemaal al eerder bezocht.
Behalve Jakarta.
Jakarta is geen gebruikelijke halteplaats voor een tournee.
En ik ben zelfs nooit in Indonesië als toerist geweest.
Ondanks dat mijn moeder daar haar eerste levensjaren heeft doorgebracht.
Het staat zeker nog op de verlanglijst.
Dit bezoek aan de hoofdstad wordt dan een voorproefje.
Een voorproefje van een land dat niet bepaald positief in het nieuws komt de laatste weken.
Dat veroorzaakt dan toch wel gemengde gevoelens.
Dat geldt natuurlijk ook voor Korea.
De spanning tussen Noord en Zuid is niets nieuws.
Daar hebben ze mee leren leven.
Misschien is het meer het onberekenbare karakter van Amerika's buitenlandpolitiek dat zorgt voor meer onzekerheid.
Je zou kunnen zeggen dat je dan als bezoekend orkest in zekere zin een positieve rol kunt spelen.
Als steun voor de miljoenen mensen die zo dicht bij de grens met hun noorderburen wonen.
Het lijkt er op dat ze zich er niet erg druk over maken, dus dat zullen wij dan ook maar niet doen.
En dan nog China.
Een mix van oude cultuur, communistische (anti-)cultuur en een inhaalslag die ze de laatste decennia uitvoeren. Mooie zalen in ieder geval, in Shanghai en Beijing.
En het is een land dat er toe doet in de wereld.
Ik kan er nog geen duidelijk beeld van krijgen, maar zo'n bezoek zal daar zeker aan bijdragen.
Met open ogen en een open houding het onbekende tegemoet.
En het bekende van de eigen collega's, waar ook wel wat nieuwe mensen tussen zitten en hoornist Bob Stoel zijn laatste concerten met ons zal spelen. Ook voor het sociale aspect van een orkest is een tournee belangrijk.
Je komt nog eens tot gespreksonderwerpen waar je in de dagelijkse gang van zaken niet snel aan toe komt. En je komt samen weer tot mooie inspirerende concerten.
Voor de thuisblijvers reist Justus Cooiman mee, die dagelijks een videoboodschap de ether in stuurt, ofwel over het internet verspreidt. Hij heeft dat ooit op een Amerikaanse trip gedaan en daar toen een mooie onderscheiding voor gekregen.
Ook voor de aanwezigen is dat overigens een leuke manier om je eigen reis te kunnen volgen.
Ik weet dat de beelden op facebook te zien zullen zijn, maar verwacht dat ook via de website van het orkest het verslag te zien is.
Dan kom ik na thuiskomst wel weer met mijn eigen verhalen.
donderdag 18 mei 2017
Tussen hemel en hel
Najaar 2017 wordt Messiaen-tijd voor mij.
Het gaat maar om twee stukken, maar wel twee van de grote werken uit het repertoire.
Yannick komt in oktober de Turangalila symfonie dirigeren.
Een unicum, dat zeker de laatste 25 jaar bij het orkest niet meer op de lessenaars heeft gestaan.
Ik weet niet of hij hem al vaker gedaan heeft, maar voor elke dirigent is het een enorme uitdaging.
Voor elk orkest ook, overigens.
Daarover later zeker nog een keer.
Eerst is het de beurt aan het beroemde Quatuor pour la fin du temps.
Beroemd omdat het relatief vaak wordt uitgevoerd.
En omdat het daarbij nooit nalaat een diepe indruk op het publiek achter te laten.
Berucht ook onder de musici, omdat het extreme eisen aan de uitvoerenden stelt.
Niet vergelijkbaar met welk ander stuk ook.
Maar zeker ook iets om naar uit te kijken.
Omdat de tijd en energie die je erin stopt veel voldoening oplevert.
Beroemd is het stuk ook geworden door de ontstaansgeschiedenis en de mythes die er om heen hangen. Vier musici in een Duits gevangenkamp, onder erbarmelijke omstandigheden, repeteren het stuk, dat een van hen gecomponeerd heeft, op gebrekkige instrumenten (een cello met drie snaren!) en spelen daar, midden in de winter, de gedenkwaardige eerste uitvoering. Een ongelooflijk verhaal.
