dinsdag 15 januari 2013

Leeftijd

Het grote nieuws in orkestenland afgelopen week was natuurlijk het bericht uit Berlijn waarin Sir Simon zijn vertrek als chef-dirigent van de Philharmoniker aankondigde.
Of beter: dat hij zijn contract na 2018 niet zal verlengen. Want de komende vijf seizoenen verandert er in dat opzicht nog niets. Rattle verschaft zo zeer tijdig de duidelijkheid die het orkest in de gelegenheid stelt om zorgvuldig een opvolger te kiezen.



Dat proces zal zich in de eerste plaats in de beslotenheid van de orkestvergaderingen en search-committee-meetings afspelen, maar de speculaties en adviezen volgden elkaar op internet in hoog tempo op. Op die manier kan iedereen een woordje meespreken, wat interessante en natuurlijk ook soms onwaarschijnlijke keuzes oplevert.



Bovenaan de lijst staat voorlopig Christian Thielemann.
Het Duits-romantische repertoire, de muziek waar het orkest in de jaren van von Karajan en daarvoor ook Furtwängler, vooral om geprezen werd is ook de sterke, misschien zelfs wat eenzijdige kant van Thielemann.
Als Duitser heeft hij zijn nationaliteit mee. Na een Italiaan en een Engelsman lijkt de drang om terug te keren tot de roots gegroeid.
Niet lang geleden heeft Thielemann met ruzie, die vooral over autoriteit leek te gaan, de Münchner Philharmoniker verlaten, en inmiddels is hij aan zijn eerste seizoen aan het hoofd van de Staatskapelle Dresden begonnen. Daar kan hij ook zijn Strauss en Wagner in de opera dirigeren. Dat is er in Berlijn nauwelijks bij. Toch lijkt een overstap na zes jaar naar de hoofdstad niet onlogisch. Want wie moet het anders gaan doen?



Daniel Barenboim wordt veel genoemd. Hij viel de vorige keer in de laatste ronde af ten gunste van Rattle, en leidt inmiddels belangrijke operahuizen in Berlijn en Milaan. Ook hij heeft een grote reputatie in de grote romantische werken en spiegelt zich in zijn musiceren regelmatig aan Furtwängler. Hij is geen Duitser maar wel een graag geziene gast. En inmiddels helaas al de zeventig gepasseerd.
Leeftijd lijkt voor meer kandidaten een onoverkomelijke hobbel. De generatie van Haitink (83), Maazel (82), Mehta (76) is toch wel te oud. Niet om te dirigeren, dat kunnen ze nog fantastisch, maar wel voor zo'n zware functie. Maris Jansons wordt dit jaar ook al 70.
Chailly zit met zijn 59 jaar in  een gunstiger uitgangspositie, net als Salonen (64). De mogelijke kandidatuur van Gergiev (59), lokt de reactie uit dat dan vliegveld Tempelhof heropend moet worden, zodat hij zo min mogelijk reistijd verliest.



Een andere categorie is de 'jonge honden'. Yannick (37) wordt natuurlijk genoemd, maar Dudamel (bijna 32), Nelsons (34) en Harding (37) worden misschien nog wel kansrijker geacht. Maar voor je veertigste als chef van Berlijn?
Karajan en Rattle waren allebei 47 toen ze begonnen. Die leeftijdsgroep lijkt nu schaars vertegenwoordigd, hoewel Yannick en Harding in 2018 ook al 42 zijn.
Ik zet mijn kaarten voorlopig nog op Thielemann.



Ook bij ons orkest komen veel jonge dirigenten. Vaak grote talenten, beloftes voor de toekomst.
Voor de afwisseling is het goed om dan ook wat oudere, meer ervaren orkestleiders op de bok te hebben.
Met kerst hadden we nog Boreyko, 55, maar na de jaarwisseling ging de teller al snel omhoog naar 68 (Slatkin) en zelfs 79 (Plasson).
Zoals je Thielemann associeert met Duitse muziek, is de Franse het terrein van Plasson.
De veteranen onder ons hebben nog goede herinneringen aan een Pelléas et Mélisande, de opera van Debussy, die hij begin 80er jaren dirigeerde, nog voordat DNO zich in de Stopera vestigde.
Dit keer ook Debussy, de Prelude a l'après-midi d'un faune, met een prachtige fluitsolo van Herman Kogelenberg. Hij is nog tot de zomer bij ons te horen, want daarna verhuist hij naar München, waar hij bij de oude Maazel de sterren van de hemel gaat spelen.
Christianne Stotijn was weer ontroerend in Les nuits d'été, en na de pauze presenteerde Plasson een originele visie op Bartok, groot bewonderaar van Debussy, en zijn Concert voor orkest. Ook Hongaarse muziek, gecomponeerd in Amerika, kan dan heel Frans gaan klinken.



