Tussen de juweeltjes van vroeger is het nu weer eens tijd voor een schijf, die aansluit op waar ik nu mee bezig ben. Deze weken staat Messiaens Kwartet voor het eind der tijden op de lessenaar en daar heb ik ook een mooie lp van in huis. Een op en top Nederlands product waar we trots op mogen zijn. Opgenomen en uitgebracht in 1980. In 2012 ook in een versie op cd,maar die is waarschijnlijk niet meer verkrijgbaar.
De uitvoerenden waren Vera Beths, George Pieterson, Anner Bijlsma en Reinbert de Leeuw. Als Rondom Kwartet heb ik hen dit stuk in de jaren 70 ook live horen spelen, en die indrukwekkende ervaring zal vast geholpen bij de aanschaf van deze Philips-plaat. Het was nog niet de tijd dat beide strijkers met elkaar getrouwd waren maar het samenspel is er niet minder om. Toch liggen de hoogtepunten in de solo-delen. De klarinet helemaal alleen in de vogelgeluiden en de strijkers elk in een oneindig langzaam tempo met liggende piano-akkoorden.
Het zou één van die stukken worden waar ik enorm tegenop kijk, nog steeds. Uit bewondering, uit respect maar ook wel een beetje uit angst. Misschien is 'ongenaakbaar' de juiste term. Vanaf mijn studiejaren heb ik het met verschillende partners gespeeld en uiteindelijk hebben we het ook met mijn 'eigen' Domestica Rotterdam uitgevoerd. Johan Simons had voor de opening van Theater Rotterdam een productie gemaakt. waarin een indrukwekkende line-up van topacteurs teksten van onder meer Geert Mak, Primo Levi en Vasili Grossman voordroegen en wij het Quatuor speelden. Komende maand in de Breepleinkerk komen de verbindende teksten van Etty Hillesum.
Ik kan er niet omheen dat bij al die uitvoeringen het vijfde deel mijn bijzondere aandacht heeft: Louange à l'Èternité de Jésus. Een langgerekte melodie in een tijdloos langzaam tempo. Messiaen schrijft erbij: Jésus est ici considéré en tant que Verbe. En dat slaat dan weer op het begin van het Johannes-evangelie, één van mijn favoriete passages uit het Nieuwe Testament: 'In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God'. Ik herinner me niet of ik deze uitvoering van Anner Bijlsma vaak beluisterd heb, maar het zal me ongetwijfeld geïnspireerd hebben en ik vind het nog steeds een souvereine uitvoering, met een bewonderenswaardige beheersing van de stokvoering.
En dan moeten we het ook nog wel even over de platenhoes hebben. Wie zou bedacht hebben dat daar een gravure van Gustave Doré op moest? De Dood met een zeis en een zandloper hoort bij een beroemd gedicht van E.A.Poe, The Raven. Messiaen gebruikt wel vogelgeluiden, maar niet die van een raaf. En er zijn zulke mooie afbeeldingen van de Apokalyps, zoals de houtsneden van Dürer:
Of als het Frans moet zijn herinner ik me een prachtig wandkleed uit Angers:
Ik moet nog wel even bij Schumann blijven. Een van de beroemdste, populairste componisten - wie kent niet zijn Träumerei? - en tegelijkertijd ook ondergewaardeerd of misschien meer onbegrepe. Hij schreef een van de mooiste Celloconcerten, dat vaak niet het succes krijgt dat het verdient in de concertzaal. Om maar niet te spreken over zijn symfonieën, die maar weinig dirigenten en orkesten overtuigend kunnen uitvoeren. Of zijn strijkkwartetten. En dan is er nog veel repertoire wat bijna nooit uitgevoerd wordt, zoals de Faust-szenen of Das Paradies und die Peri. Dat waren ook geen stukken die ik op de plaat had. Naast de liederen was het natuurlijk de pianomuziek. Papillons, Kinderszenen, Carnaval. Van de Nachtstücke had ik een prachtige versie van Emil Gilels op een Russische persing. Veel gedraaid. Maar de ereplaats vandaag is voor Arturo Benedetti Michelangeli: Faschingsschwank aus Wien. Ik ben zelf net terug uit Wenen, dus dat komt goed uit.