Ik heb onlangs een boek gevonden dat onderzoekt wat de omstandigheden werkelijk geweest kunnen zijn, onder meer aan de hand van interviews met de musici van het eerste uur: For the End of Time van Rebecca Rischin. En dan val je inderdaad van de ene verbazing in de andere.
Zo was de klarinettist, Henri Akoko, een Joodse Fransman, die als krijgsgevangene in het kamp de oorlog overleefde. Hij is zelfs nog ontsnapt en naar het kamp teruggestuurd, terwijl hij uiteraard het risico liep in een concentratiekamp als Auschwitz terecht te komen. Het mislukken van zijn poging was ook gunstig voor dit meesterwerk, dat toen nog onvoltooid was en op 15 januari 1941 in kamp Stalag VIIIA in Görlitz voor het eerst werd uitgevoerd.
Ik zal later zeker nog terugkomen op andere verhalen in het boek. Dat van de drie-snarige cello - zelfs op vier snaren is het een hele lastige klus! - blijkt door de componist uit zijn duim te zijn gezogen.
Het instrument is voor cellist Etienne Pasquier in een plaatselijke muziekwinkel aangeschaft, met geld verzameld onder de gevangenen. Van de Duitse bewaker die zo'n positieve rol in deze geschiedenis heeft gespeeld is de naam nog bekend: Carl-Albert Brüll.
Verdient zo iemand niet een ereplaats in de muziekgeschiedenis?
Ook na de oorlog doet hij nog van zich spreken.
Zowel door de omstandigheden als door het onderwerp van de muziek lijkt het het ideale stuk voor herdenkingen van de Tweede Wereldoorlog, zoals jaarlijks op 4 mei. En daar wordt het zeker veel voor gebruikt. Wij gaan met Domestica Rotterdam het stuk begin september als opening van het seizoen bij Theater Rotterdam spelen, in combinatie met teksten geïnspireerd op In Europa van Geert Mak.
Maar eerst doen we zaterdag tijdens de Operadagen nog een andere productie die ook zeer goed op 4 of 14 mei zou kunnen passen: Goldberg.
De combinatie van de tekst met daarin een realistisch suggestief beeld van de rauwe omstandigheden in een legerhospitaal tijdens een oorlog en de, in zeker zin, hemelse muziek van Bach in zijn Goldbergvariaties is eigenlijk goed vergelijkbaar met de contrasten binnen Messiaens Quatour, waar de heftige fanfares met de aankondiging van de apocalyps worden afgewisseld met meditaties over de eeuwigheid van Jezus.
Komt de boodschap op die manier misschien harder aan, raakt hij daarmee dieper in de ziel?
Het gaat maar om twee stukken, maar wel twee van de grote werken uit het repertoire.
Yannick komt in oktober de Turangalila symfonie dirigeren.
Een unicum, dat zeker de laatste 25 jaar bij het orkest niet meer op de lessenaars heeft gestaan.
Ik weet niet of hij hem al vaker gedaan heeft, maar voor elke dirigent is het een enorme uitdaging.
Voor elk orkest ook, overigens.
Daarover later zeker nog een keer.
Eerst is het de beurt aan het beroemde Quatuor pour la fin du temps.
Beroemd omdat het relatief vaak wordt uitgevoerd.
En omdat het daarbij nooit nalaat een diepe indruk op het publiek achter te laten.
Berucht ook onder de musici, omdat het extreme eisen aan de uitvoerenden stelt.
Niet vergelijkbaar met welk ander stuk ook.
Maar zeker ook iets om naar uit te kijken.
Omdat de tijd en energie die je erin stopt veel voldoening oplevert.
Beroemd is het stuk ook geworden door de ontstaansgeschiedenis en de mythes die er om heen hangen. Vier musici in een Duits gevangenkamp, onder erbarmelijke omstandigheden, repeteren het stuk, dat een van hen gecomponeerd heeft, op gebrekkige instrumenten (een cello met drie snaren!) en spelen daar, midden in de winter, de gedenkwaardige eerste uitvoering. Een ongelooflijk verhaal.