Maar het publiek was misschien nog wel het meest verrast door de toegift.
Hij kondigde het stuk voor strijkorkest niet aan, dus menig toehoorder in de Doelen kwam vragen naar de componist en titel van het werk. Een manier om de communicatie tussen orkest en publiek te bevorderen dus.
Voor degenen die het niet hebben kunnen vragen: het was het Adagietto van Bizet, uit zijn eerste Arlésienne-suite. Er zijn collega's die de componist van Carmen als de grootste Franse componist beschouwen, en Plasson was een overtuigend pleitbezorger. Je kon horen waar Mahler zijn inspiratie voor het gelijknamige deel in zijn Vijfde vandaan had gehaald.


zondag 6 januari 2013

2013

Elk jaar heeft zo zijn jubilarissen in de wereld van de klassieke muziek.
De Gesellschaft der Musikfreunde in Wenen bestond afgelopen jaar twee eeuwen.
Maar in 1812 zaten ze natuurlijk nog niet in de Musikverein, dat in 1870 haar deuren opende. Ze begonnen in het paleis van Lobkowitz, dezelfde zaal waar Beethoven zijn Eroica ooit voor het eerst hoorde. Schubert is door de Gesellschaft als lid geweigerd en Brahms werd er in 1872 directeur. Een roemruchte geschiedenis.
Overigens leek Joop van Zijl in zijn commentaar bij het Nieuwjaarsconcert, in zijn vergelijking met het 125-jarige Amsterdamse Concertgebouw, de zaal met haar 200 jaar te feliciteren.
Hij had beter het Konzerthaus, de andere zaal van Wenen, kunnen noemen. Die vieren in oktober hun honderdjarig bestaan. Overigens was het in dezelfde maand, maar vijftig jaar later, dat Karajan de Philharmonie van Scharoun in Berlijn opende met de Beethovens Negende; 15 oktober 1963.
Her en der kan dus feest gevierd worden.

Misschien wel meer dan het afgelopen jaar.
Honderd jaar Pierrot Lunaire vond ik wel een belangrijke mijlpaal. Het is tenslotte één van de belangrijkste stukken van Schönberg, de vader van de Tweede Weense School. In 1912 in Berlijn voor het eerst uitgevoerd, maar nog steeds verontrustend modern.
Het feit is redelijk geruisloos voorbijgegaan.
Dat zal niet gebeuren met het eeuwfeest van de Sacre du printemps.
Decca bracht zelfs een cd-box uit met 38 verschillende uitvoeringen van Stravinksy's tophit!
Zou iemand die allemaal gaan beluisteren?
Wij spelen hem dit jaar ook nog met Yannick en niet alleen in de Doelen, maar zelfs in de zaal in Parijs waar de geruchtmakende wereldpremiere plaatsvond.
Een bijzondere eer, waar op deze plek zeker nog aandacht aan besteed zal worden.

2013 is vooral het jaar van twee opera-giganten, die al op het Nieuwjaarsconcert in Wenen klonken:
Verdi en Wagner. Beide geboren in 1813.
We zullen de komende maanden veel van en over ze horen. Te veel?

Minder aandacht zal gaan naar een derde steunpilaar van het muziektheater: Benjamin Britten, geboren in 1913. Ook hij heeft, naast een breed vocaal en instrumentaal repertoire, waaronder veel mooi cellorepertoire, een groot aantal meesterwerken voor de opera geschreven. En terwijl Wagner en Verdi zo'n jubileum nauwelijks nodig hebben, het misschien zelfs wel tegen ze zal gaan werken, zou het voor de verspreiding van het werk van Benjamin Britten goede kansen kunnen bieden. Wij zullen met het orkest een bescheiden bijdrage bij DNO leveren met een paar voorstellingen van Death in Venice, zijn laatste opera.
Opera Trionfo verricht deze week de aftrap met zijn voorlaatste opera, Owen Wingrave (1970).
Het was hier nooit eerder in het theater uitgevoerd, en oorspronkelijk voor de televisie gecomponeerd.


En wat gaat er gebeuren met Corelli?
Dinsdag is het 300 jaar geleden dat hij in Rome zijn laatste adem uitblies.
En aan het eind van deze maand zou Lutoslawski honderd zijn geworden.
Ik vermoed dat we er niet heel veel van zullen horen.