Het is een plaat uit een box met tien lp's. Een curieuze verzameling live-opnames onder de titel The Classic Collection. Beetje obscuur. Over de titel zal vast niet al te lang zijn nagedacht. Misschien wel over de keuze van repertoire en opnames hoewel ik daar geen systeem in kan ontdekken. Ik zal hem vermoedelijk voor een lage prijs uit een bak bij de V&D hebben geplukt, ofwel omdat een aantal van de uitvoerenden me aansprak of omdat ik bepaalde repertoire nog niet in bezit had.
Furtwängler zit erbij met symfonieën van Tsjaikovski en Brahms, Bruno Walter met Mozart, Mitropoulos met Mahler. Ik zou ze nog eens moeten geen beluisteren. Misschien wel tekenend dat ik me alleen de enige zonder orkest kan herinneren: Benedetti Michelangeli, die op de andere kant een sonate van Chopin speelt. Alleen die Schumann, de b-kant van plaat 5, is blijven hangen. En dan van de vijf delen van Faschingsschwank vooral twee 'tussendelen'.
Het Intermezzo is groots en meeslepend. Twee handen spelen drie partijen. In het midden een waterval aan snelle passages, ondersteund door een stevige baslijn, en in de discant een meeslepende melodie, romantiek ten top. Mit grösster Energie, zoals Schumann voorschrijft, maar ook met de diepste gevoelens. Daar kon ik vanbinnen mee meezingen op emotionele momenten. Ik weet niet of een andere uitvoering me ook zo zou hebben aangesproken, maar dit was degene die ik had. En ik kende de reputatie van Michelangeli wel, had hem graag live gehoord. Daar had ik zeker voor naar het buitenland gemoeten met alle risico's van afzeggingen. Een excentrieke artiest, een enigma, waar ik later nog een paar mooie cd's van heb gekocht.
Fascinerend om te horen hoe hij de basnoten timet op de melodie. Vaak net iets eerder. Is het gretigheid, is het expressie, is het gemaniëreerd? Het overtuigt mij volledig.
Maar het toppunt is de Romanze, het tweede deel. Eigenlijk maar een paar maten, nog een 3 minuten. Een dalende lijn wordt een paar keer letterlijk herhaald. Ongelooflijk om te horen hoe elke noot zin krijgt, zeggingskracht. Wat mij betreft een moment waarin je de hele groten herkent.
Ik heb deze in mijn studentenkamer vaak gedraaid zonder dar ik er verder iets over wist. Op de plaat staat nauwelijks informatie. Tegenwoordig kun je op internet bijna alles opzoeken en blijkt het onderdeel van een recital in Warschau te zijn uit 1955. Michelangeli was jurylid bij het Chopin-concours en had zelf blijkbaar ook een paar optredens. Er zullen vast kandidaten onder het publiek onder het publiek hebben gezeten. Misschien wel Vladimir Ashkenazy, die een tweede prijs won, na de Pool Harasiewicz. In ieder geval werd Michelangeli hoorbaar geïnspireerd tot grootse prestaties, zoals ook aan de rest van dit fenomenale recital te horen is. Maar dat maakt allemaal geen onderdeel uit van mijn intieme momenten met deze zwarte schijf.
Ik vond nog ergens een verslag van de gedenkwaardige avond:
We were all riveted by
the very first bars of Bach’s Chaconne, as adapted by Busoni.
Then we heard a dazzling version of Beethoven’s Sonata in C major Op. 2, passed
through a vigorously youthful and fiery rendering of Schumann’s Carnival
Pranks in Vienna Op. 26, to be finally enraptured by Brahms’s Variations
on a Theme of Paganini! I remember how a silent shiver ran through the
balcony of the National Philharmonic Hall, where I had my seat directly behind
the jurors, all famous artists who gave their own recitals after the auditions
for the competition contestants. One after the other, they expressed their
ecstatic joy and undisguised amazement that such a thing as Arturo Benedetti
Michel- angeli’s pianism could exist on this earth. It was a reaction of
astonishment mixed with absolute rapture. The artist was called back many
times, and gave several encores, consisting of Scarlatti’s Sonata,
Mompou’s Canzona e Danza, and Chopin’s Waltz in E flat ← 9 | 10 → major, which had only recently been
discovered and published. However, the audience did not want to let the artist
go, and with continuous applause and ovations forced him to give further
displays from the stage. Finally, the piano was closed up, but even that was of
little help, and so some of the lights in the hall were extinguished. But the
audience remained riveted to their seats, so moved were they by the rich
sensations of such brilliant playing. And I had heard the embodiment of my
artistic ideal!