Ik heb onlangs een boek gevonden dat onderzoekt wat de omstandigheden werkelijk geweest kunnen zijn, onder meer aan de hand van interviews met de musici van het eerste uur: For the End of Time van Rebecca Rischin. En dan val je inderdaad van de ene verbazing in de andere.
Zo was de klarinettist, Henri Akoko, een Joodse Fransman, die als krijgsgevangene in het kamp de oorlog overleefde. Hij is zelfs nog ontsnapt en naar het kamp teruggestuurd, terwijl hij uiteraard het risico liep in een concentratiekamp als Auschwitz terecht te komen. Het mislukken van zijn poging was ook gunstig voor dit meesterwerk, dat toen nog onvoltooid was en op 15 januari 1941 in kamp Stalag VIIIA in Görlitz voor het eerst werd uitgevoerd.
Ik zal later zeker nog terugkomen op andere verhalen in het boek. Dat van de drie-snarige cello - zelfs op vier snaren is het een hele lastige klus! - blijkt door de componist uit zijn duim te zijn gezogen.
Het instrument is voor cellist Etienne Pasquier in een plaatselijke muziekwinkel aangeschaft, met geld verzameld onder de gevangenen. Van de Duitse bewaker die zo'n positieve rol in deze geschiedenis heeft gespeeld is de naam nog bekend: Carl-Albert Brüll.
Verdient zo iemand niet een ereplaats in de muziekgeschiedenis?
Ook na de oorlog doet hij nog van zich spreken.
Zowel door de omstandigheden als door het onderwerp van de muziek lijkt het het ideale stuk voor herdenkingen van de Tweede Wereldoorlog, zoals jaarlijks op 4 mei. En daar wordt het zeker veel voor gebruikt. Wij gaan met Domestica Rotterdam het stuk begin september als opening van het seizoen bij Theater Rotterdam spelen, in combinatie met teksten geïnspireerd op In Europa van Geert Mak.
Maar eerst doen we zaterdag tijdens de Operadagen nog een andere productie die ook zeer goed op 4 of 14 mei zou kunnen passen: Goldberg.
De combinatie van de tekst met daarin een realistisch suggestief beeld van de rauwe omstandigheden in een legerhospitaal tijdens een oorlog en de, in zeker zin, hemelse muziek van Bach in zijn Goldbergvariaties is eigenlijk goed vergelijkbaar met de contrasten binnen Messiaens Quatour, waar de heftige fanfares met de aankondiging van de apocalyps worden afgewisseld met meditaties over de eeuwigheid van Jezus.
Komt de boodschap op die manier misschien harder aan, raakt hij daarmee dieper in de ziel?
vrijdag 28 april 2017
Herinnering
Een groot deel van ons vak als orkestmusicus is gebaseerd op ervaring, op herinnering aan eerdere uitvoeringen van dezelfde muziek. Of van soortgelijke muziek, eenzelfde idioom, waardoor je weet wat je ongeveer kunt verwachten.
Dat is een onmisbare hulp bij het bepalen van timing, van dynamiek, van het kleuren van je toon, van bijna alles eigenlijk, als aanvulling op de aanwijzingen in je partij en de informatie die je van de dirigent krijgt. Zeker als je het vak op hoog niveau wilt uitoefenen.
Maar datzelfde geheugen, die kennis van het repertoire zorgt er ook voor dat je in de muziek die je speelt altijd weer muziek van anderen hoort. En met bepaalde collega's ontstaat dan weleens een spel van het vinden van de beste associatie, en komen allerlei scenes uit Wagners Ring des Nibelungen, Debussy's Pelleas of Stravinsky's Vuurvogel op tafel.
Vooral Wagner blijkt in ons symfonische repertoire, vanaf het eind van de negentiende eeuw nogal wat sporen te hebben nagelaten. Zeker bij een componist als Dvorak, hoewel die meestal in de invloedssfeer van diens tegenpool Brahms wordt geplaatst.