De Zaterdagmatinee heeft Karl Amadeus Hartmann dit seizoen in het zonnetje gezet, hoewel hij pas op 5 december 1963 is overleden. Het is zo'n componist die nooit echt doorbreekt maar, ook als programmeur, een belangrijke rol heeft gespeeld. Wij hebben, binnen korte tijd, ook in Rotterdam de meeste van zijn symfonieën al eens uitgevoerd, maar van een herhaling is het nog niet gekomen. Hulde voor de NTR.
Hindemith zou een goeie voor 2013-14 zijn, overleden op 28 december 1963.
Hij was een meesterlijk componist, vooral een goede ambachtsman, bovendien een virtuoos altviolist, die nogal eens werd weggezet als 'academisch'. Hin damit! Terwijl veel van zijn stukken het waard zijn om vaker gespeeld te worden. We zullen zien.



Francis Poulenc is voor een orkest niet makkelijk te programmeren.
Het Gloria hebben we nog weleens gedaan, en natuurlijk La voix humaine, met Cora Burggraaf in een prachtige enscenering van het Onafhankelijk Toneel, met ingang van dit jaar ter ziele. Maar een herneming zou zeer op zijn plaats zijn want niet alleen de componist, maar ook tekstschrijver Cocteau overleed in 1963.




Voor velen is 1963 natuurlijk vooral het jaar van de moord op Kennedy.
Ik was nog te jong, om te weten waar ik was toen dat gebeurde.
Maar 1963 was ook het jaar dat het Celloconcert in C van Haydn voor het eerst klonk, sinds het in een Praagse bibliotheek opdook. Het stuk ligt me na aan het hart, maar zal dit jaar niet vaker gespeeld worden dan anders. Dat hoeft ook niet.



Wat wel leuk zou zijn voor de cellisten onder ons en degenen die geïnteresseerd zijn in het 'echte' cellorepertoire is een schijnwerper op David Popper.
2013 als Popper-jaar.
Popper heeft veel cello-stukken geschreven, effectvolle muziek, maar de conservatoriumstudent kent hem in de eerste plaats van zijn opus 73, een bundel van veertig etudes onder de naam Hohe Schule des Violoncellospiels. Een hoeksteen uit het studierepertoire.
Sommige daarvan zijn het aanhoren zeker waard, maar het zijn vooral andere stukken die dit jaar veel gehoord moeten worden, zoals de Suite Im Walde, of het Requiem voor 3 cello's, de Spaanse dansen, de Elfendans, de Hongaarse rhapsodie en vele andere kleine meesterwerkjes. De stukken die de reizende virtuozen van de 19e eeuw in de salons speelden.
Maar misschien ook wel in de Musikverein, want hij was in de beginjaren van de zaal solo-cellist van de Wiener Philharmoniker. Eigenlijk hadden ze op 1 januari iets van hem moeten spelen.
Om het jaar goed te beginnen een uniek filmfragment van Emanuel Feuermann:


zondag 23 december 2012

Kunststadt Wien

Dat Wenen een hoogtepunt in het seizoen zou worden was op voorhand wel te voorspellen.
Maar in meerdere opzichten overtrof het nog mijn verwachtingen.



Natuurlijk allereerst de zaal: de Musikverein.
Ouder dan ik gedacht had. Ze vieren dit jaar hun 200-jarig bestaan, wat betekent dat Beethoven de eerste 15 jaar nog moet hebben meegemaakt. Dat heb ik me nooit gerealiseerd. Ik voel er toch meer de klank en de sfeer van Brahms en Mahler.
Het leuke van deze zaal is, dat je niemand hoeft uit te leggen waar je speelt. Iedereen kent de beelden van Nieuwjaarsdag. En wij zullen ze nu weer met andere ogen bekijken.
We hadden er al vaker gespeeld maar toch verbaas ik me weer over de lessenaars en de butsen in de harde houten vloer, die de hele geschiedenis lijken te hebben meegemaakt.



Een onverwacht, bijna vergeten, stukje van onze eigen geschiedenis zagen we daar ook: Dora Dmitreev.
Zij was lid van onze cellogroep tot haar pensioen, begin jaren '90, dus nog voordat ik in dienst trad.
Na haar afscheid is zij naar Graz verhuisd. Ze genoot nu weer volop van het orkest, dat volgens haar veel beter geworden was, en de aandacht van de collega's die haar twintig jaar niet meer hadden gezien.
Een feestelijke borrel na afloop in het naastgelegen hotel bood daarvoor nog ruime gelegenheid.
Het werd ons aangeboden door de Gildeleden die in grote getale waren meegereisd.
Zoiets wordt natuurlijk zeer gewaardeerd. Niet alleen de steun en de belangstelling, maar ook de mogelijkheid elkaar informeel te treffen en de kwaliteit van de hapjes en drankjes, zorgden voor een enthousiaste sfeer. Dat was ook op zijn plaats na dit succesvolle debuut van Yannick in de Gouden Zaal.
Ik weet dat hij gevoelig is voor tradities en hij zal zich zeker hebben laten inspireren door de wetenschap dat Mahler vaak op zijn plek gestaan heeft. Het leek voor mij zelfs of hij de opening van het langzame deel van de Vierde geschreven heeft met de klank van deze zaal in zijn hoofd, zo natuurlijk, zo moeiteloos mengde het geluid zich in dit gezang van de lage strijkers. Ruhevoll!
Een genot en een voorrecht om te mogen beleven.
Congratulations, Yannick!