Kiezen uit je mooiste lp's, hoe doe je dat? Het begin van deze serie was vanzelfsprekend. Goulds Goldbergvariaties heeft nu eenmaal een bijzondere positie die ik ook genoemd had in het interview in Intrada, waar dit allemaal begon. De Tweede Mahler als vervolg had direct te maken met de concerten bij het Philhamonisch. Bij de kennismaking met Mahlers symfonieën was de platenspeler voor mij destijds onmisbaar. Inmiddels heb ik dat repertoire al zo vaak en met zoveel dirigenten uitgevoerd en staan alle partituren in mijn kast dat er minder reden is om te luisteren. Toch was de ervaring interessant.
Ook de vorige aflevering had met orkestconcerten in Rotterdam te maken, hoewel het daarna nog een paar maanden duurde voordat ik een verhaal over de Vijfde van Beethoven en Karajan formuleerde. Twee iconen. En eigenlijk komt er dan teveel naar boven en moet je je vooral beperken om een leesbaar stukje te maken. Over de image, de marketing van deze dirigent en dat repertoire bijvoorbeeld. Hij had toch een soort monopolie, wekte vertrouwen en ontzag. Maar wàt maakte hem nou zo goed? Of was hij misschien niet zo goed als wij dachten? Als andere platen van hem aan bod komen hoop ik daar wel iets dieper in te duiken. Nu merkte ik dat ik vooral aansloeg op het uiterlijk van de platenhoes, de foto van Lauterwasser. Het logo van DGG, daar moeten we het ook nog een keer over hebben. Voor de afwisseling voel ik nu een behoefte aan kostbare kleinigheden, juweeltjes, die zeker zo belangrijk voor mij waren. Een eenvoudig lied van Schumann: Der Nussbaum.
Een kort nummer dat opviel, bleef hangen, me diep raakte binnen het brede repertoire op vijf langspeelplaten, een box met als titel Les Introuvables d'Elisabeth Schwarzkopf. EMI had er een hele serie van, waarvan ik later ook nog de 'onvindbare' kostbaarheden van Verdi en, dan inmiddels op cd, Wagners Ring kocht. Het was in een tijd dat je nog kon zoeken naar bijzondere opnames, voordat Youtube ermee vol stond. Schwarzkopf zal toen toch ruim vertegenwoordigd zijn geweest op de platenmarkt maar blijkbaar niet met deze uitvoeringen. Als echtgenote van een van de beroemdste en meest actieve opnameleiders, Walter Legge, had ze het voor het uitkiezen.
Een van hun grootste successen was Der Rosenkavalier met Karajan in 1956 in Londen, waar ze de Marschallin zong. In deze box kun je horen hoe ze, ook met Karajan, al in 1947 in Wenen een scene uit dezelfde opera, maar dan als Sophie, zingt. Heerlijk en waarschijnlijk nog steeds niet bij velen bekend:
Maar voordat we al te veel uitweiden over al het andere moois, het is Der Nussbaum die me is bijgebleven. En waarom dan eigenlijk? De kracht van Schumann als liedcomponist? Dichterliebe is voor mij een van de grote meesterwerken uit de Duitse romantiek, maar daar draagt de tekst van Heine volop aan bij. En daar vormen de liederen een verhalend geheel. De Myrthen opus 25 zijn meer een bos bloemen en geschreven door Robert voor zijn Clara als huwelijkscadeau. 26 liederen, zoveel als de letters van het alfabeth en als het derde lied dan staat voor de C van Clara dan maakt dat Der Nussbaum nog extra dierbaar.