Maar vorige week hoorde ik in zijn Stabat Mater een passage uit voor mij volkomen onverwachte hoek. En bepaald niet verstopt, want niet alleen driemaal in het openingsdeel, maar ook nog een keertje in het afsluitende Quandus corpus morietur.
Onvervalste Verdi!
Het lijkt er sterk op dat de Bohemer Dvorak hier de Italiaan Verdi citeert met een wending uit diens Requiem.
Het zou bewust kunnen zijn, want als Dvorak in februari 1876 met componeren begint heeft de dodenmis van Verdi net twee jaar daarvoor voor het eerst in Milaan geklonken.
Maar het lijkt voor mij, ondanks het verwante genre, zo'n onwaarschijnlijke invloedssfeer.
Maar hier zijn de voorbeelden.
Dvorak (vanaf 0:30):
En dan Verdi (vanaf 1:04):
Er zijn nog andere delen die iets minder concreet naar Verdi klinken, zoals het achtste deel, Fac ut portem, de manier waarop beide zangers gecombineerd worden en zo'n passage vanaf 2:42, met die doorgaande beweging onder melodie:
Als ik Michael Steinberg (Choral Masterworks) er op nasla noemt hij allereerst Schubert en de Onvoltooide symfonie en Beethovens Missa Solemnis, maar Verdi komt ook voorbij.
Zou hij het Requiem hebben gehoord?
Misschien is het waarschijnlijker dat hij de partituur in handen gekregen heeft.
Bovendien kende hij zijn Verdi uit de tijd dat hij zijn boord als altviolist in de opera verdiende, met Il Trovatore vast op het repertoire.
Verdi's werk kent veel meer dramatiek, veel meer contrasten.
Al die langzame tempi maakt het Stabat Mater tot een lastige uitdaging.
Volgens Steinberg: 'A sensitive conductor not averse to flexibility and with a truly comprehensive view of the entire score knows how to make the work breathe and flow.'
Als voorbeelden uit het verleden noemt hij Kubelik en Talich, de dirigent van bovenstaande fragmenten. Beiden Tsjechen, net als de enige tijdgenoot die wordt genoemd: Jiri Belohlávek.
En hij was het die ons door de partiuur heeft geleid.
Met of zonder Verdi.
Dat is een onmisbare hulp bij het bepalen van timing, van dynamiek, van het kleuren van je toon, van bijna alles eigenlijk, als aanvulling op de aanwijzingen in je partij en de informatie die je van de dirigent krijgt. Zeker als je het vak op hoog niveau wilt uitoefenen.
Maar datzelfde geheugen, die kennis van het repertoire zorgt er ook voor dat je in de muziek die je speelt altijd weer muziek van anderen hoort. En met bepaalde collega's ontstaat dan weleens een spel van het vinden van de beste associatie, en komen allerlei scenes uit Wagners Ring des Nibelungen, Debussy's Pelleas of Stravinsky's Vuurvogel op tafel.
Vooral Wagner blijkt in ons symfonische repertoire, vanaf het eind van de negentiende eeuw nogal wat sporen te hebben nagelaten. Zeker bij een componist als Dvorak, hoewel die meestal in de invloedssfeer van diens tegenpool Brahms wordt geplaatst.
Maar vorige week hoorde ik in zijn Stabat Mater een passage uit voor mij volkomen onverwachte hoek. En bepaald niet verstopt, want niet alleen driemaal in het openingsdeel, maar ook nog een keertje in het afsluitende Quandus corpus morietur.
Onvervalste Verdi!
Het lijkt er sterk op dat de Bohemer Dvorak hier de Italiaan Verdi citeert met een wending uit diens Requiem.
Het zou bewust kunnen zijn, want als Dvorak in februari 1876 met componeren begint heeft de dodenmis van Verdi net twee jaar daarvoor voor het eerst in Milaan geklonken.
Maar het lijkt voor mij, ondanks het verwante genre, zo'n onwaarschijnlijke invloedssfeer.
Maar hier zijn de voorbeelden.