Wenen is in deze tijd ook de stad van de kerstmarkten.
En het voordeel van twee aaneensluitende concerten op dezelfde plek, ook nog met hetzelfde programma, is een mate van vrije tijd, waarin je de omgeving in je op kunt nemen.
De mooiste kerstmarkt voor mij, de enige waar ik me tot kopen heb laten verleiden, was die op de Karlsplatz, pal naast de Musikverein dus. Het plein bevat, naast de barokke Karlskirche, ook een beroemd metrostation van Otto Wagner, maar ik was dit keer meer getroffen door twee gedenkstenen.
Op de ene stond Antonio Vivaldi vermeld, die daar in een ziekenhuis heeft gelegen en is overleden.
Het laatste concert dat we in november met Domestica Rotterdam in de Laurenskerk hebben gegeven, gewijd aan Vivaldi, was geëindigd met de onbevredigende mededeling dat hij in een onbekend massagraf terecht was gekomen. Maar nu hadden we dan toch in ieder geval zijn sterfplek gelocaliseerd.

De andere, vlak om de hoek, vermeldde de laatste rustplaats van Johannes Brahms.
Het is een gevelsteen tegen een modern gebouw in de Karlsgasse, waar Brahms decennia lang een appartement bewoonde en tenslotte ook zijn laatste adem uitblies.
Bijna geen componist die zo intensief en lang een stempel op het Weense muziekleven heeft gedrukt als deze Hamburger, maar een behoorlijk museum is er niet aan hem gewijd. Hoeveel stappen zal hij niet in die Musikverein hebben gezet?


De dag voor het tweede concert wilde ik in ieder geval het Kunsthistorisches Museum bezoeken.
Niet alleen hangen daar prachtige Rembrandts, drie zelfportretten naast elkaar!, maar ook misschien wel de mooiste Vermeer, De schilderkunst. We konden hem niet meteen vinden, maar werden door een suppoost naar een stille hoek geleid. Geen andere mensen! Rust! Ideale, bijna onwerkelijk omstandigheden om dit meesterstuk te kunnen genieten.
We waren in de eerste plaats gekomen om Albrecht Dürer te bewonderen, die onderwerp wordt in onze volgende serie Lof&Lust in de Laurens, maar daarover zal ik op de domestica-site verder berichten.
En passant pikten we ook nog een restje van het Klimt-jaar mee; de muurschilderingen boven in het trappenhuis kon je nu via een speciale stellage van dichtbij bekijken.

Die avond zouden we weer voor een volle en voor Weense begrippen enthousiaste zaal onze, of moet ik zeggen 'hun' ?, Beethoven en Mahler spelen. We kennen de ruimte dan alweer iets beter en dat tilt het concert voor mijn gevoel naar een nog iets hoger plan. Met een goed gevoel kan het orkest de volgende dag naar huis terugkeren.



Ik blijf met een tiental musici achter om namens het orkest acte de présence te geven bij de heer van Wulfften Palthe, onze ambassadeur in Wenen. Er is ons gevraagd een concertje in de Residentie te verzorgen, als opening van een serie van drie bezoekende Nederlandse gezelschappen. Het KCO volgt in januari en Janine Jansen sluit de rij in het voorjaar. We hebben, als Domestica Rotterdam, een programma samengesteld uit vier seizoenen Laurenskerk, aangevuld met Mozart. Wim Steinmann gaf tussendoor steeds een korte toelichting, waarbij de verhalen over de moordende Gesualdo en de gevechtsscenes bij Biber natuurlijk de meeste indruk maakten. De Engelse ambassadeur konden we met Purcell blij maken en uit Rotterdam hadden we onze eigen Hellendaal meegenomen.