Julius Mosen, was geen dichter van het niveau Heine maar dat heeft voor een componist ook zo zijn voordelen. Of zoals ik toevallig vorige week bij Thomas Mann las: 'Ich habe oft sagen hören, ein Gedicht dürfte nicht zu gut sein, um ein gutes Lied abzugeben. Die Musik sei viel besser daran bei der Aufgabe, das Mässige zu vergolden. So glänzt virtuose Schauspielkunst am hellsten in schlechten Stücken.' (Doktor Faustus, hoofdstuk XXVII). Ik weet niet of de vergelijking helemaal opgaat. En ik snap Schumanns keuze helemaal als ik lees over de bloesems, die naar elkaar fluisteren over een meisje en een bruidegom over een jaar. De zorgeloze tedere melodie als van een volkslied zingt Schwarzkopf met alle aandacht voor detail. Tekstbehandeling tot kunst verheven. 'Zart' en 'zierlich' worden in de klank vertaald en het fluisteren bewaard voor het slot van het lied. Een enkele volgorde en zelfs een woord is veranderd. Maar, met alle waardering voor haar, is het vooral de pianist die me meeneemt. Vanaf de eerste maten, die eigenlijk een nazin vormen, die eindeloos herhaald gaat worden. Gerald Moore was in zijn tijd misschien wel de ideale liedbegeleider, had terecht een enorme reputatie. Hij speelt dienend, eenvoud in de hoogste graad, maar vertelt misschien nog wel meer het verhaal van de componist dan de sopraan. Ik kom niet achter zijn geheim, maar dat is misschien ook wel het mooiste. Een vergelijking met een latere opname van haar met Geoffrey Parsons werkt misschien verhelderend?Wat meteen opvalt is het langzamere tempo. Raadselachtig, moeilijk te rijmen met het Allegretto in de partituur. Dat kan de invloed van de pianist zijn, maar misschien ook het ontbreken van Legge aan Schwarzkopfs zijde. Hoewel ik er lang niet meer naar geluisterd heb zijn mijn oren teveel gewend aan mijn favoriet. Tegelijk voel ik de behoefte om weer vaker het liedrepertoire tot me te nemen. Het hoeft niet altijd veel tijd te kosten en kan zo bevredigend zijn. Schumann natuurlijk, maar ook Schubert, Brahms, Wolf. Misschien zelfs Beethoven. Niet de eerste om aan te denken, maar wel het eerste nummer op de plaatkant voordat deze Schumann klonk. En ik kan me niet voorstellen dat ik die vaak heb overgeslagen. Met een tekst van Goethe. Over grote dichters gesproken.... Wonne der Wehmut:
De tijd dat ik lp’s kocht om repertoire te leren kennen ligt
inmiddels natuurlijk ver achter me. Dat kun je je nu helemaal niet meer
voorstellen. Maar ooit was zelfs de Vijfde van Beethoven voor mij terra
incognita en zou Karajan mijn gids worden. Ik heb weinig herinneringen aan die
eerste keren dat ik luisterde maar zie de lp-hoes nog zo voor me. Het was een
aanschaf via een boekenclub. Eens in de zoveel tijd moest je een boek uit de
selectie kopen en als alternatief, voor als je niet kon kiezen, boden ze ook
een beperkt aantal grammofoonplaten aan. Zo kwam deze opname, samen met de
Zesde, in mijn bezit. Maar nu ik hem weer tevoorschijn haal, blijkt de hoes er toch
anders uit te zien dan ik dacht.
De zwart-wit foto uit mijn geheugen siert niet de Vijfde maar
de Pastorale. Een foto van onderaf genomen, de dirigent als heerser. De hoes van
de Vijfde is anders, informeler en in kleur. Karajan meer luisterend dan bepalend wat er moet gebeuren. Vrijetijdskleding, met het boordje
van een overhemd dat maar aan één kant boven zijn trui uitsteekt.
Microfoonstandaards zijn zichtbaar dus de foto zal tijdens een opnamesessie
gemaakt zijn. Maar het kan ook zijn dat de dirigent hiervoor geposeerd heeft aan de belichting te zien. Over de naam van de fotograaf geen twijfel:
Siegfried Lauterwasser. Zelden zal een samenwerking tussen dirigent en
fotograaf zo intensief zijn geweest als tussen hen. Ik weet niet precies welke rol Lauterwasser
gespeeld heeft in het beeld en daarmee voor een deel ook het succes van de dirigent, maar zijn naam lijkt onlosmakelijk verbonden aan Karajans beeldmateriaal. Dit
interview biedt daar nog een interessante blik op: https://www.youtube.com/watch?v=Ymj4H_vUl1M
Gevoelsmatig zou ik de informelere foto eerder met de
6e dan met de 5e geassocieerd hebben, maar misschien zijn het
twee verschillende edities, heruitgaven die in de uitverkoop moesten omdat er weer
een nieuwe versie gemaakt zou worden. Zo heb ik ook nog een Negende, opgenomen in dezelfde
periode, die er weer heel anders uitziet. Van alle keren dat Karajan alle Beethovens heeft opgenomen heeft deze eerste Berlijnse reeks de
beste naam, zoals ook bevestigd wordt in dat filmpje.
Ik herinner me niet goed
wat me destijds zo heeft aangesproken. Er zit energie in, een vol orkest in een
ruime akoestiek (de Jesus Christus Kirche), minder perfect dan ik gedacht had, maar zeer
overtuigend. Wel wat weinig muziek voor een langspeelplaat.