Dvorak (vanaf 0:30):
En dan Verdi (vanaf 1:04):
Er zijn nog andere delen die iets minder concreet naar Verdi klinken, zoals het achtste deel, Fac ut portem, de manier waarop beide zangers gecombineerd worden en zo'n passage vanaf 2:42, met die doorgaande beweging onder melodie:
Als ik Michael Steinberg (Choral Masterworks) er op nasla noemt hij allereerst Schubert en de Onvoltooide symfonie en Beethovens Missa Solemnis, maar Verdi komt ook voorbij.
Zou hij het Requiem hebben gehoord?
Misschien is het waarschijnlijker dat hij de partituur in handen gekregen heeft.
Bovendien kende hij zijn Verdi uit de tijd dat hij zijn boord als altviolist in de opera verdiende, met Il Trovatore vast op het repertoire.
Verdi's werk kent veel meer dramatiek, veel meer contrasten.
Al die langzame tempi maakt het Stabat Mater tot een lastige uitdaging.
Volgens Steinberg: 'A sensitive conductor not averse to flexibility and with a truly comprehensive view of the entire score knows how to make the work breathe and flow.'
Als voorbeelden uit het verleden noemt hij Kubelik en Talich, de dirigent van bovenstaande fragmenten. Beiden Tsjechen, net als de enige tijdgenoot die wordt genoemd: Jiri Belohlávek.
En hij was het die ons door de partiuur heeft geleid.
Met of zonder Verdi.
zondag 16 april 2017
Lijdenstijd
De Lijdenstijd is weer voorbij voor dit jaar.
Een lijdenstijd in de kerkelijke kalender maar voor menige (barok)musicus een drukke tijd vol passies, en daarmee een gevulde beurs.
Van Mattheus naar Johannes en weer terug.
Ook ons orkest doet de laatste jaren weer mee aan de 'Mattheus-traditie', die inmiddels kan worden beschouwd als een stevig onderdeel van onze Nederlandse culturele identiteit.
Fantastisch om te spelen voor de musici en ook het publiek waardeert het steeds weer.
En het biedt de kans om met verrassende dirigenten voor de dag kunnen komen, zoals dit jaar.
Nathalie Stutzmann, een succesvol zangeres, is gaan dirigeren en blijkt het in de vingers te hebben.
Haar Nederlandse debuut smaakt naar meer, als je het mij vraagt.
Misschien de Johannes in de nabije toekomst. Of iets heel anders.
Want er zijn nog zoveel alternatieven, ook voor de dagen voor Pasen.
Het Stabat mater bijvoorbeeld.
De pijn van Maria, als moeder van Jezus, bij het kruis.
Hoeveel componisten hebben die tekst niet op muziek gezet?
Pergolesi natuurlijk, maar ook Vivaldi, Poulenc (een paar seizoenen geleden nog met Yannick gespeeld, in december!), en zelfs Rossini en Verdi.
Komende week spelen wij de versie van Dvorák, met niemand minder dan Jiri Belohlávek.
Deze heeft al vaker bij ons een lans gebroken voor de muziek uit zijn vaderland.
Dat lijkt bij Dvorak misschien niet nodig, maar vreemd genoeg klinkt er van deze terecht populaire componist altijd maar een handjevol kaskrakers. De laatste drie symfonieën uiteraard, het Celloconcert en misschien eens een enkele Slavische Dans als toegift.
Met Belohlávek hebben we De Houtduif, een van die late symfonische gedichten, gedaan en de prachtige Symfonische Variaties.
Het Stabat Mater stamt uit dezelfde periode, als de componist tegen de veertig loopt, en het noodlot hem zwaar treft. Hij wordt dan een rouwende vader en de muziek onder de Latijnse tekst komt rechtstreeks uit zijn gepijnigde hart. Ook hij verliest een zoon, maar binnen korte tijd bovendien twee dochters en blijft met zijn vrouw kinderloos achter.
Deze indringende muziek zorgde destijds voor zijn internationaal doorbraak, maar klinkt relatief zelden in Nederland.