De toegift zou een eerbetoon aan de eerste eigenaar van de villa worden. Richard Strauss had het huis in 1925 laten bouwen en er jarenlang, vooral tijdens de wintermaanden, met zijn zoon in gewoond. Het pand is nog steeds eigendom van de familie en wordt door de Nederlandse ambassade gehuurd. De ambassadeur bood ons een prachtig boekje over de geschiedenis van het huis aan, en liet ons nog de twee werkkamers van de componist zien, die nog zoveel mogelijk in oorspronkelijke staat worden gehouden. Dat maakt zo'n bezoek al tot iets bijzonders.
Een walsje uit Der Rosenkavalier hadden we meegenomen, het beroemde lijflied van baron Ochs. Het was onder meer de partituur van die opera die Strauss had gebruikt om de grond voor het huis te kunnen kopen en het was ook de naam die op de roos stond, die we kregen uitgereikt na het spelen. Maar nog tijdens het spelen, was, op onverklaarbare wijze, een van de deuren opengegaan. Niemand kon het gedaan hebben.
Dat moet de oude Richard geweest zijn!
Laat Janine gewaarschuwd zijn, als ze daar zijn vioolsonate wil gaan spelen...



Wat nog volgde was een overheerlijk diner door ongetwijfeld een van de beste koks van de stad en de mogelijkheid met het gezelschap kennis te maken. Een bijzondere afsluiting van een gedenkwaardig bezoek aan Wenen.
De meeste rozen zijn in Wenen achtergebleven, bij Luis, mijn Spaans-Weense collega, die ruimhartig zijn prachtige Roggeri-cello had uitgeleend voor de gelegenheid. Want het instrumenten-transport van het orkest was natuurlijk al eerder vertrokken. We moesten tenslotte zondag ook nog in Dortmund spelen.

vrijdag 7 december 2012

Handtekening

Ik had in het vorige bericht de Vierde van Sjostakovitsj een signature piece voor het RPhO genoemd, maar aarzel of die term de lading wel dekt.
Wat ik me wel realiseerde gisteravond, toen ik voor de pauze naar het Vioolconcert luisterde, is hoe sterk Sjostakovitsj in zijn muziek altijd weer zijn handtekening zet.




Natuurlijk vooral met de vier noten d-es-c-b, waarmee hij zijn naam bedoeld: Dmitri S-C-H-ostakowitch.
In Duitse spelling en met de Duitse noot H, wat bij ons de B is.
Alleen in de tijd van de Vierde gebruikte hij die nog niet, en ik weet niet zeker of hij nog in het Tweede Vioolconcert zit. Maar er blijft nog genoeg over wat zo vaak en sterk in zijn stukken terugkeert, en daardoor zo persoonlijk wordt, dat je dat ook wel als handtekening kunt beschouwen.

Zo zijn er van die ritmische motieven, zoals de groepjes van 2 zestienden en een achtste noot, talloze malen herhaald, bekend van bijvoorbeeld Rossini's Willem Tell. Maar ook andere iets gecompliceerdere combinaties ga je meer en meer herkennen en worden soms obsessief ingezet. In die zin is hij niet te vergelijken met wie ook.



Een ander fantastisch effect is de afsluiting van het middendeel van de symfonie.
Wat hij daar met de combinatie van verschillende slagwerkinstrumenten doet vraagt erom tot symbool te worden benoemd. Hij herhaalt het effect in zijn Tweede Celloconcert uit 1966.
Een uitleg die je wel hoort is de associatie met de geluiden van ziekenhuisapparatuur, met alle mogelijke piepjes. Dat kan ik me beter voorstellen bij het concert en de Vijftiende Symfonie (1971), waar hij aan het slot ook iets dergelijks doet, dan in zijn werk uit de 30-er jaren.
Dan klinkt de theorie over gevangenen die met elkaar via de verwarmingsbuizen communiceren overtuigender. Maar je kunt ook denken aan zijn fascinatie voor mechanische poppen. En de marionet staat dan natuurlijk voor de mensen in de Sovjet Unie die geen eigen wil mogen hebben.
Luister naar Gergiev met LSO, vanaf 6:16:


En de eindeloos lange accoorden, die ik me vooral van zijn Kammersymphonie herinner, maar die ook weer aan het eind van de Vijftiende zit en in de Achtste, niet te vergeten. Het slot van de Vierde zal vast de eerste keer geweest zijn. Hier duurt ie zo lang, bijna honderd maten, dat ik de voorlaatste bladzijde maar niet meer omsla. Als je goed luistert naar de celesta, weet je wanneer het einde nadert. Hij verdwijnt de hoogte in, schijnbaar om tot een oplossing te komen. Of beter gezegd: 'zij'. En ze moet bijna de hele symfonie wachten tot ze eindelijk aan de beurt komt. Maar ze redt het niet; er komt geen oplossing. There is no exit aldus Maxim Sjostakovitsj.