Ik merk dat ik er nu weinig connectie meer mee heb. Waarschijnlijk
heeft de ontwikkeling van de interpretatie in de loop der tientallen jaren met mensen als Harnoncourt en
Brüggen het voor mij lastiger gemaakt om hier nog in mee te gaan. Het vibrato, vooral in de violen, vind ik vaak echt storend, terwijl het
ook niet de magie heeft van sommige echte oude opnames. Toch zitten er zeker prachtige dingen in. De opbouw en het tempo van het tweede deel bevallen mij
zeer. En de manier waarop hij tegen het eind van de finale tempo terugneemt
vind ik heel overtuigend. Er zullen zeker nog steeds genoeg liefhebbers voor
zijn, maar ik zoek de kwaliteiten van Karajan liever in ander repertoire.
Daarover vast later meer.
Ik heb er weer met volle teugen
van kunnen genieten, die Tweede Mahler afgelopen week. Ook al heb ik hem al vaker gespeeld, het is altijd weer een bijzonder spektakel. Dat geldt misschien voor elke symfonie
van Mahler, bij ons ook meestal voorbehouden aan de chef of een andere hoog
gewaardeerde dirigent, maar deze Tweede heeft nog wel wat meer toeters en bellen,
koor, solisten, koperblazers achter het podium en een orgel als kers op de taart,
dan de meeste andere. Zonder oneerbiedig te willen klinken, want het is prachtige
en over de verschillende delen zeer gevarieerde muziek. Dat moet voor de collega’s die deze
symfonie, of zelfs Mahler, wel voor het eerst speelden een overweldigende ervaring
zijn geweest. Ook Lahav had hem nooit eerder gedaan, zei hij, wat verbazing wekt
als je hoort hoe diep hij al in deze partituur is doorgedrongen. Ooit was Mahler voor
mij onbekend terrein, als speler en als luisteraar. De eerste noten die ik gespeeld heb waren de Lieder
eines fahrende Gesellen, toevallig misschien wel de meest laagdrempelige
binnenkomer. Met de Vierde symfonie als volgende halte viel het ook nog wel
mee. Inmiddels is alles wel meerdere keren langs gekomen. Het nieuwe is er af, maar het blijft een zoektocht.
Bij het begin van die zoektocht had ik veel profijt van mijn platenspeler. Het was hard werken, het bleef lange tijd een weerbarstige materie
om in door te dringen, maar ik had gelukkig die grote zilveren box van
Philips, die alleen al door zijn volume meteen in het oog springt in mijn platenkast. Zestien zwarte schijven waarop Bernard Haitink zijn, toen nog niet
koninklijke, Concertgebouworkest dirigeert in Mahlers Complete Symphonies. Echt compleet vind ik het niet zonder Das
Lied von der Erde. De Tiende, door anderen voltooid, is dan nog een ander verhaal. Daarvan dirigeerde Haitink, net als Abbado en Bernstein alleen
het Adagio, overigens de enige Mahler die ik ooit met hem in Rotterdam heb mogen spelen. Over zijn Tweede in 1990 hoor ik nog steeds veel lovende verhalen van collega’s die er wel bij waren en bij de Zevende, kort daarna, zat ik helaas ook nog niet in het orkest. Maar ik ben dus wel door Haitink de wereld van Mahler binnen geleid.