Misschien komt dat ook wel door de Mattheus Passion, die de lijdenstijd als het ware voor zich opeist. In het buitenland zijn prachtige opnames gemaakt met dirigenten als Harnoncourt, Herreweghe en Jansons.
Ik zou het niet erg vinden als we het onderhouden van de Nederlandse identiteit de komende jaren aan de talloze koren en orkesten in den lande overlaten en ons op de mooiste Stabat Maters (kan dit meervoud?) gaan richten. Daar kunnen we dan nog lang mee vooruit.
Van mij mag dat, zoals nu, dan ook nog wel buiten de week van de lijdenstijd.
Volgend jaar staat nog gewoon de Mattheus op het rooster, maar dan wel tot en met stille zaterdag.
Toch al een beetje over de grens dus.
Een lijdenstijd in de kerkelijke kalender maar voor menige (barok)musicus een drukke tijd vol passies, en daarmee een gevulde beurs.
Van Mattheus naar Johannes en weer terug.
Ook ons orkest doet de laatste jaren weer mee aan de 'Mattheus-traditie', die inmiddels kan worden beschouwd als een stevig onderdeel van onze Nederlandse culturele identiteit.
Fantastisch om te spelen voor de musici en ook het publiek waardeert het steeds weer.
En het biedt de kans om met verrassende dirigenten voor de dag kunnen komen, zoals dit jaar.
Nathalie Stutzmann, een succesvol zangeres, is gaan dirigeren en blijkt het in de vingers te hebben.
Haar Nederlandse debuut smaakt naar meer, als je het mij vraagt.
Misschien de Johannes in de nabije toekomst. Of iets heel anders.
Want er zijn nog zoveel alternatieven, ook voor de dagen voor Pasen.
Het Stabat mater bijvoorbeeld.
De pijn van Maria, als moeder van Jezus, bij het kruis.
Hoeveel componisten hebben die tekst niet op muziek gezet?
Pergolesi natuurlijk, maar ook Vivaldi, Poulenc (een paar seizoenen geleden nog met Yannick gespeeld, in december!), en zelfs Rossini en Verdi.
Komende week spelen wij de versie van Dvorák, met niemand minder dan Jiri Belohlávek.
Deze heeft al vaker bij ons een lans gebroken voor de muziek uit zijn vaderland.
Dat lijkt bij Dvorak misschien niet nodig, maar vreemd genoeg klinkt er van deze terecht populaire componist altijd maar een handjevol kaskrakers. De laatste drie symfonieën uiteraard, het Celloconcert en misschien eens een enkele Slavische Dans als toegift.
Met Belohlávek hebben we De Houtduif, een van die late symfonische gedichten, gedaan en de prachtige Symfonische Variaties.
Het Stabat Mater stamt uit dezelfde periode, als de componist tegen de veertig loopt, en het noodlot hem zwaar treft. Hij wordt dan een rouwende vader en de muziek onder de Latijnse tekst komt rechtstreeks uit zijn gepijnigde hart. Ook hij verliest een zoon, maar binnen korte tijd bovendien twee dochters en blijft met zijn vrouw kinderloos achter.
Deze indringende muziek zorgde destijds voor zijn internationaal doorbraak, maar klinkt relatief zelden in Nederland.
Misschien komt dat ook wel door de Mattheus Passion, die de lijdenstijd als het ware voor zich opeist. In het buitenland zijn prachtige opnames gemaakt met dirigenten als Harnoncourt, Herreweghe en Jansons.
Ik zou het niet erg vinden als we het onderhouden van de Nederlandse identiteit de komende jaren aan de talloze koren en orkesten in den lande overlaten en ons op de mooiste Stabat Maters (kan dit meervoud?) gaan richten. Daar kunnen we dan nog lang mee vooruit.
Van mij mag dat, zoals nu, dan ook nog wel buiten de week van de lijdenstijd.
Volgend jaar staat nog gewoon de Mattheus op het rooster, maar dan wel tot en met stille zaterdag.
Toch al een beetje over de grens dus.
Abonneren op:
Posts (Atom)






