En zijn liefde voor Mahler, die nergens sterker naar voren komt dan in deze Vierde. Vooral de finale, die met een treurmars in de fagot begint. (ook te horen in bovenstaand fragment).
Maar ook die celesta komt van Mahler, als ik mij niet vergis. Das Lied von der Erde was zijn favoriete werk.
Valery geeft een interessante visie op de verwantschap tussen beide symfonische reuzen in een artikel in Intrada. Hij vergelijkt de Mahlers tijd in Wenen met de spanningen van de jaren '20 en '30 in de Sovjet Unie. 'Wat ga je nu doen, Dmitri, met De Symfonie?'. 
Sjostakovitsj kiest hier voor een gigantisch orkestapparaat, zoals Mahler dat ook vaak deed, en beiden hebben een voorkeur voor extreme liggingen in bijvoorbeeld piccolo of contrafagot.
Maar het zijn ook de naïeve liedjes die worden verwerkt in het serieuze genre van de symfonie.
De Vierde van Sjostakovitsj zit daar vol mee, maar ook de Vierde van Mahler.
En die gaan we over een paar dagen met Yannick in Wenen spelen.
Eens zien of  we in de Musikverein een mooie RPhO-handtekening kunnen achterlaten.



maandag 3 december 2012

Signature piece

Mijn celloleraar raadde me vroeger weleens aan om bepaalde stukken paraat te hebben. Altijd in je geheugen en altijd in je vingers. Zelfs etudes hoorden daarbij. Je kunt ze spelen als je onverwacht iets nodig hebt, zelfs zonder partituur en zonder piano.
Ik heb die keuzes inderdaad af en toe gemaakt, hoewel ik er niet zo heel vaak mijn voordeel mee heb kunnen doen.

Maar bij het meedenken over het repertoire dat we als orkest spelen heb ik die vraag ook weleens gesteld.
Jaren geleden speelden we de Zevende symfonie van de onlangs overleden componist Hans Werner Henze.
Een zeer gecompliceerd maar interessant werk, dat bij het publiek in goede aarde viel.
Henze staat niet vaak bij ons op de lessenaars, dus ligt het voor de hand om een volgende keer je publiek met een van zijn overige symfonieën of andere orkestwerken te laten kennismaken.
Maar de discussie die ik toen aangezwengeld heb was of we ons publiek niet een beter product zouden leveren door dezelfde symfonie, met de ervaring van de eerdere concerten, in een van de volgende seizoenen eventueel met een andere dirigent te herhalen. En daarna nog een keer. Dat is de manier waarop we het standaard repertoire benaderen.

We zijn er toen niet uitgekomen en hebben de symfonie nooit meer gespeeld.
Hedendaagse muziek vormt een te klein gedeelte van onze programmering en trekt waarschijnlijk ook onvoldoende publiek om ons die luxe te kunnen veroorloven.
Maar ik moet er aan denken nu de Vierde symfonie van Sjostakovitsj weer op onze lessenaars staat.

Ik herinner me de eerste keer nog goed.
Ook de dirigent was voor mij nieuw: Gennadi Rozhdestvensky.
Een fenomeen!
Met een minimum aan bewegingen en een enorm assortiment aan gezichtsuitdrukkingen wist hij de inhoud van de symfonie en zijn interpretatie daarvan op ons over te brengen.
Ik heb hem later nog in verschillende andere programma's heb meegemaakt. De humor en relativering bleef. Maar nooit meer maakte hij zo'n verpletterende indruk als die keer. Ik weet het jaartal niet meer. Rond 1994 moet het geweest zijn.


Niet veel later, november 1996, kwam Bernard Haitink met dezelfde partituur.
Een heel ander soort dirigent, met een grote beheersing van de structuur van de gigantische symfonie.
Weinig Westerse dirigenten heb zo een lans gebroken voor het werk van Sjostakovitsj als juist onze landgenoot. Prachtige uitvoeringen, maar ik herinner me ook nog zijn wanhoop toen de celestaspeler zijn motieven in de coda van de finale maar niet op de juiste plaats kreeg. Dat was in Antwerpen, in de Singel.

En dan Gergiev natuurlijk, een jaar later, die als geen ander het onvermijdelijke, het onontkoombare in de muziek naar voren brengt. Als de waanzin ten top wordt gevoerd met een pijnlijk aantal herhalingen van eenzelfde motief twijfel je bij hem geen moment aan de logica en de noodzaak.
We zijn, ondanks de gigantische orkestbezetting, er nog mee naar de Verenigde Staten geweest, waar we ook, als onderdeel van een complete cyclus, zelfs de Derde speelden.. Die zullen we vast niet vaak meer doen.