Ze golden indertijd als de standaard, deze platen, bekroond met een
Edison, en ik kan nog wel horen waarom. Evenwichtig
opgebouwde uitvoeringen met een helder klankbeeld, waardoor je prima hoort wat je moet
horen. Ideaal dus voor mijn toen onervaren oren, die er nog steeds van kunnen genieten. De naam van opnameleider Jaap van Ginneken moet daarbij genoemd
worden. Later, zeker na een overweldigend concert van Bernstein met de Negende, ging ik zoeken naar wildere uitvoeringen, extremer, spannender, dramatischer, hoewel de concertervaring, zo essentieel bij Mahler, met een opname nooit benaderd kan worden. Maar de uitvoering van Otto Klemperer, opgenomen tijdens een Holland Festival, ook weer in diezelfde zaal, komt aardig
in de richting. Met deze ervaren dirigent, die ooit nog in aanwezigheid van de componist het
bühneorkest in de Tweede gedirigeerd had, en die, net als Mahler, gepokt en gemazeld was
in het operatheater en een soliste die weet dat ze niet lang meer te leven
heeft ontstond in de zaal een uniek drama. Met haar unieke stem zong Kathleen Ferrier ontwapenend vanuit haar hart Der Liebe Gott will mir ein Lichtchen
geben, wird leuchten mir bis an das ewig selig Leben, vlak voordat het orkest zich
met een daverende Schreckensfanfare in de finale stort. Hier hou je je ogen niet droog:
Het zou kunnen zijn dat deze week
mijn laatste keer Mahler 2 maar zeker niet de laatste Mahler. Ik zie volgend seizoen alweer een uitdagende Zesde gepland. Iemand vroeg mij deze week naar mijn favoriet. 'Degene die we nu
spelen' is dan een logisch en zeker ook eerlijk antwoord, maar los daarvan kies ik dan waarschijnlijk voor de symfonie die geen symfonie genoemd mocht worden, die
ontbreekt in de zilveren box van Philips, Das Lied von der Erde. Twee prachtige
platen had ik later aangeschaft, beide legendarische opnames. Op de ene dirigeert
Klemperer, op de andere zingt Ferrier, met Bruno Walter als dirigent. Walter
stond nog veel dichter bij Mahler en dirigeerde na diens dood de
wereldpremière. Toch heb ik voorlopig een lichte voorkeur voor Klemperer, met
Christa Ludwig en Fritz Wunderlich als prachtige solisten. Misschien moet ik ze toch nog eens rustig
vergelijken.
De podcast als medium kan zich in een snel groeiende belangstelling verheugen. Onze koning bedient zich er van en ikzelf kan me, tot mijn eigen verbazing, inmiddels ook tot de fans rekenen. Ik moet er nog wel een geschikt tijdstip en plek voor vinden - onderweg, in de sportschool - en een weg zoeken in het enorme aanbod dat voorhanden is. Op dit moment zijn er een paar favorieten zoals Vullings en Van der Wulp voor de politiek, Femke van der Laan voor persoonlijke interviews en Benjamin McEvoy voor de wereldliteratuur. Af en toe een nieuw gedicht laten voordragen en toelichten door Ellen Deckwitz kan me inspireren maar op het gebied van de klassieke muziek heb ik het nog niet erg gevonden. Hoewel een nieuw initiatief van vier collega's er veelbelovend uitziet.
En als ik dan denk aan een groot, misschien wel ondoorzichtig, orkestwerk als de Tweede van Mahler, die we deze maand een paar keer spelen, kan ik me dat best voorstellen als geschikt onderwerp voor een podcast. Je zou er als luisteraar baat bij kunnen hebben als iemand je de weg wijst in het Mahleriaanse labyrint. Boeken zijn er genoeg, maar wie gaat die lezen? Er is gelukkig nog altijd een programmatoelichting die in de zaal zal liggen en via de website wordt aangeboden. Maar ons orkest biedt sinds enige jaren ook een podcast aan, waarin Floris Don, de man die de programma's verzint en Bart Diels, de man die ze verkoopt, met elkaar een boom opzetten over te spelen repertoire. Ik heb ze nog niet gehoord over deze Mahler maar het zijn twee wandelende muziekencyclopedieën, dus ik ga ervan uit dat er weer genoeg zinvolle informatie over het repertoire en wat dat voor ons orkest betekent in begrijpelijke taal over tafel zal gaan.
Iets laagdrempeliger en meer gericht op de rol van de musici op en achter het podium is de gloednieuwe podcast die een 'blik onder de motorkap' belooft met als titel Een toontje lager. Geen recept om het songfestival te winnen, zo is inmiddels gebleken, maar dat is ook niet hun bedoeling. Vol humor en persoonlijke verhalen boden ze in de eerste afleveringen bovendien regelmatig onverwacht interessante inzichten in de stukken die we spelen, dus dat kan bij Mahler ook iets boeiends op gaan leveren. Een aanrader!
Ook elders is wel wat te vinden. Onze klassieke radiozender heeft al een heel archief aan podcasts waaronder een Mahler-serie die in 2020 werd opgenomen voor het (afgelaste) Mahlerfestival in Amsterdam. Presentator Hans van den Boom, een voor velen bekende stem, praat hierin vol enthousiasme over de Tweede als de favoriete symfonie van zijn favoriete componist. Het gaat niet heel diep maar dat is misschien juist wel geschikt vooral voor degenen die nog kennis moeten maken met dit grootse werk.
Voor wie tijd heeft, dieper wil doordringen in de materie en een beetje Engels verstaat ben ik enthousiast over het initiatief van de Amerikaanse radioproducer Aaron Cohen: Embrace Everything. Elk seizoen, in chronologische volgorde, behandelt hij, samen met een groot aantal medewerkers, musici en wetenschappers, een van de symfonieën van Mahler. De Tweede is al aan de beurt geweest en dus terug te luisteren. Wat ik mooi vind aan deze podcast is dat ze het onderwerp van veel kanten bekijken, behoorlijk de diepte in gaan, voldoende muzikale voorbeelden laten horen en het zo redelijk laagdrempelig houden. Zo worden er verbindingen gelegd met Beethoven, Mozart, Bach, Schubert en Wagner. Goethe en Schopenhauer komen ter sprake maar natuurlijk ook de sprookjeswereld van Des Knaben Wunderhorn die in de delen 3 en 4 zo'n grote rol speelt. Er wordt vanuit de uitvoerenden gedacht, een trompettist, een bassist, de kunst van het rubato spelen, van het glissando, het idioom van de volksmuziek. Al die zaken die zo bepalend zijn voor een goede Mahler-uitvoering. Je moet er wel, zoals gezegd, even de tijd voor nemen maar het levert volgens mij zowel de kenner als de nieuwkomer een schat van informatie op om nog meer te genieten van een uitvoering, die zonder twijfel prachtig gaat worden.
De Intrada van vorige maand bevatte niet alleen mijn gebruikelijke column maar ook een interview met mij voor de rubriek De platenkast. Het bleek een onderwerp dat me nog steeds na aan het hart gaat. Meer dan ik verwacht had, dus kon ik er in de column verder op door mijmeren en ga ik hier rustig nog een paar afleveringen door. De platenkast als beeld van een deel van je muzikale verleden. En vast nog meer dan het muzikale deel. Vele gelukkige uren heb ik met mijn lp's doorgebracht. Luisterend, zoekend in platenwinkeltjes. Een gevoel van weemoed, van nostalgie kleeft er inmiddels aan de grammofoonplaten die nog in mijn kast staan. Gelukkig doet de platenspeler het nog, hoewel enige revisie geen kwaad kan, dus wat let me om die weer eens vaker te gebruiken?
Ik weet nog niet of deze zoektocht naar de ervaringen van toen veel op gaat leveren. Ik ben wel vaker aan ambitieuze projecten begonnen om toch vroegtijdig te stoppen. De nieuwe ervaringen van het beluisteren kunnen het onderzoek in de weg staan. Misschien kan Proust me nog een beetje helpen. Het eerste deel van zijn Op zoek naar de verloren tijd ligt toevallig, in twee Nederlandse vertalingen, voor herlezing naast mijn bed. Hoe werkt de herinnering, hoe dichtbij kun je komen bij je luisterervaringen van toen? De onbevangenheid van de eerste keer is sowieso weg. En alles wat je in de tussenliggende jaren gehoord en gespeeld hebt kun je moeilijk negeren, dus misschien wordt het een heilloze onderneming, die meer over nu dan over toen zal gaan. We zullen zien.
Een logische plaat om mee te beginnen, ook genoemd in het interview, is de opname waar pianist Glenn Gould zijn muzikale leven mee afsloot: de Goldbergvariaties. Ik heb in een eerdere tekst al uitgesproken hoe dat stuk in de loop der jaren steeds weer bij mij terugkeerde, me gezelschap hield, tot de concerten afgelopen weken met Domestica Rotterdam in de Laurenskerk en het Museum van Oudheden in Leiden. En ook daarmee was het nog niet afgelopen. Jean Rondeau, de klavecinist die onlangs bij het Philharmonisch als solist optrad, en die ik in de vorige aflevering had voorgesteld met een filmpje over diezelfde Goldbergvariaties, koos het thema na een van de concerten als toegift. Vanuit een improvisatie kwam hij uit bij de Aria en het voelde alsof het speciaal voor mij was, op de dag van mijn verjaardag.