Die stond ook niet op het programma van het Gergiev Festival 2001: Sjostakovitsj. The War Symphonies.
De Vierde stond op de openingsavond van 13 september geprogrammeerd. Het orkest werd geformeerd uit leden van het RPhO en het orkest van het Mariinsky Theater.
Twee dagen daarvoor hadden zich twee vliegtuigen in de torens van het World Trade Center in New York geboord en was er een heel andere oorlog begonnen. Gergiev zat vast in Los Angeles want het luchtruim was voor enkele dagen gesloten. Via Mexico, dat hij met de auto kon bereiken, is het hem wel gelukt Rotterdam te bereiken, maar niet meer op tijd.
De Vierde werd overgenomen door Maxim Sjostakovitsj, zoon van de componist.
Niet helemaal een dirigent van hetzelfde niveau maar natuurlijk zeer ingevoerd in het repertoire.
Toen de Vierde werd gecomponeerd was Maxim nog niet geboren, maar bij de verlate wereldpremiere in 1961 was hij 23 jaar, dus daar moet hij veel van hebben meegekregen.
'In the Fourth there is no exit.'
Onder deze omstandigheden en in de samenwerking met de collega's uit Petersburg werd het een gedenkwaardige avond.


De laatste die het stuk met ons heeft uitgevoerd was Mark Elder, nu een jaar geleden.
Sir Mark is een Engelse gentleman en een uitstekende dirigent, die bovendien goed van de tongriem gesneden is. Hij houdt bij zijn concerten altijd een mondelinge inleiding en dit keer kwam er een emotioneel betoog over de moeilijke omstandigheden in de Soviet Unie van de jaren '30 en de doodsangst waaronder Sjostakovitsj moest leven. Voor het publiek was dat een zinvolle introductie, maar je merkte ook dat het orkest extra geïnspireerd was door het verhaal.
Tijdens de repetities had hij zich laten ontvallen dat hij merkte hoezeer deze muziek in onze genen zit, hoe veel beter we het idioom blijken te kennen dan de Amerikaanse toporkesten waarmee hij het recent had uitgevoerd.

Hoewel er natuurlijk inmiddels veel orkestleden zijn die het bovenstaande niet allemaal hebben meegemaakt, geloof ik wel dat dit juist een stuk is dat we echt goed kunnen spelen, waarschijnlijk beter dan veel andere symfonieën.
Hoe moet je dat noemen?
Een 'warhorse', een 'signature piece'?
Ik kan er geen Nederlandse term voor bedenken.
En zeker als Valery er voor staat verwacht ik memorabele concerten.

zondag 25 november 2012

De tijdgeest

We zijn allemaal een kind van onze tijd.
Wie kan zich voorstellen hoe er over vijftig jaar naar de jaren 2010 gekeken wordt?
Of hoe er tegen die tijd wordt gemusiceerd?
Zouden er nog veel orkesten over zijn?
Het lijkt er sterk op dat dat aantal internationaal de komende jaren flink gaat dalen.
En als dat zo is, komt daar dan iets moois voor in de plaats?



Symfonische orkesten zullen met hun tijd mee moeten gaan en het publiek moeten blijven aanspreken en aantrekken. Daar wordt veel over nagedacht en mee geëxperimenteerd.
Ook bij ons in Rotterdam zullen zeker in de nabije toekomst nieuwe concertformats worden gepresenteerd.
Een opvallende noviteit in het functioneren als orkest kwam onlangs uit Brussel, waar ze de bladmuziek overbodig willen maken en langzaam aan overstappen op de tablet, in dit geval de Samsung Galaxy Note 10.1: http://blogs.bibliotheek.rotterdam.nl/blog/muziek-maken/orkest-ruilt-bladmuziek-voor-tablet
Ik kan me voorstellen dat daar toekomst in zit, hoewel er nog wel wat hobbels genomen moeten worden.
Wat je gaat missen is een ontmoeting met het verleden, de musici die eerder hun aantekeningen hebben achtergelaten in de partij. Niet alleen vingerzettingen, maar ook humoristische opmerkingen, of jaartallen en dirigentennamen van concerten.
En hoe langer je in het orkest zit, hoe vaker je je eigen handschrift weer eens tegenkomt.
Dat zal dan verdwijnen.

Hoe snel ontwikkelingen gaan, merk je ook aan de omgang met oude muziek.
Brahms zal op een heel andere manier met Bach omgegaan zijn, dan Webern of Casals, en hoe zal Beethoven Das wohltemperierte Klavier gespeeld hebben?

Een dergelijke confrontatie met de tijdgeest had ik gisteren bij het zoeken naar opnames van een concert dat ik woensdag in de Laurenskerk ga spelen (www.domesticarotterdam.nl); Vivaldi's dubbelconcert in d, het voorlaatste uit zijn opus 3, L'estro armonico.
Het zal bij ons geen hele 'authentieke' uitvoering worden, we spelen op moderne instrumenten, maar de ontwikkelingen van de laatste decennia zijn natuurlijk niet aan ons voorbij gegaan.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik moeite heb met opnames van befaamde ensembles als Saint-Martin-in-the-Fields of I Musici, terwijl ik daar vroeger van smulde.
Maar curieus wordt het om te luisteren naar grootheden als Willy Boskovski, in 1964 concertmeester van de Wiener Philharmoniker:



Of nog anders die van Toscanini, die hele orkestgroepen inzet om de solopartijen te spelen:

Grote musici, maar met deze muziek op dit moment moeilijk te verteren. Tempo is te laag, elke noot wordt vol gevibreerd.Toch was dat ooit de standaard en zullen latere generaties hun vraagtekens bij onze uitvoeringspraktijk zetten.
Nog eentje van Nathan Milstein, waarbij de cello, toch de derde solopartij volledig wordt ondergesneeuwd:
En Milstein staat hoog op mijn lijstje van 'grote violisten'.
De TIJDGEEST....

Ter compensatie dan maar even een 'moderne'opvatting:
 met onze landgenoot Jaap ter Linden in de cellopartij.
Geniale onverwoestbare muziek!

woensdag 14 november 2012

Bach in de finale

De afgelopen weken heb ik me voornamelijk bezig gehouden met oude muziek.
Dat doen we meestal wel, als orkestmusici, maar nu was het echt oud.
Veertiende-eeuws zelfs, met stukjes Landini.
Maar ook de eerste helft van de achttiende eeuw van Vivaldi valt meestal buiten het het repertoire dat we in het orkest spelen.



Het najaar is, inmiddels al bijna traditioneel, het seizoen dat we met Domestica Rotterdam onze serie Lof&Lust in de Laurenskerk spelen.
Dat betekent doorgaans tot op het laatste moment passen, meten en schuiven met muziek en tekst totdat alles werkt.
De komende twee weken betekent dat nog veel Vivaldi (zie: http://www.laurenskerkrotterdam.nl/programma/agenda/punt/247/).
En tegelijkertijd moeten we ook plannen maken voor volgend jaar, om weer op tijd alles rond te krijgen.
Het thema hebben we inmiddels bepaald, we stappen af van Italië, maar het vergt nog vele uren luisterplezier voordat we componistennamen kunnen noemen.

Dan besef je ook meteen hoeveel makkelijker die research de laatste jaren geworden is.
Hoeveel partituren kun je niet op internet vinden, tot aan de oude handschriften en eerste drukken toe, om maar te zwijgen van de geluidsopnames op Spotify en Youtube.
Een interessant studie-object voor later: de invloed van internet op de programmering van klassieke muziek.



In de negentiende eeuw was dat een ander verhaal.
Johannes Brahms was zo iemand die zich verdiepte in de oude meesters, waarvan hij vooral als koordirigent ook veel uitvoerde. Beethoven wordt altijd genoemd als zijn grote voorbeeld, zijn Eerste Symfonie wordt ook wel de Tiende van Beethoven genoemd, maar Johann Sebastian Bach moet zeker zo belangrijk zijn geweest.
Aanvankelijk was veel van zijn muziek nauwelijks toegankelijk totdat de Bach-Gesellschaft in 1850 werd opgericht. In een halve eeuw zou het complete oeuvre bij Breitkopf&Härtel worden uitgegeven, waarvan Brahms niet alleen abonnee was maar later ook lid van de redactie.
In de periode dat cantate nr. 150 ( Nach dir, Herr, verlanget mich) uitkwam zat Brahms midden in de compositie van zijn Vierde symfonie. Het thema van het slotkoor (Meine Tage in dem Leide), een chaconne, nam hij als basis voor de finale van zijn symfonie, die de vorm van een passacaglia kreeg.





Ik moet eerlijk zeggen dat ik het verschil tussen beide vormen niet goed kan maken. In beide gevallen is sprake van een serie variaties op een baslijn.
En heel hoorbaar is het verband tussen beide stukken misschien niet.
Maar ik vind het wel zinvol dat beide stukken deze week samen in één programma klinken.
Ook zo'n prachtige fluitsolo in de finale moet geïnspireerd zijn op het voorbeeld van de Thomascantor.
Die blik in de richting van oude muziek en contrapunt zie je ook bij de late werken van Mozart en Beethoven, die dan fuga's gaan componeren. Schubert nam zelfs in zijn laatste levensjaren nog les.
Bij Brahms zit Bach ook al in de DNA van zijn vroege werken. De Eerste Cellosonate bijvoorbeeld, met zijn   fugatische finale, of het Eerste Pianoconcert.
Het is wel steeds het laatste deel. Zou daar een betekenis achter zitten?