Bach. The Goldberg Variations. Glenn Gould. Een grote afbeelding van de pianist vult de voorkant van de platenhoes. Hoe vaak heb ik die niet in mijn handen gehad? Een dubbele hoes is het, die je kunt openslaan met ook tekst en foto's binnenin en op de achterkant. Geen verhaal over de muziek van Bach maar over de uitvoerder en de manier waarop zijn debuut-album ooit in 1955 insloeg als een bom. En in zekere zin gaat ook deze uitvoering uit 1981 daarover. De ene uitvoering als commentaar op de andere. Maar die oudere kende ik nog niet. Als ik de plaat opzet en naar de Aria luister - het begin heb ik zeker het vaakst gedraaid - hoor ik in de eenvoudige noten een verhaal vol emoties, in een langzaam tempo met talloze schakeringen in de klank, eerder melancholisch dan opgewekt. Het lijkt een persoonlijke geschiedenis over wat hij allemaal heeft meegemaakt met deze noten. En dat is niet mis. Het meezingen was ik een beetje vergeten maar heeft mij nooit gestoord en vind ik nu eerder een hulp om mee te bewegen met de uitvoering, om ook op die manier te horen wat de musicus voelt en in de muziek wil uitdrukken. Want dat het meer over de musicus dan over de muziek gaat is mij wel duidelijk.
Dat begin is een magisch onderdeel van de werking van het hele stuk, waardoor je meteen in de juiste sfeer gedompeld wordt. Bijna zoals het openingskoor van de Matthäus Passion. Terwijl het niet meer is dan een simpel stukje dat Bach eerder geschreven had voor het Notenbüchlein van zijn vrouw Anna Magdalena. Is dat persoonlijk, is dat de interpretatie, heeft dat met herinneringen te maken? Aan de hand van dertig 'veranderingen' laat Bach vervolgens horen welke rijke schat er verborgen zit in dit materiaal. Na die reis keer je als een veranderd mens, 'sadder and wiser' terug bij dat thema. Het wonderlijke aan deze opname is dat Gould dat in groter perspectief ook met deze muziek heeft gedaan, die het begin en eind vormde van zijn loopbaan als pianist. Voor zover die zich in de opnamestudio afspeelde, maar dat was vanaf 1964 de enige plek waar hij nog te horen was. Hij keerde terug naar waar hij begonnen was. Je zou willen denken dat hij dat zelf zo gepland heeft maar dat kan natuurlijk niet. Je kunt je wel afvragen of hij ander werk ook een tweede keer zou hebben opgenomen als hij langer geleefd had.
Het zijn vooral de verstilde passages waar ik een duidelijk gevoel bij krijg. De bijna agressieve aanslag van zo'n eerste variatie bevalt me nu minder. Ik vermoed dat ik de hele aanpak destijds beschouwd heb als de waarheid, als enige versie waar ik toen naar luisterde. Fascinerend vond ik toen zeker ook de werking van de meerstemmigheid, de balans tussen de stemmen, waar niet alleen de uitvoerder keuzes in maakt maar waar je als luisteraar ook nog enige vrijheid lijkt te hebben. Zoals bij de vissen & vogels van Escher. Een prachtig moment van inkeer is de gigue van variatie 7. Heldere tweestemmigheid, een linker- en een rechterhand, die in al hun eenvoud wonderen tot stand brengen.
En natuurlijk nummer 25, het grote Adagio in mineur. Als ik me de nachtelijke luistersessies, in het donker op bed, herinner is het vooral deze Erbarme dich onder de variaties. Ik kan me bijna niet voorstellen dat de associatie me toen ontgaan is, maar onlangs realiseerde ik me (weer?) hoe passend die luisterhouding was. Niet alleen wegens het verhaal dat Bach de muziek componeerde voor een vorst die niet kon slapen maar misschien meer nog Glenn Gould die nog weleens zijn dag-nacht-ritme verwisselde en graag de rust van de nacht opzocht om productief te zijn.De stilte, het zich naar binnen keren, is wat ik toen vooral steeds opzocht. Een stilte die Gould nog verder verdiepte in de terugkeer van de aria, na de dertig variaties. En natuurlijk de gevulde stilte na de laatste noot, die, anders dan voor de eerste variatie, zonder voorhouding wordt gespeeld. Die is me zeker sterk bijgebleven. Dat gevoel waar ik mee achterbleef. Spijt dat het voorbij is en dankbaarheid dat ik het heb mee mogen beleven.
Werkzaam in de wereld van de klassieke muziek, vanaf 1993 als cellist bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest, zie ik verschillende manieren om daar een rol in te spelen. In de eerste plaats het uitvoeren van de mooiste muziek. Maar ook als programmeur voor Domestica Rotterdam, als lid van de redactie van Intrada, en ook als schrijver van een blog. Teksten over en in combinatie met muziek hebben me altijd geïnteresseerd en internet is daarvoor een mooi podium.